| Scheidingsvormen |
1. Echtelijke moeilijkheden 2. Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar 3. Echtscheiding op bepaalde gronden (ernstige tekortkomingen van één der echtgenoten) 4. Echtscheiding op grond van grove beledigingen 5. Echtscheiding door onderlinge toestemming 6. Dringende en voorlopige maatregelen |
| Echtelijke moeilijkheden |
|
Bij ernstige echtelijke moeilijkheden is het aangewezen voor alle partijen (beide echtgenoten, en zeker de kinderen), dat beide partijen blijven open staan voor een duidelijk gesprek. Is dit niet mogelijk, raadpleeg een gezins- of relatietherapeut. Faalt elke poging tot verzoening, staan er wettelijk voor de echtgenoten vier mogelijkheden open :
Dringende en voorlopige maatregelen (art. 221-223 Burgerlijk Wetboek) Bij relatiestoornissen tussen echtgenoten (sinds 01.01.2000 ook tussen wettelijk samenwonenden) kan de heer Vrederechter dringende en voorlopige maatregelen bevelen.De vrederechter kan uitspraak doen over :
Deze maatregelen worden meestal beperkt in tijd, met het oog op mogelijke verzoening of een definitieve echtscheiding. U kan voor deze procedure beroep doen op een advocaat, of U kan
desnoods zelf Uw verzoekschrift ter griffie neerleggen.
Uw verzoekschrift legt U zelf neer ter griffie van het
vredegerecht van Uw kanton. Bij het verzoek voegt U bij : Beide echtgenoten worden opgeroepen met een gerechtsbrief uitgaande
van het Vredegerecht, copie van het verzoekschrift wordt meegestuurd.
Partijen dienen samen te verschijnen voor de Vrederechter, al dan
niet bijgestaan door een raadsman (advocaat). |
| 2. Echtscheiding door twee jaar feitelijke scheiding. |
|
|
| 3. Echtscheiding op bepaalde gronden (ernstige tekortkomingen van één van de partners |
|
Dominique Pignolet
Onder de wetenschappelijke begeleiding van Prof. P. Senaeve
ALGEMENE INLEIDING
A. SITUERING VAN "GROVE
BELEDIGINGEN"
Art. 231 B.W. bepaalt: "Ieder
echtgenoot kan de echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden,
mishandelingen of grove beledigingen door de andere echtgenoot
jegens hem gepleegd". Art. 231 B.W. voorziet dus in drie
afzonderlijke echtscheidingsgronden: de gewelddaden, de
mishandelingen en de grove beledigingen. Het onderwerp van dit werk
betreft uitsluitend de laatste grond, nl. de grove beledigingen. De
twee anderen zullen buiten het bestek van de bespreking blijven. Er
moet wel worden vastgesteld dat zowel de mishandelingen als de
gewelddaden als grond tot echtscheiding aanzienlijk aan belang
hebben verloren. Dit is het gevolg van de heel ruime interpretatie
van de grond "grove beledigingen" en de opslorping van de twee
andere gronden die deze extensieve interpretatie tot gevolg had. Het
overspel stricto sensu zal ook niet aan bod komen daar het overspel
een afzonderlijke echtscheidingsgrond is, opgenomen in Art. 229 B.W..
De echtscheiding op grond van grove
beledigingen is een vorm van foutechtscheiding ("divorce-sanction",
"Verschuldensprinzip"). Dit wil zeggen dat de echtscheiding in dit
geval wordt gezien als een burgerrechtelijke sanctie die moet worden
uitgesproken n.a.v. de ernstige schending van een huwelijksplicht
door één van de echtgenoten. Het sanctiekarakter van de
echtscheiding zal invloed hebben op de voorwaarden waaraan een feit
moet voldoen vooraleer het kan gekwalificeerd worden als een grove
belediging.(1)
Sommige auteurs maken zelfs een vergaande vergelijking tussen de
echtscheiding op grond van fout en het strafrecht.(2)
Dit is nochtans niet de enige
opvatting die over de echtscheiding kan worden gehanteerd. De
echtscheiding kan ook gezien worden als een remedie voor een
toestand die een aangepaste oplossing vergt. In dat geval zal er
sprake zijn van "divorce remède" ("Zerrüttungsprinzip"). De
echtscheiding zal dan niet langer afhankelijk worden gemaakt van het
voldoen aan een aantal voorwaarden zoals de ernst van de feiten of
de erkenning van de schuld van de echtgenoot-verweerder. De rechter
zal alleen de mislukking van het hu-welijk (of de duurzame
ontwrichting ervan) moeten vaststellen. Dit zal hij kunnen doen
wanneer de situatie zo is dat de kans op verzoening onbestaand is.
Meestal beschikt de wet zelf over een aantal criteria die wijzen op
de afwezigheid van kans op verzoening.(3)
De echtscheiding op grond van grove
beledigingen is een vorm van echtscheiding op grond van feiten. Dit
laat ons toe een aantal vooraf-gaandelijke en algemene opmerkingen
te maken over de echtscheiding op grond van de grove beledigingen.
Art. 231 B.W. is, o.m. door de zeer extensieve interpretatie ervan,
een open echtscheidingscategorie (geworden), d.w.z. dat voorzover
een feit aan bepaalde (ruim geïnterpreteerde) voor-waarden voldoet,
het onder het toepassingsgebied van Art. 231 B.W. kan vallen.
Bijgevolg kan de echtscheiding uitgesproken worden n.a.v. de meest
uiteenlopende feiten, zoals zal blijken in deel II.
Deze vaststelling leidt ons tot een
tweede opmerking: de feiten zijn onder-worpen aan de
beoordelingsvrijheid van de rechter: hij alleen oordeelt over de
situatie. Hij gaat na of in zijn ogen die feiten voldoen aan de vijf
voorwaarden die in deel I zullen worden uiteengezet en motiveert
zijn vonnis
in die zin.(4)
Ondanks deze motiveringsplicht moet men zich hoeden voor de
discretionaire bevoegdheid van de
rechter. De objectiviteit van de rechter wordt hier in twijfel
getrokken. Er wordt alleen opgemerkt dat het voor hem bijzonder
moeilijk zal zijn om zijn waardeoordelen volledig terzijde te laten
bij de beoordeling van de zaak die hem wordt voorgelegd.
De indeling van het werk is als volgt:
na een korte vergelijking met het foutbegrip naar Frans recht,
worden in een eerste deel de vijf algemene voorwaarden waaraan een
"grove belediging" moet voldoen, overlopen. Het tweede deel geeft
een overzicht van de mogelijke grove beledigingen. De conclusie,
tenslotte, moet een (bescheiden) kritiek geven op de echtscheiding
op grond van grove belediging.
B. VERGELIJKING MET HET FRANSE RECHT, HET BEGRIP "FAUTE" IN ART. 242 C.CIV.(5)
Het is interessant even te verwijzen
naar het Franse recht aangezien daar voor bepaalde
echtscheidingsgronden nog wordt verwezen naar het foutbegrip (zoals
bij echtscheiding op grond van grove beledigingen), hoewel het in
bepaalde opzichten verschilt van de situatie naar Belgisch recht.(6)
Het Franse echtscheidingsrecht werd
hervormd door de wet van 11 juli 1975. Het nieuwe artikel 229 C.Civ.
voorziet nu in drie mogelijkheden om de echtscheiding te bekomen: de
echtscheiding door onderlinge toestemming (le divorce par
consentement mutuel, Art. 230-236 C.Civ.), de echtscheiding op grond
van verbreking van de huwelijksgemeenschap (le divorce pour rupture
de la vie commune, Art. 237-241 C.Civ.) en de echtscheiding op grond
van fout (le divorce pour faute, Art. 242-246 C.Civ.). In het kader
van deze uiteenzetting zullen wij ons beperken tot een korte
bespreking van deze laatste echtscheidingsgrond.
Het Franse echtscheidingsrecht
hanteert twee foutbegrippen: enerzijds "la faute péremptoire" en
anderzijds "la faute facultative". Het onderscheid tussen afdoende
en facultatieve echtscheidingsgronden heeft slechts gevolgen voor de
beoordelingsbevoegdheid en de motiveringsplicht van de rechter.
"La faute péremptoire" laat de rechter
geen beoordelingsvrijheid toe. Eens hij vaststelt dat alle
voorwaarden aanwezig zijn, moet hij de echtscheiding op grond van
fout uitspreken.
Vóór de hervorming van 1975 kende het
Franse recht twee "fautes péremptoires": het overspel en de
strafrechtelijke veroordeling tot een criminele straf. Sinds 1975 is
dit onderscheid gedeeltelijk vervaagd.
Vooreerst het overspel. De wet van
1975 heeft de vroegere situatie in twee opzichten veranderd:
enerzijds is het overspel gedepenaliseerd en anderzijds is het
opgenomen in het algemeen artikel over de fout.(7)
Vervolgens de straf-rechtelijke veroordeling. Het "péremptoire"
karakter van de strafrechtelijke veroordeling wordt in de rechtsleer
betwist. Dit volgt o.a. uit het feit dat de strafrechtelijke
veroordeling als echtscheidingsgrond is opgenomen in een
afzonderlijk artikel, nl. Art. 243 C.Civ.. BENABENT meent dat de
straf-rechtelijke veroordeling een "faute péremptoire" is (en dan
wel de enige)(8),
terwijl dit volgens COLOMBET niet het geval is.(9)
Dit laatste standpunt is vrij onverwacht na het arrest van het Hof
van Cassatie van 1989.(10)
In dit arrest neigde het Hof eerder naar een bevestiging van het
standpunt van BENABENT.(11)
"La faute facultative" (Art. 242 C.Civ.)
laat wél een opportuniteitsoordeel van de rechter toe. Dit oordeel
is slechts formeel onderworpen aan de controle van het Hof van
Cassatie.(12)
De vraag die men zich nu moet stellen
is de vraag naar de voorwaarden voor het bekomen van echtscheiding
op grond van fout. Uit de wet kunnen drie voorwaarden worden
afgeleid: de toerekeningsvatbaarheid van de foutieve echtgenoot, een
ernstige of herhaalde schending van een huwelijksplicht en de
onhoudbaarheid van de huwelijksgemeenschap die hieruit volgt.(13)
De eerste voorwaarde vergt niet veel
uitleg: het begrip "fout" veronderstelt de toerekenbaarheid aan de
dader. Hieruit volgt dat deze echtscheidingsgrond niet mogelijk zal
zijn voor een krankzinnige; echter wel voor bv. iemand die handelde
onder invloed van drankgebruik.
Voor de tweede voorwaarde moet er op
het volgende worden gewezen: de echtscheiding zal niet alleen worden
toegestaan wegens schending van een huwelijksplicht opgenomen in de
Code Civil(14),
maar eveneens wegens schending van andere plichten die niet
expliciet zijn opgenomen als huwelijksplicht, maar die de
rechtspraak als dusdanig heeft erkend.(15)
Over de draagwijdte van de laatste
vereiste nl. de onhoudbaarheid van de huwelijksgemeenschap bestaat
er betwisting in de rechtsleer. Volgens de ene stelling, o.a.
verdedigd door BENABENT is het vervullen van deze voorwaarde
determinerend voor het al dan niet toestaan van de echtscheiding op
grond van fout.(16)
Volgens de andere stelling o.a. verdedigd door COLOMBET is deze
voorwaarde slechts een stijlformule daar het inleiden van de eis
reeds een bevestiging is van de onhoudbaarheid van de
leefgemeenschap.(17)
Een korte situering van de
echtscheiding o.g.v. fout naar Frans recht was opportuun daar er in
de verdere bespreking af en toe zal worden verwezen naar Franse
rechtspraak die dateert zowel van voor de hervorming (toen het
begrip "injure grave" nog steeds was opgenomen in de Franse C.C.)
als van na de hervorming (met toepassing van Art. 242 C.C. en het
algemeen foutbegrip).
I. ALGEMENE VOORWAARDEN
De rechtspraak verwijst naar drie
algemene voorwaarden voor het uitspreken van de echtscheiding op
grond van feiten: de schending (of niet-naleving) van een
huwelijksplicht (materiële factor) (A), de psychologische en
morele verantwoordelijkheid van de schuldige echtgenoot (vrijwillig-
en toerekenbaarheid) (C) en het beledigend karakter in hoofde
van de andere echtgenoot (morele factor) (D).(18)
De rechtsleer voegt twee
voorwaarden toe aan de drie vorige: het moet gaan om feiten die
zich hebben voorgedaan tijdens het huwelijk (dit volgt uit de
eerste vereiste) (E) en de feiten moeten ernstig zijn (B).
Deze voorwaarden gelden dus
algemeen voor het uitspreken van echtscheiding op grond van
feiten maar zullen nu specifiek worden toegelicht in het kader
van Art. 231 B.W., en meer bepaald in het kader van de "grove
beledigingen".(19)
A. DE SCHENDING VAN EEN HUWELIJKSPLICHT
De vereiste van de schending van
een huwelijksplicht heeft een objectief karakter. Men dient
bijgevolg na te gaan wat de huwelijksplichten inhouden. De
rechtspraak interpreteert dit begrip zeer ruim. De
huwelijksplichten zijn niet beperkt tot de opsomming die in het
Burgerlijk Wetboek wordt gegeven vanaf Art. 212 B.W.. De
echtgenoten hebben ook de plicht het doel van het huwelijk te
eerbiedigen, nl. een levensgemeenschap vormen, gebaseerd op een
wederkerige waardering en een wederkerig vertrouwen. Bijgevolg
is de aantasting van deze waardering en van dit vertrouwen ook
een schending van een huwelijksplicht en maakt ze een grond tot
echtscheiding uit in de zin van Art. 231 B.W.. Dit artikel is
zeer algemeen geformuleerd, immers het gaat om de schending van
alle huwelijksplichten.
Men kan zich de vraag stellen of
deze extensieve interpretatie van "huwelijksplicht" niet in
strijd is met de beperkende opsomming van echtscheidingsgronden.(20)
Deze vraag wordt door de rechtsleer negatief beantwoord, en dit
o.a. gelet op de zeer ruime interpretatie van "grove
beledigingen" die ook niet in strijd wordt geacht met de
beperkende opsomming van het Burgerlijk Wetboek. Maar ongeacht
de draagwijdte die aan "grove beledigingen" wordt gegeven, moet
er steeds vastgesteld worden dat een plicht, ontstaan uit het
huwelijk, werd geschonden.(21)
Uit de vereiste van de schending
van een huwelijksplicht wordt een andere voorwaarde afgeleid die
verder zal worden uitgewerkt: de aangehaalde feiten moeten zich
hebben voorgedaan nà het sluiten van het huwelijk (cfr. E ).
B. ERNSTIGE AARD
Deze vereiste volgt logisch uit de
opvatting van ons recht over de echtscheiding op grond van fout.
Ons recht hanteert voor de echtscheiding op grond van grove
beledigingen de opvatting van een "divorce-sanction" m.a.w. de
echtscheiding is de zware sanctie die volgt op de schending van
een huwelijksplicht. Deze sanctie kan bijgevolg enkel worden
toegepast wanneer de feiten werkelijk ernstig zijn.(22)
Voor grove beledigingen kan het
ernstig karakter op twee manieren worden afgeleid: het kan
afgeleid worden uit één feit of uit verschillende feiten die op
zichzelf niet ernstig zijn maar die ernstig worden door het
herhaaldelijk of het bestendig plegen ervan.(23)
Omgekeerd zal in dat geval een eenmalig feit niet voldoende zijn.(24)
De ernst van de feiten wordt beoordeeld door de feitenrechter,
die rekening houdt met alle omstandigheden.(25)
C. VRIJWILLIG EN TOEREKENBAAR
De echtscheiding op grond van
grove beledigingen zal slechts worden uitgesproken wanneer de
echtgenoot-verweerder op het moment van de feiten effectief
schuldig wordt geacht.(26)
De afwezigheid van schuld zal door de echtgenoot-verweerder
moeten worden bewezen(27),
of m.a.w., de schuld in hoofde van de dader wordt vermoed.
De schuld van de
echtgenoot-verweerder bestaat uit twee componenten.(28)
de handeling moet vrijwillig gesteld zijn(29)
en ze moet aan de schuldige echtgenoot toerekenbaar zijn. Dit
laatste impliceert dat de echtgenoot zich ervan bewust moet zijn
dat hij een foutieve en kwetsende handeling stelt.(30)
Hij weet dat hij zijn echtgenoot beledigt.(31)
Een ongewilde schending van een huwelijksplicht is bijgevolg
geen voldoende grond tot echtscheiding, en dit ongeacht de ernst
van het gepleegde feit.(32)
Echter, de vrijwilligheid en
toerekenbaarheid van het handelen vereisen niet dat de
echtgenoot-verweerder gehandeld heeft met de bedoeling de andere
echtgenoot te kwetsen (cfr. infra).(33)
D. BELEDIGEND KARAKTER
De bespreking van deze voorwaarde
dient verder te worden onderverdeeld in twee aspecten: vooreerst zal
er een omschrijving worden gegeven van het begrip beledigend
karakter. Vervolgens zal er kort worden ingegaan op de vraag naar de
schuldcompensatie, en de mogelijkheid het beledigend karakter te
doen vervallen (na de vaststelling ervan).
1. Omschrijving(34)
De vereiste van het beledigend
karakter vervolledigt de vereiste van vrijwilligheid.(35)
Dit blijkt uit de constante die werd ingezet met het arrest van het
Hof van Cassatie van 1 februari 1957.(36)
In dit arrest poneerde het Hof de volgende regel: het beledigend
karakter moet worden beoordeeld "gelet op alle omstandigheden eigen
aan de zaak en op het inzicht om te beledigen dat die omstandigheden
gebeurlijk laten uitschijnen".
Het is voldoende dat de tekortkoming
gewild was. Het is niet vereist dat de bijzondere opzet de andere
echtgenoot te beledigen aanwezig was.(37)
Het bewustzijn dat de handeling objectief krenkend was voor de
andere echtgenoot volstaat. Dit is niet strijdig met de stelling die
gehanteerd wordt door het Hof van Cassatie over de bedoeling de
andere echtgenoot te beledigen (animus injurandi): de bedoeling om
te beledigen is, volgens het Hof, niet noodzakelijk; de aanwezigheid
van de bedoeling om de andere echtgenoot te beledigen is slechts één
van de elementen die de rechter zal toelaten in functie van alle
omstandigheden van de zaak te beoordelen.(38)
Het beledigend karakter moet wel aanwezig zijn.(39)
Dit beledigend karakter mag niet alleen worden afgeleid uit de
schending van een huwelijksplicht. Het moet beoordeeld worden door
de burgerlijke rechter(40)
in functie van alle omstandigheden van de zaak.(41)
Zo zal een handeling niet beledigend zijn wanneer zij gesteld wordt
door aanzetting, uitlokking, met medeplichtigheid, medeweten van de
andere echtgenoot of nog wanneer deze laatste verantwoordelijk is
voor het gedrag van de echtgenoot-verweerder.(42)
2. Schuldcompensatie
De schuldcompensatie is het afwegen
van de fouten van beide echtgenoten zodat de ene de andere teniet
doet. Deze stelling wordt algemeen door rechtspraak en rechtsleer
afgewezen. De rechten en plichten die ontstaan uit het huwelijk zijn
wederzijds en raken de openbare orde. De automatische opheffing
ervan is niet mogelijk.(43)
Wat wel kan worden aangenomen, is de
mogelijke samenhang tussen verschillende fouten. Dit zal beoordeeld
worden door de rechter, rekening houdend met de causaliteit tussen,
en de kennis van de schendingen.(44)
Dit zal niet leiden tot het verval van het foutief karakter van de
ene handeling. Dit kan tot gevolg hebben dat het beledigend karakter
van de feiten die gepleegd werden na of gelijktijdig met de andere
tekortkoming kunnen vervallen.
De vraag die men zich dient te stellen,
is aan welke vereisten een tekortkoming in hoofde van de
mede-echtgenoot moet voldoen opdat zijn eigen wangedrag het
beledigend karakter zou verliezen. Vooreerst dient er een
tekortkoming te bestaan in hoofde van beide echtgenoten. Vervolgens
dient een causaal verband te bestaan tussen beide tekortkomingen.
Dit impliceert dat de ene tekortkoming in de tijd voorafgaat aan de
andere, of dat diegene die zich op de tekortkoming beroept ervan op
de hoogte was of kon zijn op het ogenblik dat hij zelf inbreuk
pleegde op de echtelijke plichten.(45)
Het onderscheid tussen enerzijds
schuldcompensatie en anderzijds het verval van het beledigend
karakter heeft RIGAUX op de volgende manier verwoord: Le fait d'un
conjoint, atténuant ou supprimant la gravité de l'injure doit être
antérieur ou concomittant à la faute de l'autre, tandis que si l'on
admettait la compensation des torts, le comportement culpeux d'un
conjoint éteindrait les griefs fondés sur un fait antérieur à la
cause qui les a éteints".(46)
E. FEITEN DIE DATEREN VAN TIJDENS HET HUWELIJK
Algemeen wordt gesteld dat de feiten
die worden aangehaald voor het vorderen van een echtscheiding op
grond van feiten zich moeten hebben voorgedaan tijdens het huwelijk,
of tenminste gelijktijdig met de sluiting ervan. Deze opvatting
vindt haar grondslag in drie vaststellingen:
Ten eerste werd reeds gesteld dat één
van de algemene voorwaarden voor het toestaan van echtscheiding op
grond van feiten, de schending van een huwelijksplicht was (cfr. A).
Deze plichten ontstaan slechts bij het sluiten van het huwelijk. Het
is dus logisch dat men geen huwelijksplicht kan schenden voor het
sluiten van het huwelijk. Vervolgens is het moeilijk het beledigend
karakter (cfr. D) aan te nemen van feiten die, hoewel gekend door de
eisende echtgenoot, het huwelijk niet hebben verhinderd.(47)
Tenslotte kan men opwerpen dat, ingeval van kennis van de feiten
door de eisende echtgenoot, de huwelijkssluiting een vergiffenis van
deze feiten veronderstelt, of ze althans laat vermoeden.(48)
Men kan dus concluderen dat feiten
gepleegd vóór het huwelijk niet relevant zijn voor het al dan niet
uitspreken van de echtscheiding. Ingeval van "voortgezette feiten" (d.w.z.
begonnen voor en verdergezet tijdens het huwelijk), zullen deze
slechts in aanmerking komen voor dat gedeelte gepleegd ná het
sluiten van het huwelijk.
Dit beginsel wordt aanzienlijk
gemilderd door de rechtspraak, voorzover de feiten aan twee
voorwaarden voldoen. De feiten in kwestie mogen niet gekend zijn
door de echtgenoot of van algemene bekendheid zijn.(49)
Bovendien moet het gaan om het verbergen van feiten waarvan de
gevolgen tijdens het huwelijk blijven voortduren of feiten die,
indien ze vooraf gekend waren, het huwelijk hadden verhinderd.(50)
Twee verantwoordingen kunnen worden
gegeven om de aanvaarding van feiten gepleegd voor het huwelijk als
grond van echtscheiding aan te nemen. Men kan stellen dat de
onhoudbare situatie die gecreëerd wordt door die feiten een
bijzondere soort van grove belediging uitmaakt, nl. gepleegd op het
ogenblik van het sluiten van het huwelijk.(51)
Een andere mogelijkheid is het aanvaarden van een "perfied bedrog".(52)
Dit wil zeggen dat het verzwijgen van ernstige feiten, een erg
wilsgebrek bij de huwelijkssluiting teweeg brengt, daar ze een
dwaling in de persoon inhoudt. De dwaling in de persoon als grond
voor de nietigverklaring van het huwelijk wordt door de rechtspraak
verworpen. Ze wordt door de rechtspraak echter wél aanvaard als
grond tot echtscheiding.(53)
Een laatste opmerking in verband met
het ogenblik waarop de feiten moeten gepleegd zijn, is de vraag of
feiten die werden gepleegd ná de feitelijke scheiding, maar vóór het
uitspreken van de echtscheiding, of nog feiten gepleegd ná het
inleiden van de echtscheidingsprocedure ook in aanmerking kunnen
komen voor het beoordelen van een grove belediging. Het arrest van
het Hof van Cassatie van 6 februari 1976 bepaalt dat de feiten van
na de inleiding van de procedure alleen niet voldoende zijn. Ze
moeten samen-hangen met andere bewezen feiten van voor de inleiding
en er moet beslist zijn geweest dat die feiten in hun geheel en in
hun samenhang genomen een voldoende grond uitmaken.(54)
Dit lijkt vrij logisch als men de algemene voorwaarden overloopt: de
ernstige en vrijwillige aard moet nog steeds op dezelfde manier
worden beoordeeld, de feiten hebben zich effectief voorgedaan
tijdens het huwelijk en een schending van een huwelijksplicht is nog
steeds mogelijk daar het huwelijk nog niet werd ontbonden.(55)
De voorwaarde die hier dus aanleiding zal geven tot betwisting is
het beledigend karakter. Maar het blijkt duidelijk dat een
belediging moeilijker, en zeker niet alleen zal kunnen worden
afgeleid uit feiten die zich uitsluitend hebben voorgedaan na het
inleiden van een echtscheidingseis.
Wat betreft de feiten gepleegd na het
toestaan van de scheiding van tafel en bed, geldt het volgende:
niets verhindert het instellen van een echtscheidingsvordering op
grond van grove belediging(56),
wel wordt vereist dat de eis niet gesteund is op dezelfde feiten als
diegene die hebben geleid tot het uitspreken van de scheiding van
tafel en bed.(57)
II. OVERZICHT VAN DE TOEPASSINGSGEVALLEN
In dit hoofdstuk zullen de concrete
feiten die kunnen worden gekwalificeerd als grove belediging, worden
geanaliseerd. De indeling gebeurt op grond van de geschonden
huwelijksplicht. In een eerste deel worden de schendingen van "benoemde"
huwelijksplichten besproken, d.w.z. de schending van deze plichten
die expliciet in het B.W. worden opgenomen in Art. 212 e.v.. In het
tweede deel worden de feiten behandeld die de algemene
huwelijksplicht tot wederkerige waardering, eerbied en vertrouwen
schenden.(58)
Deze indeling is zuiver arbitrair,
hoewel ze meestal in grote lijnen wordt overgenomen in de literatuur.
Het zal de lezer allicht opvallen dat eenzelfde feit soms in
verschillende onderdelen van dit overzicht zou kunnen worden
ondergebracht. Dit is logisch en bovendien zonder enig belang. Er
kleven immers geen rechtsgevolgen aan de indeling. Het zijn allemaal
grove beledigingen vanaf het ogenblik dat voldaan is aan de vijf
besproken algemene voorwaarden. Bij deze analyse zal bijgevolg naast
de schending van de huwelijksplicht (basis van de onderverdeling),
steeds voor ogen moeten worden gehouden dat de feiten die worden
ingeroepen, moeten voldoen aan de vier andere voorwaarden die in het
vorig hoofdstuk werden besproken, d.w.z. de ernstige aard, het
vrijwillig en toerekenbaar karakter, het beledigend aspect en de
situering van de feiten na het sluiten van het huwelijk.(59)
A. SCHENDING VAN EEN "BENOEMDE" HUWELIJKSPLICHT 1. Samenwoningsplicht sensu lato
De samenwoningsplicht bestaat uit twee
componenten: strict gezien dienen de echtgenoten onder hetzelfde dak
te leven. Een tweede en ruimer facet omvat de plicht tot het hebben
van geslachtsverkeer met de andere echtgenoot. De schending van de
twee aspecten van de samenwoningsplicht zullen nu achtereenvolgens
worden besproken.
a. Samenwoningsplicht sensu stricto(60)
De schending van de samenwoningsplicht
uit zich in de weigering van één der echtgenoten om verder te leven
met de andere of door het verlaten van de echtelijke woning.
De verlating van de echtelijke
verblijfplaats is op zich geen grond tot echtscheiding. De eiser
moet hiervoor het beledigend karakter van de verlating bewijzen.(61)
De bewijslast rust dus op de schouders van de eiser(62),
terwijl de verweerder steeds het tegenbewijs mag leveren.(63)
De feitenrechter oordeelt soeverein, rekening houdend met alle
omstandigheden van de zaak.(64)
De rechter dient evenwel niet vast te stellen dat de echtgenoot
doelbewust heeft gehandeld met de bedoeling de andere echtgenoot te
krenken.(65)
Het beledigend karakter van de
schending van de samenwoningsplicht kan o.m. blijken uit de
ongerechtvaardigde en volgehouden weigering van de echtgenote om
samen te wonen met haar man in de echtelijke verblijfplaats(66)
of uit de bijzondere omstandigheden waarmee het vertrek gepaard ging
en die aan dit vertrek een ernstig beledigend karakter gaven.(67)
De samenwoning weigeren om bij de zieke moeder te kunnen intrekken
teneinde deze te verzorgen, is beledigend voor de andere echtgenoot.(68)
De systematische weigering om in te gaan op een verzoek van de
andere echtgenoot om de samenleving te hervatten is eveneens een
grove belediging voorzover het verzoek oprecht is. Het is bijgevolg
niet voldoende een pro forma verzoek te formuleren teneinde over een
middel te beschikken om het beledigend karakter van de verlating te
bewijzen.(69)
Het is onmogelijk een echtgenoot te
verplichten het samenwonen te hervatten door hem te kwetsen in zijn
intiemste gevoelens of door gebruik te maken van onwettige middelen.(70)
In vele gevallen wordt aangenomen dat
de echtgenoot over voldoende gegronde redenen beschikt om de
echtelijke woning te verlaten. Dit is een gevolg van de stricte
interpretatie van het principe dat stelt dat de verlating slechts
een grond tot echtscheiding kan zijn wanneer vaststaat dat deze
verlating ernstig beledigend was (cfr. supra). Deze stricte
interpretatie werd ingezet door het arrest van 4 januari 1982 van
het Hof van Brussel.(71)
De verantwoorde verlating werd o.m. aangenomen in de volgende
gevallen: eenzijdige keuze van verblijfplaats (zonder toestemming
van de andere echtgenoot en zonder tussenkomst van de vrederechter)(72);
noodtoestand waarin vrouw en kinderen verkeren tengevole van het
opvliegend karakter van de man(73);
mishandelingen(74);
slagen; brutaliteiten en ongezonde huisvesting.
b. Plicht tot geslachtsverkeer
De verplichting tot normaal
geslachtsverkeer(75)
is de tweede facet van de samenwoningsplicht sensu lato en een
ernstige schending van deze huwelijksplicht kan eveneens een grond
tot echtscheiding zijn in de zin van Art. 231 B.W.. De schending van
deze plicht kan op verschillende wijzen tot uiting komen. Deze
zullen nu worden overlopen.
De systematische weigering van
geslachtsgemeenschap is een grove belediging wanneer zij niet steunt
op een gegronde reden of wanneer zij werd ingegeven door antipathie
of door minachting.(76)
Met de systematische weigering van geslachtsgemeenschap wordt de
situatie van impotentie gelijkgesteld voorzover de echtgenoot reeds
voor het huwelijk op de hoogte was van zijn aandoening maar zijn
vrouw niet had ingelicht(77)
of wanneer hij weigert zich te onderwerpen aan de geneeskundige
ingreep die aan zijn situatie zou verhelpen.(78)
A contrario kan worden afgeleid dat de onvrijwillige en
ongeneeslijke impotentie die optreedt na het sluiten van het
huwelijk geen grove belediging is. Hetzelfde geldt voor de
steriliteit van de vrouw.
Het verbergen van venerische ziektes
en de afwezigheid van enige voorzorg om de besmetting van de partner
te vermijden zijn eveneens grove beledigingen. Dit zou aan belang
kunnen winnen in de toekomst i.v.m. het overdragen van AIDS.(79)
De echtgenoten hebben niet het recht
om van elkaar tegennatuurlijk seksueel verkeer te eisen. Ze kunnen
evenmin normale geslachtsbetrekkingen met geweld afdwingen. De
echtgenoten zijn elkaar zowel lichamelijke als morele eerbied
verschuldigd.
Wat betreft de ongegronde weigering
van ouderschap neemt men ook aan dat deze houding kan worden
gekwalificeerd als grove belediging.(80)
De weigering zal echter niet ernstig beledigend kunnen zijn indien
de echtgenoten op het moment van het huwelijk reeds hadden
afgesproken geen kinderen te krijgen. De vraag naar de geldigheid
van deze overeenkomst is hier irrelevant. Het gaat immers om de
schending van het wederzijds vertrouwen dat de echtgenoten elkaar
verschuldigd zijn.
Andere vragen die kunnen rijzen i.v.m.
ouderschap zijn de vragen naar de vrijwillige sterilisatie, het
gebruik van contraceptiva, de kunstmatige inseminatie met sperma van
een donor(81)
en abortus. Voor al deze gevallen kan men stellen dat één van deze
daden een grond tot echtscheiding kan zijn voorzover ze plaats had
buiten elk medeweten en zonder instemming van de andere echtgenoot.(82)
2. Getrouwheidsplicht
Elke vorm van ontrouw die niet onder
het toepassingsgebied valt van Art. 229 B.W. kan als grove
belediging worden gekwalificeerd.(83)
De rechter zal steeds de ernst en het beledigend karakter van de
feiten moeten nagaan. Het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest
van 2 mei 1980 dat een alleenstaand feit van intimiteit met een
derde niet voldoende is om de grove belediging aan te nemen.(84)
Anderzijds ontslaat het overspel van de man de vrouw niet om haar
getrouwheidsplicht na te komen.(85)
De vraag die men zich dient te stellen,
is wat wordt verstaan onder "vorm van ontrouw" of "moreel overspel".
Moreel overspel kan zowel verwijzen naar een werkelijke vorm van
intimiteit als naar een schijnsituatie, en kan worden aangenomen
ongeacht of het gaat om homo-(86)
of om heteroseksuele verhoudingen; of het m.a.w. gaat om elke vorm
(of schijn) van ongeoorloofde intimiteit met een derde die niet kan
worden gekwalificeerd als overspel.
De schending van de getrouwheidsplicht
werd in de volgende gevallen voldoende ernstig geacht om te kunnen
gekwalificeerd worden als een grove belediging. Wanneer één van de
echtgenoten t.a.v. een derde een houding aanneemt die overspel
suggereert, hoewel dat niet het geval is, is dit beledigend voor de
andere echtgenoot.(87)
Dit geldt evenzeer wanneer een echtgenoot langs de krant in contact
treedt met een derde(88),
tenzij deze houding kan worden verantwoord door de lange feitelijke
scheiding.
Toelaten dat een derde na de
feitelijke scheiding in de woning van één van de echtgenoten intrekt
(of zich daar laat inschrijven in het bevolkingsregister), is
beledigend voor de andere echtgenoot omdat een dubbelzinnige
situatie wordt gecreëerd die erin bestaat de schijn te geven aan de
buitenwereld dat beiden een koppel vormen.(89)
Het onderhouden van een exclusieve
vriendschapsrelatie met een persoon van hetzelfde geslacht of van
een homoseksuele relatie is een grove belediging in de zin van Art.
231 B.W.(90);
evenzeer als het liefkozen en zoenen van een derde en het zich
afzonderen in de woning van deze laatste.(91)
Een laatst toepassing betreft het "intellectueel
overspel". Dit werd door het Hof van Beroep van Parijs in het
volgende geval aangenomen: een vrouw onderhoudt met een bisschop een
nauwe intellectuele band; tengevolge van deze band beschouwt ze haar
man als intellectueel onwaardig; dit leidt tot een minachting van
haar echtgenoot.(92)
3. Plicht tot hulp en bijstand
De plicht tot hulp en bijstand vindt
zijn grondslag in het artikel 213 B.W. en het omvat twee aspecten.
Enerzijds is er de plicht tot hulp. Dit is het materiële facet van
deze plicht. De ene echtgenoot moet aan de andere echtgenoot alles
geven wat nodig is om te leven. Deze plicht kan ingeval van conflict
herleid worden tot de betaling van een geldsom en de uitvoering
ervan kan worden afgedwongen door het toestaan van een
onderhouds-vordering. Anderzijds is er de plicht tot bijstand. Dit
is een morele, niet in geld waardeerbare plicht. Het afbreuk doen
aan zowel de plicht tot hulp als aan de plicht tot bijstand kan
worden gekwalificeerd als een grove belediging en gesanctioneerd
worden door de echtscheiding.(93)
De schending van de hulpplicht kan o.m.
blijken uit de weigering van de betaling van onderhoudsgeld, de
veroordeling tot inkomstendelegatie(94)
of uit de strafrechtelijke veroordeling wegens familieverlating
(Art. 391 bis Sw.), en dit ongeacht of het feiten betrof gepleegd
t.a.v. de echtgenoot of t.a.v. de kinderen, a fortiori indien het
ging om gemeenschappelijke kinderen.(95)
Luiheid van een echtgenoot kan indien ze bestendig, opzettelijk en
vernederend is, ook beschouwd worden als een vorm van schending van
de hulpplicht (door "niet-deelname").(96)
De schending van de plicht tot
bijstand kan o.m. blijken uit het nalaten van de man om zijn vrouw,
na een operatie, in het ziekenhuis te bezoeken en bovendien de
paasgeschenken die ze voor de kinderen had opgestuurd, te weigeren
en terug te sturen(97);
de vrouw die gezond van geest is en die alle contacten met haar
gecolloceerde man weigert, met inbegrip van het samenleven(98);
de vrouw die meer aandacht en affectie toont voor haar kat dan voor
haar man, waardoor deze laatste graatmager wordt en zijn gezondheid
eraan verliest.(99)
B. SCHENDING VAN DE ALGEMENE PLICHT
TOT WEDERKERIGE WAARDERING, EERBIED EN VERTROUWEN
1. Ideologische conflicten(100)
Het recht op vrijheid van gedachte,
geweten, godsdienst en meningsuiting (en bijgevolg ook het recht op
vrije verandering ervan) is een recht dat opgenomen is zowel in de
grondwet als in het E.V.R.M. en dat hierdoor een zekere bescherming
geniet. Nochtans heeft het grondwettelijk recht van vrijheid van
mening in een bepaalde maatschappij door een ongehuwde en kinderloze
persoon niet dezelfde draagwijdte als dat recht in het kader van het
echtelijk- of gezinsleven. Immers, de andere echtgenoot beschikt
over hetzelfde recht. Vandaar dat de vrijheid zal begrensd worden
door dezelfde vrijheid van de mede-echtgenoot.
Het veranderen van godsdienst of van
politieke overtuiging is op zich geen grove belediging.(101)
Zo kan men moeilijk stellen dat het hebben van een bepaalde
partijkaart of het af en toe bezoeken van een cultusplaats het
echtelijk leven in gevaar brengt en aldus een grove belediging
uitmaakt.(102)
Anders is het wanneer deze verandering van ideologische overtuiging
(politiek of religieus) plaatsvindt met de uitsluitende bedoeling de
andere echtgenoot te beledigen(103),
wanneer ze gebeurde zonder eerbied voor de opvatting van de andere
echtgenoot of wanneer, tengevolge van deze verandering, er op
ernstige en fundamentele wijze te kort wordt gedaan aan de normale
huwelijksverplichtingen.(104)
Wat echter ingeval van weigering om
het kerkelijk huwelijk te sluiten na het wettelijk huwelijk(105)
of weigering om een gemeenschappelijk kind te laten dopen of volgens
een bepaald geloof op te voeden ?(106)
In beide gevallen dient te worden nagegaan of er een belofte werd
gedaan. Indien dit het geval is, zal de grove belediging kunnen
worden aangenomen. Het gaat hier niet om het sanctioneren van of om
het geven van enige geldingskracht aan een dergelijke overeenkomst
die (al dan niet schriftelijk) tussen de echtgenoten werd gesloten.
Wel gaat het om het sanctioneren van het niet-naleven van de
algemene huwelijksplicht van wederzijdse waardering, eerbied en
vertrouwen.(107)
Een afsluitende opmerking in dit
verband is dat ons echtscheidingssysteem niet is aangepast voor het
oplossen van dergelijke ideologische conflicten tussen echtgenoten.
Het systeem van "divorce-sanction" eist dat een fout wordt
aangetoond die voldoende ernstig is om een dergelijke sanctie op te
lopen en bijgevolg dat de rechter een heel moeilijk evenwicht zoekt
tussen het naleven van de huwelijksverplichtingen en het uitoefenen
van de godsdienstvrijheid. Het concept van "divorce-remède" beschikt
over een structuur die hiervoor beter geschikt is en een oplossing
biedt die een grotere voldoening geeft. Immers, de nadruk ligt in
dit systeem niet op de (foutieve) gedragingen zelf, maar wel op het
resultaat ervan: de duurzame ontwrichting van het huwelijk.(108)
2. Abusieve uitoefening van procedurele rechten
In de rechtsleer wordt de bespreking
van de abusieve uitoefening van bepaalde procedurele rechten meestal
beperkt tot een bespreking van de abusieve uitoefening door de
echtgenoten in het kader van de echtscheidingsprocedure. Dit is
logisch daar zij ongetwijfeld de meest voorkomende zijn, maar dit is
echter niet de enige toepassing van procedureel rechtsmisbruik
tussen de echtgenoten. Voorbeelden van andere mogelijke toepassingen
zijn de vordering tot onbekwaamverklaring, het vorderen van
dringende voorlopige maatregelen(109)
en de betwisting van het vaderschap. Verder zullen specifiek de
toepassingen in het kader van de echtscheidings-procedure worden
besproken. Maar men dient voor ogen te houden dat de algemene
beginselen die verder zullen worden aangehaald, ook gelden voor alle
andere procedures die tussen echtgenoten worden gevoerd.
Men kan niet spreken van een grove
belediging wanneer blijkt dat de procedure om gegronde redenen werd
ingeleid. Het gaat in dat geval immers om de uitoefening van een
recht op een manier die geenszins abusief is.(110)
Hiermee is dan ook meteen de eerste voorwaarde genoemd die moet
vervuld zijn opdat er sprake kan zijn van een grove belediging: de
vordering mag niet steunen op gegronde redenen.
Een volgende voorwaarde is dat het
ernstig beledigend karakter van de gevoerde procedure moet kunnen
worden aangetoond. Dit kan o.m. worden afgeleid uit de beledigende
uitlatingen die werden opgenomen in het verzoekschrift.(111)
Een derde voorwaarde is de kwade trouw
die door één van de echtgenoten aan de dag wordt gelegd. In dit
verband moet wel worden opgemerkt dat er veel nalatigheden en fouten
gebeuren in de manier waarop de echtscheidingsprocedure wordt
gevoerd. Hieruit kan zeker geen algemene regel worden afgeleid
volgens dewelke deze houding steeds zou leiden tot het aanvaarden
van de kwalificatie van de feiten als grove belediging. De kwade
trouw werd wel o.m. afgeleid uit een grove nalatigheid in de
voortzetting van de procedure(112),
het verderzetten van de procedure van echtscheiding door onderlinge
toestemming op voorwaarde van het betalen van een bepaalde geldsom(113),
het niet willen benaarstigen van de afwerking van een procedure (voorzover
bewezen is dat de nalatigheden gewild waren en dat ze uitdrukkelijk
tot doel hadden de andere partij te schaden)(114),
de weigering om een echtscheidingsvonnis (in casu een E.O.T.) te
laten overschrijven (mits bewijs van de slechte bedoeling van de
verweerder)(115),
het instellen van twee verschillende vorderingen tot echtscheiding
op grond van feiten die onwaar of niet meer bewijsbaar blijken te
zijn.(116)
Een bijzonder en regelmatig voorkomend
geval is dat waarin één der echtgenoten een echtscheidingsvordering
instelt zonder ze evenwel te willen verderzetten.(117)
In het algemeen gaat het om het toetsen van de feiten aan de zo net
opgesomde voorwaarden. Nochtans moet hier worden opgemerkt dat de
rechtspraak nogal verdeeld is wat betreft de concrete criteria.
Enerzijds stellen bepaalde rechtbanken dat de aangevoerde feiten
zwaar beledigend moeten zijn(118)en
dat tijdens de procedure de kwade trouw van de eisende echtgenoot
moet kunnen worden aangetoond.(119)
Anderzijds vindt men een minderheidstendens die vooral de nadruk
legt op de beproeving van de verweerder tengevolge van de procedure.(120)
3. Algemene houding, bepaald gedrag of karakter van de echtgenoten
De feiten die hier zullen worden
besproken, zijn de algemene houding, een bepaald gedrag of zelfs een
karaktergebrek van één der echtgenoten. Het is daarom quasi
onmogelijk een algemene lijn te trekken in de geraadpleegde
rechtspraak. Meer dan ooit is het van belang te onderlijnen dat de
rechter de aangehaalde feiten in concreto zal moeten beoordelen,
rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.(121)
De te bespreken feiten zullen worden
opgedeeld in twee categorieën: enerzijds die feiten die verband
houden met het karakter of de algemene houding van de echtgenoten en
anderzijds die feiten die betrekking hebben op het gedrag van de
echtgenoten i.v.m. materiële, geldelijke aspecten van het echtelijk
samenleven.
Vooreerst kan men stellen dat een
louter karaktergebrek nooit zal leiden tot het uitspreken van een
echtscheiding op grond van grove belediging.(122)
Dit volgt uit het Belgisch concept over de echtscheiding op grond
van feiten: het gaat niet om een "divorce-remède" die wordt
uitgesproken n.a.v. de vaststelling van de mislukking van het
huwelijk, maar wel om een sanctie die wordt uitgesproken tegen één
der echtgenoten wegens een gedrag dat onverenigbaar is met het
echtelijk leven. Bijgevolg zullen volgende feiten op zich ook nooit
gekwalificeerd worden als grove beledigingen: opvliegend karakter,
slecht humeur (zelfs indien chronisch), karaktergebreken(123),
een alleenstaand feit van ongevoeligheid(124),
tijdens ruzies en binnenshuis uitgewisselde scheldwoorden(125),
negatieve karaktertrekken(126),
egoïsme.(127)
Nochtans zullen sommige gedragingen,
wanneer zij plaats hebben in bepaalde omstandigheden wél kunnen
leiden tot een echtscheiding op grond van grove beledigingen. Dit
zal zo zijn wanneer de waardigheid van de andere echtgenoot in het
gedrang komt(128)
of wanneer het gaat om een bestendig, opzettelijk en vernederend
gedrag t.o.v. de andere echtgenoot.(129)
Dit werd o.a. aangenomen in de volgende gevallen: zelfmoordpoging
van de man zonder tekortkomingen van de vrouw en met blijvende
verminking tot gevolg(130);
overdreven, bestendige luiheid die bovendien niet het gevolg was van
een ziekte(131);
het verspreiden van valse geruchten omtrent de geestelijke
gezondheid van de vrouw(132);
lasterlijke uitlatingen over de vader t.a.v. de gemeenschappelijke
kinderen(133);
vernederingen van diverse aard.(134)
Een volgend aspect betreft het gedrag
van de echtgenoten i.v.m. geldelijke kwesties of andere problemen
i.v.m. materiële aspecten van het huwelijk.(135)
Ook hier moet men stellen dat geldkwesties in se geen grond tot
echtscheiding kunnen zijn. Het huwelijk is meer dan de vereniging en
het beheer van patrimonia(136)
en de sanctionering van dit soort problemen moet niet in de eerste
plaats worden gezocht op het vlak van de grove beledigingen, maar
wel bijvoorbeeld op het gebied van de gerechtelijke scheiding van
goederen, voorzover de omstandigheden zich ertoe lenen. Bijgevolg
zijn volgende feiten geen grove beledigingen: verspilzucht,
gierigheid(137),
ongewilde werkloosheid, verkwisting van gemeenschappelijke goe-deren
en het aangaan van een lening buiten medeweten van de
mede-echtgenoot.(138)
Het aannemen van een grove belediging
zal echter wel mogelijk zijn wanneer de aangehaalde feiten deel
uitmaken van een groter feitencomplex of wanneer ze op een
dergelijke manier werden veruiterlijkt dat de waardigheid van de
andere echtgenoot hierdoor werd aangetast. Volgende feiten werden in
die bepaalde omstandigheden die de zaak kenmerkten wél
gekwalificeerd als grove belediging: het plotseling opgeven van het
beroep van advocaat buiten elk medeweten van de andere echtgenoot(139),
de voortdurende en lastige inmenging van de ene echtgenoot in het
beroep van de andere en het stellen van eisen, onverenigbaar met de
uitoefening van dat beroep(140),
het verbergen van bepaalde inkomsten en hun bedrag(141),
de aangifte door de vrouw van de fiscale fraude van de man.(142)
4. Strafrechtelijke veroordeling
Het oplopen van een strafrechtelijke
veroordeling kan een grond zijn tot echtscheiding.(143)
Hiervoor zal de eiser vooreerst moeten bewijzen dat het ging om een
schuldige tekortkoming. Het is wel zo dat het strafrechtelijk
schuldbegrip niet overeenkomt met het begrip dat in het
echtscheidingsrecht wordt gehanteerd en reeds werd toegelicht.(144)
Vervolgens zal de eiser het (voor hem)
beledigend karakter van het misdrijf moeten bewijzen.(145)
De kracht van gewijsde van de strafrechtelijke ver-oordeling
bevestigt het delictueel karakter van het feit, maar geenzins het
beledigend karakter ervan. Hij kan dit bewijs leveren door
bijvoorbeeld aan te tonen dat de dader wist, op het ogenblik van de
feiten, dat hij hiermee zijn andere echtgenoot zou beledigen; of nog,
dat hij de intentie had zijn echtgenoot te beledigen. Dit is de
voorwaarde die meestal het moeilijkst kan worden vervuld. Het
beledigend karakter volgt meer uit de gepleegde feiten dan uit de
veroordeling en de opgelopen straf die deze tot gevolg hebben.(146)
Dit zal o.m. tot gevolg hebben dat de echtscheiding zal kunnen
worden uitgesproken n.a.v. een gepleegd misdrijf waarvoor de
echtgenoot werd vrijgesproken. Het beledigend karakter dient in
concreto te worden na-gegaan.(147)
De grove belediging zal kunnen worden aangenomen indien de
strafrechtelijke veroordeling een grote weerklank had, wanneer de
aard van het misdrijf en van de opgelopen straf van die aard waren
dat ze de reputatie van de mede-echtgenoot aantastten.(148)
Maar ook (en vooral) wanneer de gepleegde feiten tegen "de orde van
de familie" waren. Hier wordt niet alleen gedacht aan verkrachting
en aanranding van de eerbaarheid t.a.v. een derde, maar ook (en
vooral) aan familieverlating. Ingeval van familieverlating wordt de
echtscheiding zelfs meestal de plano uitgesproken, en dit ongeacht
het gaat om feiten gepleegd t.a.v. de echtgenoot of t.a.v. de
kinderen, a fortiori wanneer deze gemeenschappelijk zijn.(149)
Wat betreft de schending van de
huwelijksplicht kan alleen de aantasting van de eer van de andere
echtgenoot in aanmerking komen.(150)
5. Verslaving - alcoholisme
Sinds het arrest van het Hof van
Beroep van Brussel van 10 augustus 1868(151)
wordt dronkenschap, voorzover deze plaats heeft in bepaalde
omstandig-heden(152),
aangenomen als een mogelijke vorm van grove belediging.
De omstandigheden die van dronkenschap
een grove belediging maken, hebben een zekere evolutie doorgemaakt.
Oorspronkelijk werd de nadruk vooral gelegd op de externe,
maatschappelijke gevolgen verbonden aan het alcoholisme.(153)
Meestal greep men terug naar één van de drie volgende categorieën
van omstandigheden: dronkenschap die een gewoonte is geworden,
dronkenschap die schandaalverwekkend is of nog die algemeen bekend
is als een gebrek van de vrouw.(154)
In de jaren '50 werd alcoholisme meer en meer benaderd als een
ziekte die met de hulp van de andere echtgenoot moest worden
opgelost op grond van zijn plicht tot hulp en bijstand.(155)
Nu wordt de dronkenschap benaderd vanuit de situatie die ze teweeg
brengt binnen het gezin. Men spreekt van "ergernisgevende
dronkenschap" en men legt de nadruk op het vernederend karakter van
het gebrek en op het feit dat ze een normaal echtelijk leven
onmogelijk maakt.(156)
Samenvattend kan men stellen dat de
dronkenschap een grove belediging is wanneer ze het echtelijk leven
ondraaglijk maakt(157),
mits er met twee beperkingen wordt rekening gehouden: het mag niet
gaan om een eenmalig feit en de dronkenschap mag bovendien niet het
gevolg zijn van een ziekte.(158)
Een analoge redenering vindt men terug
i.v.m. verslaving aan en misbruik van verdovende middelen: misbruik
van verdovende middelen ("abus de stupéfiants") is op zich een grove
belediging in de zin van Art. 231 B.W. daar men ervan mag uitgaan
dat de gevolgen van dit gebrek leiden tot een aantasting van de eer
van de andere echtgenoot en tot een situatie waarin een normaal
echtelijk leven niet langer mogelijk is.(159)(160)
6. "Injure par ricochet"
In de vorige onderdelen ging het
steeds om de rechtstreekse belediging van de andere echtgenoot. De
vraag die hier aan bod komt is of men zijn andere echtgenoot ook
onrechtstreeks kan beledigen, d.w.z. door de belediging van een
derde die sterk verwant is met deze andere echtgenoot (denk bv. aan
een ouder, een kind, de bijzit).
Op deze vraag antwoordde het Hof van
Cassatie in een arrest van 16 januari 1976(161)
dat: "Ofschoon Art. 231 B.W. slechts de beledigingen van de ene
echtgenoot jegens de andere bedoelt, de jegens een derde geuite
beledigingen grove beledigingen in de zin van voormelde
wetsbepalingen kan uitmaken, wanneer zij noodzakelijk op de
echtgenoot moeten terugwerken". Hiermee is meteen de voorwaarde
bepaald waaraan een belediging t.a.v. een derde moet voldoen opdat
de grove belediging t.a.v. de echtgenoot kan worden aangenomen. De
belediging moet op de echtgenoot terugwerken. Dit impliceert dat de
belediging persoonlijk moet zijn, en dit is het geval, zo zegt het
Hof, wanneer ze noodzakelijk op de echtgenoot terugwerkt. Een
perfecte cirkelredenering. Wel veronderstelt de terugwerking op de
echtgenoot dat de andere bewust was van zijn daad, en (hier) vooral
de bedoeling had de andere echtgenoot te beledigen. Dit is echter
meestal niet eenvoudig aan te tonen.(162)
Wat betreft de enge verwanten, werd de
"injure par ricochet" reeds voor het arrest van 16 januari 1976
aangenomen.(163)
Het feit dat in dit verband regelmatig wordt aangehaald is de
weigering van de betaling van onderhoudsgeld voor de kinderen (cfr.
supra, A.3). Het nieuwe van het arrest van 1976 was dat in casu de
grove belediging werd aangenomen n.a.v. de belediging van de bijzit
van de andere echtgenoot voor prostitué terwijl niet was aangetoond
dat deze vrouw een onzedelijk leven leidde.(164)
Hoewel het menselijk karakter van deze beslissing werd toegejuichd,
werd de juridische verantwoording ervan aan kritiek onderworpen. Zo
betreurde RIGAUX de ambiguïteit van het arrest. Hij is van oordeel
dat het Hof van Cassatie in dit arrest een onduidelijke verhouding
schept tussen enerzijds het aanvaarden van de belediging van de
bijzit door de bedrogen echtgenote, als grond tot echtscheiding; en
anderzijds het sanctioneren van overspel zijnde een zware schending
van de getrouwheidsplicht.(165)
III. CONCLUSIE
Deze conclusie beoogt echtscheiding op
grond van grove beledigingen kritisch te benaderen. Vele auteurs
hebben deze echtscheidingsgrond reeds bekritiseerd.(166)
En het was eenvoudiger geweest een samenvatting te geven van hun
competent oordeel. Dit heb ik bewust niet gedaan: het bestuderen van
deze materie heeft mij toegelaten een eerder bescheiden eigen mening
te ontwikkelen over deze echtscheidingsvorm. De echtscheiding op
grond van grove beledigingen is dringend aan hervorming toe, en dit
op grond van de volgende drie argumenten.
Het eerste argument is van
historisch-sociologische aard. Art. 231 is nog steeds gegrond op het
canoniek "schuld en boete"-beginsel. Ooit was echtscheiding sociaal
en moreel onaanvaardbaar. Eén van de echtgenoten had zijn
huwelijksplichten ernstig geschonden en zo een situatie in het leven
geroepen die niet langer leefbaar was. Deze echtgenoot werd door het
recht aangewezen als "dader" en als dusdanig gestraft.
Dit is m.i. op het einde van de 20e
eeuw niet meer echt noodzakelijk. De echtscheiding is een
sociologisch fenomeen geworden. De maatschappij heeft leren leven
met het idee van het "mislukt huwelijk". Zou dit dan ook niet beter
vertaald worden in een beter aangepaste rechtsnorm?
Een tweede argument betreft de taak
van de rechter. Op dit ogenblik wordt van hem verwacht dat hij een
perfect evenwicht zoekt tussen alle aangehaalde grieven (zonder ze
evenwel te mogen compenseren), de waarheid ervan na te gaan en
rekening te houden met het al dan niet overdreven karakter van de
feiten. Hij moet, zo zegt het Hof van Cassatie, rekening houden met
alle omstandigheden van de zaak en begrijpen wat er gedurende al die
jaren is gebeurd. Hij moet oordelen in alle objectiviteit, maar
vooral niet naar billijkheid(167),
laat staan arbitrair. Hij zou wel eens kunnen worden teruggefloten
door ons opperste rechtscollege. Er wordt van hem eigenlijk een
talent van God de Vader verwacht terwijl hij ook maar een mens is.
Zou het dan niet het recht en de maatschappij ten goede komen indien
men zijn taak beperkte tot de vaststelling van de mislukking van het
huwelijk, i.p.v. van hem te verwachten oplossingen te vinden voor
problemen die met de beschikbare instrumenten niet oplosbaar zijn.(168)
Het derde argument is m.i. het
belangrijkste omdat het de echtgenoten zelf betreft. Op dit moment
moeten ze, indien ze niet kunnen komen tot een echtscheiding door
onderlinge toestemming en ook geen vijf jaar willen wachten,
terugvallen op Art. 229 en 231 B.W.. Er wordt van hen dus verwacht
dat ze mekaar de meest vreselijke dingen naar het hoofd gooien om
toch maar te kunnen voldoen aan de vereisten van de twee artikelen,
terwijl de echtgenoten niet noodzakelijk zin hebben om heel hun
echtelijk leven in een rechtszaal uit de doeken te doen. En indien
ze wel zin hebben om wraak te nemen door een systematische weergave
van de gebreken van de andere (hoe erger, hoe liever), dan moet het
recht zeker niet het middel zijn om deze wraakzucht te bevredigen.
Moet het recht niet eerder zorgen voor een zekere sereniteit ? Het
huwelijk is een af te handelen hoofdstuk. Kan die afhandeling niet
in de best mogelijke omstandigheden gebeuren, "Rater son mariage,
mais réussir son divorce" ? Laten we afstappen van deze
mensonwaardige en liefst sensationele uitstalling.
Bovendien moet men denken aan de
situatie nà het uitspreken van de echtscheiding. Men moet een
toekomst organiseren en leefbaar maken: onderhoudsgeld, bezoekrecht
voor hond en kinderen, verdeling van de piano en van het fotoalbum.
Immers, ooit hebben deze twee mensen van elkaar gehouden ...
Het blijkt dat de foutechtscheiding
niet meer de beste oplossing biedt voor ernstige huwelijksproblemen.
Men kan zich de vraag stellen of het wijzigen van het
echtscheidingsrecht in de richting van een meer schuldloze
echtscheiding niet opportuun zou zijn. Men zou, niet als enige ,
maar wel als een mogelijke echtscheidingsgrond de mislukking van het
huwelijk kunnen invoeren en het de reeds emotioneel geaffecteerde
echtgenoten besparen om in het openbaar hun "vuile was uit te pakken",
liefst met de vrienden en buren als bevoorrechte getuigen.
U moet hier zeker niet een pleidooi
voor één enkele grond in zien. Wij hebben in ons recht een
belangrijk instrument voor echtgenoten die in staat zijn om hun
echtscheiding zelf in handen te nemen en tot op een zeker niveau
zelf te regelen, nl. de echtscheiding door onderlinge toestemming.
Deze afschaffen zou m.i. een stap achteruit zijn. Integendeel, men
zou zelfs een alternatieve vorm kunnen invoeren naar het Frans
voorbeeld van de divorce sur demande de l'un des époux et accepté
par l'autre. Hiernaast is er behoefte aan één of andere vorm van
echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. Het is
bijgevolg duidelijk dat de wetgever over voldoende alternatieven
beschikt om de echtscheidingsgronden, en meer bepaald Art. 231 B.W.,
te hervormen.
1. De echtscheiding als sanctie is van
canonieke oorsprong. Naar canoniek recht bestond de echtscheiding
niet. Het kende alleen de nietigverklaring van het huwelijk en een
vorm van scheiding van tafel en bed. In beide noties domineerde het
sanctie-idee. De nietigverklaring of de scheiding van tafel en bed
werden uitgesproken als straf voor het niet-naleven van de
huwelijksplichten. Deze gedachte beheerst nog steeds de fout- of
schuldechtscheiding en bijgevolg ook de echtscheiding op grond van
grove beledigingen.
2. DE PAGE, o.c., 701; RIGAUX, o.c.,
486.
3. Dit is o.a. de Nederlandse en de
Duitse opvatting over de echtscheiding, cfr. voetnoot 7.
4. Hiermee is meteen gezegd dat de
grove belediging geen afdoende grond is, d.w.z. dat een ernstige
belediging op zich geen echtscheidingsgrond is. De rechter zal
steeds moeten motiveren waarom hij in casu de echtscheiding heeft
uitgesproken, nadat hij de feiten heeft getoetst aan een aantal
voorwaarden. De vraag of er naar Belgisch recht afdoende
echtscheidingsgronden bestaan, is betwist. Men is het er in de
rechtsleer wel over eens dat alleen overspel hiervoor in aanmerking
kan komen. Indien men aanvaardt dat overspel een afdoende grond is,
is men tevens van oordeel dat, ongeacht de omstandigheden, overspel
in se zodanig ernstig is dat de rechter in zijn echtscheidingsvonnis
geen verdere motivering moet opnemen, tenzij wat betreft de
aanwezigheid van het beledigend karakter. Cfr. o.a. VAN MEENEN, F.,
"Over afdoende en niet afdoende gronden tot echtscheiding", R.W.,
1951-52, 1025 en 1057.
5. BENABENT, A., Droit civil, La
famille, Parijs, Litec, 1994, 191-218; CARBONNIER, J., "La notion de
cause de divorce", R.T.D.C., 1937, 281-313; CARBONNIER, J., "La
question du divorce, mémoire à consulter", D., 1975, 115-122;
COLOMBET, C., La famille, Parijs, Puf, 1994, 297-301; LINDON et
BENABENT, Le droit du divorce, Parijs, Litec, 1984; LEGAL, A., "L'institution
du divorce et le droit pénal", Mélanges VOIRIN, Parijs, L.G.D.J.,
1967, 519-539; MALAURIE et AYNES, Droit civil, La famille, Parijs,
Ed. Cujas, 1992, 215; MASSIP, J., La réforme du droit du divorce, I,
Parijs, Répertoire du Notariat Defrenois, 1976, 55-63; WEIL en
TERRE, Droit civil, Les personnes, la famille, les incapacités,
Parijs, Dalloz, 1993, 388-397.
6. In Duitsland werd het
echtscheidingsrecht door de wet van 14 juli 1976 hervormd. Het is
sindsdien volledig verschillend van het Belgische en van het Franse
recht. De wet van 1976 heeft één echtscheidingsgrond ingevoerd: de
mislukking van het huwelijk. Hierdoor werd het foutbegrip consequent
uit de echtscheidingsgronden geweerd (daar waar de hervorming van
1975 in Frankrijk het foutbegrip slechts aan belang heeft doen
verliezen). De echtscheiding kan dus alleen worden uitgesproken
indien de rechter de mislukking van het huwelijk ("... wenn sie
gescheitert is.") vaststelt.
Dit is het geval wanneer het
gemeenschappelijk leven van de echtgenoten werd beëindigd en wanneer
men niet kan verwachten dat de echtgenoten dit zullen hervatten (§
1565, al. 1 B.G.B.). De mislukking van het huwelijk is voldoende
bewezen wanneer de echtgeno(o)t(en) kunnen aantonen dat de
feitelijke scheiding reeds langer duurt dan drie jaar (§ 1566, al. 2
B.G.B.). In dat geval is de toestemming van de echtgenoot tegen wie
de echtscheiding wordt gevorderd ook niet meer vereist, wat wél het
geval is wanneer de feitelijke scheiding minder lang heeft geduurd
dan drie jaar. Ingeval van § 1566 B.G.B. is er nog een middel om de
echtscheiding te vermijden, nl. de Härtelklausel (§ 1568, al. 1
B.G.B.). Indien de rechter van oordeel is dat de echtscheiding een
te grote hardheid voor de andere echtgenoot zou betekenen
of op een ernstige manier de belangen
van de kinderen zou schaden, kan hij weigeren de echtscheiding uit
te spreken; FURKEL, F., "La faute dans le divorce en droits français
et allemand", R.I.D.C., 1982, 1153-1181; JOHANNES en HENRICH,
Eherecht. Scheidung, Trennung, Folgen, München, C.H. Beck, 1987,
197-299; SCHWAB, D., Handbuch des Scheidungsrecht, München, Franz
Vaklen, 1977, 34-67; VAN LOOK, M.,"Wet van 1 juli 1974, doorbraak
van de schuldloze echtscheiding", R.W., 1974-75, 966.
7. MAYAUD, Y., "L'adultère, cause de
divorce depuis la loi du 11 juillet 1975", R.T.D.C., 1980, 494.
8. BENABENT, A., o.c., 1994, p. 198,
nr. 240.
9. COLOMBET, C., o.c., p. 301.
10. Civ. 2e, 11 januari 1989, J.C.P.,
89, II, 21212 met noot.
11. COLOMBET blijft zijn standpunt
verdedigen, en dit ongeacht dit arrest. Volgens hem kan aan het
arrest immers de draagwijdte worden gegven die men zelf wenst,
afhankelijk van de interpretatie; COLOMBET, A., o.c., p. 301.
12. Naar Belgisch recht wordt het
onderscheid tussen afdoende en facultatieve echtscheidingsgronden
door sommige auteurs gemaakt. Zij stellen dat overspel (anders dan
in Frankrijk) een afdoende echtscheidingsgrond is. Eens de rechter
het overspel vaststelt (en het beledigend karakter ervan !) moet hij
de echtscheiding uitspreken en dit zonder een oordeel te vellen over
de ernst van de feiten (wat wel het geval is bij gewelddaden,
mishandelingen en grove beledigingen). Bij facultatieve gronden
(Art. 231 B.W.) moet de rechter wél oordelen over de ernst van de
feiten (en dit ook expliciet opnemen in de motivering van zijn
vonnis) vooraleer hij de echtscheiding kan toestaan. Dit onderscheid
wordt echter betwist (cfr. voetnoot 5).
13. Naar Belgisch recht dienen vijf
voorwaarden te worden vervuld: de schending van een huwelijksplicht
(1) die vier kenmerken vertoont: ernstig (2), vrijwillig en
toerekenbaar (3), beledigend (4) en daterend van tijdens het
huwelijk (5); cfr. I.
14. o.a. de getrouwheidsplicht
(overspel, maar ook intimiteit met anderen, Civ 2e, 12 juni 1963,
C.C.C.I., II, nr. 434, p. 322, en homoseksualiteit, Civ. 2e, 21
december 1960, C.C.C.I., II, nr. 338, p.251), de plicht tot hulp en
bijstand (Civ. 2e, 11 april 1964, C.C.C.I., II, nr. 276, p. 210), de
samenwoningsplicht met samenhangende plicht tot seksuele
betrekkingen.
15. Denk in dit verband o.a. aan
beledigingen en aan gewelddaden, Civ. 2e, 31 maart 1978, C.C.C.I.,
II, p. 74.
16. BENABENT, A., o.c., nr. 248, p.
205.
17. COLOMBET, C., o.c., nr. 253, p.
300.
18. Brussel, 7 juni 1968, Pas., II,
251; Bergen, 4 oktober 1990, J. Proc., 1991, afl. 195, 28.
19. BAETEMAN, G., o.c, 389-392;
BAETEMAN, G. en GERLO, J., Het echtscheidingsrecht in België na de
hervorming 1974-75, Supplement deel 1976-81, Gent, Story Scientia,
1982, 5-7; BAX, M. "Echtscheiding op grond van bepaalde feiten" in
BAETEMAN, G., Het echtscheidingsrecht in België na de hervorming
1974-75, Gent, Story Scientia, 1977, 4-11; DE PAGE, H. , o.c.,
692-696; de WILDE d'ESTMAEL, E., Séparation de fait, de corps.
Divorce, Brussel, Servais-Creadif, 1989, 36; DUELZ, A., Le droit du
divorce, Brussel, De Boeck, Université, 1989, 35-37; GERLO, J.,
Personen- en Familierecht, Brussel, Story Scientia, 1991, 187-188;
HEYVAERT, A., Personen-, Gezins- en Familierecht, s.l., 1989, p.
369-371; HEYVAERT, A., "Echtscheiding op grond van bepaalde feiten",
in SENAEVE, P., Echtscheiding, Leuven, Acco, 1990, 44-58; MASSON,
J.-P., "Examen de jurisprudence (1984-1990), Les personnes",
R.C.J.B., 1993, 343; PASQUIER, A., Précis du divorce et de la
séparation de corps, Brussel, Larcier, 1959, 96; PUTZEYS, G. en
GOOVAERTS, L., Le divorce avant, pendant, après, Brussel, Vokaer,
1976, 16; RIGAUX, F., o.c., 486-493; SENAEVE, P., Compendium van het
Personen- en Familierecht, III, Leuven, Acco, 1992-93, p. 92-98.
20. De extensieve interpretatie van
het begrip "huwelijksplicht" wordt ook in het kader van andere
procedures tussen echtgenoten gehanteerd. Dit is bijvoorbeeld het
geval in het kader van voorlopige maatregelen m.b.t. het vermogen;
PINTENS, W. en SINTOBIN, N., "De maatregelen aangaande het vermogen
van de echtgenoten", in SENAEVE, P., Voorlopige maatregelen tussen
echtgenoten (Art. 223 B.W. en Art. 1280 Ger. W., Leuven, Acco, 1989,
p. 225, n° 233.
21. Te verwerpen zijn o.a. de
echtscheidingen toegestaan op grond van incompatibiliteit van
karakter, impotentie, steriliteit van de vrouw of nog ernstige
ongeneeslijke ziekte (zoals epilepsie). Deze twee laatste gronden
zijn wel verdedigbaar indien het feiten betreft die reeds voor het
huwelijk aanwezig waren en verborgen werden gehouden, cfr. E. Een
randopmerking die kan gemaakt worden ingeval van echtscheiding
toegestaan omwille van de ongeneeslijke ziekte van één der
echtegenoten, is de vraag naar het eerbiedigen van de plicht tot
bijstand.
22. De ernst van de feiten blijkt uit
de omstandigheden ingeval van mishandelingen, gewelddaden en grove
beledigingen, maar volgt uit de wet wat het overspel betreft. Wel
dient steeds (ook ingeval van overspel) het beledigend karakter te
worden aangetoond; "Quelle que soit la cause
déterminée - adultère ou injure grave
- invoquée par l'époux demandeur en divorce, le manquement de son
conjoint aux obligations nées du mariage doit, pour justifier le
divorce à son profit, être gravement injurieux envers lui.",
Brussel, 19 maart 1979, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 302; Rb. Luik, 6
april 1986, Jur. Liège, 1982, 250.
23. Cass., 27 januari 1955, Pas.,
1955, I, 553; Rb. Kortrijk, 14 juli 1950, J.T., 1951, 164; Rb. Luik,
25 april 1985, Jur. Liège, 1986, 137.
24. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980,
1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093,
noot; Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 285.
25. Cass., 5 oktober 1961, Pas., 1962,
I, 147; Cass., 17 november 1989, R.W., 1989-90, 956, Arr. Cass.,
1989-90, nr. 171, Pas., 1990, I, 334, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990,
354; Brussel, 29 juni 1983, Rev. Trim. Dr. Fam., 1985, 318.
26. Cass. fr., 3 augustus 1890, D.,
1891, I, 365; Brussel, 25 mei 1965, R.W., 1965-66, 102, Pas., 1966,
II, 134; Rb. Luik, 15 maart 1983, Jur. Liège, 1983, 278. Zo zal
tegen een krankzinnige zonder heldere tussenpoos op het ogenblik van
de feiten, geen echtscheiding op grond van feiten kunnen worden
uitgesproken. Anderzijds zal het handelen o.i.v. overdreven inname
van medicijnen niets veranderen aan de toerekenbaarheid van de
dader, Rb. Luik, 8 november 1984, Jur. Liège, 1985, 93, Rev. Trim.
Dr. Fam. , 1986, 64. Dit is niet zo indien de echtgenoot gehandeld
heeft o.i.v. dolle waanzin waardoor hij niet meer
toerekeningsvatbaar was voor zijn daden, Cass. fr., 15 mei 1912, D.,
1912, I, 303.
27. Dit bewijs zal ook moeten worden
geleverd indien de strafrechter op grond van dezelfde feiten heeft
vrijgesproken omwille van "l'aberration momentanée", Brussel, 17
april 1970, Pas., 1970, II, 171.
28. De rechter dient zowel de
toerekenbaarheid van de echtgenoot-dader als het materieel karakter
van de feiten te beoordelen, Cass., 24 april 1902, Pas., 1902, I,
211.
29. Cass., 18 september 1981, R.W.,
1981-82, 1743, Rev. Trim. Dr. Fam., 1983, 383.
30. De internering van de
verweerder-echtgenoot op het ogenblik van de feiten is geen
voldoende bewijs voor zijn ontoerekeningsvatbaarheid; Brussel, 26
februari 1955, J.T., 1955, 331; Brussel, 25 mei 1965, reeds gecit.;
Rb. Brussel, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 328.
Dit bewijs kan worden geleverd aan de
hand van een deskundig onderzoek; Brussel, 23 mei 1953, J.T., 1953,
599; Rb. Luik, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 328 (hoewel
de rechter de vordering ongegrond verklaart, maar om andere
motieven).
31. Cass., 26 februari 1990, R.W.,
1989-90, 1223, advies LENAERTS, H., Pas., 1990, I, 753, noot, J.T.,
1991 (verkort), 30, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 361, Arr. Cass.,
1989-90, nr. 389, concl. Adv. Gen. LENAERTS, H.; Luik, 5 maart 1991,
Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 31.
32. De theorie van de onachtzaamheid
of van de onvoorzichtigheid (Art. 1383 B.W.) is niet van toepassing
in het echtscheidingsrecht.
33. Dit aannnemen zou betekenen (in
een tot het in het absurde gedreven voorbeeld) dat men geen
echtscheiding zou kunnen uitspreken tegen een echtgenoot die
overspel pleegt, maar het zorgvuldig verbergt om zijn vrouw niet te
kwetsen.
34. RENCHON omschrijft het beledigend
karakter als volgt: "Etre blessé dans son honneur, dans sa dignité,
dans son identité, dans sa différence, en raison de l'attitude
dominatrice, humiliante, méprisante, intolérante d'un autre homme,
tel est, me paraît-il, le sentiment de l'offense", RENCHON, J.L.,
"L'adultère outrageant", Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 213; vgl.
"Beledigingen zijn morele mishandelingen en veronderstellen de
aantasting van de morele integriteit van de persoon: de eer, de
goede naam of het aanzicht van de persoon worden gekrenkt,
rechtstreeks of onrechtstreeks", BAETEMAN, G., o.c., 400.
35. Dit was voor de hervorming van het
echtscheidingsrecht, ook zo in Frankrijk; CARBONNIER, J., "La notion
de cause de divorce", R.T.D.C., 1937, 281-313.
36. Cass., 1 februari 1957, Arr.
Cass., 1957, 418; sedertdien bevestigd, desnoods in een andere
bewoording door o.a.: Cass., 5 november 1965, Pas., 1966, I, 302;
Cass., 29 maart 1973, Arr. Cass., 1973, 763, Pas., 1973, I, 725,
concl. Adv. Gen. GANSHOF VAN DER MEERSCH, W., R.W., 1973-74, 29,
Rev. Not. B., 1975, 143; Cass., 10 januari 1975, Pas., 1975, I, 488,
Arr. Cass., 1975, 528; Cass., 19 november 1976, Pas., 1977, I, 314,
Arr. Cass., 1977, 317; Cass., 6 oktober 1978, Pas., 1979, I, 172,
Rev. Trim. Dr. Fam., 1979, 365, R.W., 1978-79, 1179, noot PAUWELS,
J., Arr. Cass., 1978-79, 154; Cass., 31 januari 1979, Arr. Cass.,
1978-
79, 617; Cass., 24 juni 1982, Pas.,
1982, I, 1248, J.T., 1982, 815, R.C.J.B., 1985, 557, noot BAETEMAN,
G.
37. Cass., 26 februari 1990, reeds
gecit.; vgl Cass., 24 juni 1982, Pas., 1982, I, 1248, J.T., 1982,
815, R.C.J.B., 1985, 557, noot BAETEMAN, G., "L'adultère, cause de
divorce: application et évolution"; Brussel, 26 juni 1984, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1984, 319; RENCHON, J.L., o.c., 213-281; contra
RIGAUX, F., o.c., p. 490, n° 1958.
38. Dat de schuldige echtgenoot met
vrije wil handelingen heeft verricht, waarvan hij moest weten dat de
gevolgen krenkend zouden zijn voor de andere echtgenoot en dat die
krenking zwaar was, Cass., 26 februari 1990, reeds gecit.
39. Cass., 24 juni 1982, reeds gecit.;
Cass. 8 maart 1984, Pas., I, 1984, 801, J.T., 1984, 426, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1984, 299, de omstandige noot van RENCHON, J.L., o.c.,
213-281; Cass., 17 januari 1985, Pas., 1985, I, 570; R.W., 1985-86,
1565; Cass., 4 september 1986, Pas., 1987, I, 23.
40. Cass., 17 november 1989, R.W.,
1989-90, 956, Arr. Cass., 1989-90, nr. 171, Pas., 1990, I, 334.
41. Cass., 1 februari 1957, reeds
gecit.; Cass., 6 december 1974, Arr. Cass., 1975, 410, Pas., 1975,
I, 378; Cass., 10 januari 1975, reeds gecit.; Cass., 19 november
1976, reeds gecit.; Cass., 6 oktober 1978, reeds gecit., Cass., 2
mei 1980, reeds gecit. Wat betreft het overpel moet niet het
beledigend karakter worden aangetoond, maar wel het niet-beledigend
karakter. Dit volgt uit het feit dat overpel op een weerlegbare
wijze vermoed wordt beledigend te zijn, Luik, 25 maart 1991, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1993, 35; Luik, 10 juni 1991, Rev. Trim. Dr. Fam.,
1993, 38; Luik, 4 februari 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 78;
Luik, 6 april 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 85.
42. Cass., 30 januari 1936, Pas.,
1936, I, 137; Cass., 29 maart 1973, reeds gecit.; Brussel, 13 mei
1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 306; Rb. Nijvel, 1 maart 1983, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1984, 340; Rb. Doornik, 16 mei 1988, Jur. Liège,
1988, 1477.
43. Brussel, 19 maart 1979, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1984, 302, Antwerpen, 1 december 1980, R.W., 1980-81,
1836; Rb. Brugge, 16 september 1977, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 400;
BAETEMAN, G., "L'adultère, cause de divorce: application et
évolution", R.C.J.B., 1985, 565, nr. 11; J. E.,"De la compensation
des torts à leur atténuation", J.T., 1973, 540.
44. Cass., 5 november 1965, Pas.,
1966, I, 302; Cass., 29 maart 1973, reeds gecit.; BAETEMAN, G.,
GERLO, J., GULDIX, E., DE MULDER, W. en DE WIT, R., "Overzicht van
rechtspraak, Personen- en Familierecht (1981-87)", T.P.R., 1988,
467-522.
45. Cass., 10 mei 1963, Pas., 1963, I,
965; Cass., 29 november 1974, Arr. Cass., 1975, 378, Pas., 1975, I,
348; Rb. Brugge, 16 september 1977, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 400;
VIEUJEAN, E., "Divorce et séparation de corps pour cause déterminée
en droit civil", in Le contentieux conjugal: aspects sociologique,
civil, judiciaire, social, fiscal et international, Liège, Jeune
Barreau Liège, 1984, 64, nr. 4 in fine; BAETEMAN, G., "L'adultère,
cause de divorce: application et évolution", noot onder Cass., 24
juni 1982, R.C.J.B., 1985, 562; BAETEMAN, G., GERLO, J., GULDIX, E.,
DE MULDER, W. en DE WIT, R., "Overzicht van rechtspraak, Personen-
en Familierecht (1981-87)", T.P.R., 1988, 480; J.E., "De la
compensation des torts à leur atténuation", J.T., 1973, 540.
46. RIGAUX, F., o.c., p. 506, n° 2027.
47. Dit zou leiden tot het volgende
verschijnsel: zelfde feiten zouden in de ogen van de echtgenoot niet
voldoende ernstig zijn om het huwelijk te verhinderen, maar wel om
achteraf de echtscheiding te vorderen, cfr. BAETEMAN, G., o.c., 392.
48. DE PAGE, H., o.c., 696.
49. Uit de algemene bekendheid volgt
immers dat de echtgenoot de feiten kende of verondersteld kon worden
deze te kennen.
50. De feiten gepleegd voor het
huwelijk die het meest worden aanvaard als grond tot echtscheiding
zijn o.a.: het bestaan van een buitenechtelijk kind, Brussel, 10
oktober 1963, Pas., 1964, II, 268; het hebben van een venerische
ziekte (op voorwaarde dat ze werd overgedragen aan de partner), Rb.
Brussel, 7 maart 1956, Rev. Dr. Fam., 1956, 138; Rb. Hasselt, 26
oktober 1960, J.L.M.B., 1961-62, 99; Cass. fr., 30 november 1925,
Gaz. du Pal., 1926, I, 209; impotentie (op voorwaarde dat de
toestand gekend was en wetens en willens werd verborgen aan de
andere echtgenoot), Antwerpen, 21 januari 1957, R.W., 1957-58, 231;
Luik,
20 oktober 1965, R.W., 1968-69, 361;
Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599; Rb. luik, 22 oktober 1946,
J.T., 1947, 8; Rb. Brussel, 24 januari 1964, Pas., 1965, III, 2 (in
Frankrijk werd de impotentie, gekend maar verborgen voor het
huwelijk reeds sinds 1903 aanvaard als grond tot echtscheiding, cfr.
o.a. Orléans, 4 maart 1903, D.P., 1905, 2, 67; Cass. fr., 25 januari
1922, D.P., 1924, 1, 7; steriliteit van de vrouw (deze situatie
vertoont heel veel gelijkenissen met de impotentie van de man, de
voorwaarde is hier ook het kennen van de toestand en ze weten en
willens voor de andere echtgenoot verbergen. De Franse rechtspraak
gaat verder dan de Belgische. In Frankrijk wordt de echtscheiding
omwille van de verborgen steriliteit zelfs uitgesproken nà een
heelkundige ingreep, en dit gegrond op de redenering dat deze
ingreep geen garantie geeft op moederschap, Cass. fr., 7 mei 1951,
D., 1951, 472). Epilepsie wordt niet aanvaard vermits men van
oordeel is dat deze ziekte de echtelijke samenleving niet bedreigd,
Brussel, 19 december 1972, J.T., 1973, 124; een vroeger
kloosterleven wordt evenmin aanvaard, Gent, 13 juli 1950, Pas.,
1951, II, 15.
51. Cass., 17 juli 1925, Pas., 1925,
I, 370; DE NEEF, A., "Studie van de rechtspraak over feiten
daterende van vóór het huwelijk", R.W., 1959-60, 1873-1890.
52. Men kan als tegenargument
verwijzen naar de bekende spreuk van LOYSEL: "En mariage, trompe qui
peut". Het lijkt echter simplistisch, een oude spreuk, resultaat van
een volkstraditie, te gebruiken om het onaanvaardbaar gedrag van een
echtgenoot vóór het sluiten van het huwelijk goed te praten.
Bovendien lijkt het belang van "Fraus omnia corrumpit" ongetwijfeld
groter te zijn, DEKKERS, R., "En mariage, trompe qui peut", R.W.,
1957-58, 1177.
53. Cass., 4 juni 1925, Pas., 1925, I,
271; Brussel, 19 december 1972, reeds gecit.; DEKKERS, R., o.c.,
1177; DE PAGE, H., o.c., 696; DERINE, R., "Het dwalingsgebrek in de
toestemming tot huwelijk" R.W., 1955-56, 1313-1332.
54. Cass., 6 februari 1976, R.W.,
1976-77, 807; Luik, 17 december 1990, Rev. Trim. Dr. Fam., 1992,
285, J.L.M.B., 1991, 398; Rb. Turnhout, 30 april 1987, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1989,
426; Rb. Hasselt, 22 december 1987,
Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 422; Rb. Luik, 26 april 1990, J.L.M.B.,
1991, 122.
55. Dit kan in zekere zin worden
vergeleken met de situatie die ontstaat nà het uitspreken van de
scheiding van tafel en bed: het feit dat de echtgenoten van tafel en
bed zijn gescheiden verandert in principe niets aan hun verplichting
(tenzij, uiteraard, aan de samenwoningsplicht), de huwelijksplichten
moeten verder worden nageleefd, met inzonderheid de
getrouwheidsplicht, het huwelijk is immers nog steeds niet
ontbonden. Hetgeen wél verandert na deze uitspraak, is de praktische
inhoud van de huwelijkplichten, cfr. bv. de plicht tot hulp en
bijstand: de echtgenoten zullen niet langer moeten delen in de
lasten van het huwelijk, maar het zal in de praktijk worden ingevuld
door het toestaan van onderhoudsgeld aan de behoeftige echtgenoot,
terwijl de plicht tot bijstand zal vervallen.
56. Brussel, 18 april 1988, J.L.M.B.,
1988, 1465, Rev. Trim. Dr. Fam., 1988, 545.
57. Rb. Namen, 5 april 1989, J.L.M.B.,
1989, 1070.
58. In verband met de geciteerde
rechtspraak en de geraadpleegde bronnen moeten twee
voorafgaandelijke opmerkingen worden gemaakt. Vooreerst wordt hier
een overzicht gegeven, d.w.z. dat deze uiteenzetting de algemene
lijnen poogt weer te geven zonder de exhaustiviteit ervan te
ambiëren. De tweede opmerking betreft de citeerwijze. Het leek mij
niet nuttig bij elk onderdeel alle geraadpleegde bronnen opnieuw te
citeren. Men kan er bijgevolg steeds van uitgaan dat voor elk
onderwerp informatie werd geput uit de overzichten van rechtspraak
opgenomen in de bibliografie en uit de belangrijkste
referentiewerken. Bijgevolg zal één van
deze bronnen slechts uitdrukkelijk
worden vermeld indien het gaat om een interessante of originele
bijdrage over dat onderwerp.
59. Men kan zich echter soms de vraag
stellen of men redelijkerwijze wel mocht aanvaarden dat aan de
voorwaarden was voldaan. Dit is echter een randopmerking die verband
houdt met de (voor kritiek vatbare) heel extensieve interpretatie
van Art. 231 B.W.
60. HOFSTRÖSSLER, P., "Sex, verlating
van de echtelijke verblijfplaats en grove belediging", noot onder
Gent, 10 oktober 1994, A.J.T., 1994-95, 165.
61. Brussel, 4 januari 1982, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1982, 267 waarin een stricte interpretatie van het
beginsel wordt voorgeschreven; Rb. Luik, 30 mei 1985, Rev. Trim. Dr.
Fam., 1986, 385.
62. Cfr. bv. Brussel, 4 januari 1982,
Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 267; Rb. Brussel, 29 november 1972, J.T.,
1973, 224; Rb. Antwerpen, 15 maart 1979, Rev. Trim. Dr. Fam., 1979,
404; Rb. Luik, 28 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 376; Rb.
Hasselt, 12 april 1989, T.B.B.R., 1990, 165.
63. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966,
599; Luik, 26 juni 1978, J.T., 1978, 707; Rb. Brussel, 11 juni 1965,
R.W., 1967-68, 944; Rb. Gent, 23 december 1967, R.W., 1968-69, 798.
64. Cass., 11 december 1980, Pas.,
1981, I, 418; Luik, 13 juni 1988, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 409;
Gent, 10 oktober 1994, A.J.T., 1994-95, 163.
65. Cass., 26 februari 1990, R.W.,
1989-90, 1223, advies LENAERTS, H., Pas., 1990, I, 753, J.T., 1991
(verkort), 30, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 361, Arr.Cass., 1989-90,
nr. 389, concl. Adv. Gen. LENAERTS, H.
66. Rb. Luik, 28 juni 1984, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1986, 376; Rb. Hoei, 14 april 1980, Jur. Liège, 1982, 134,
in casu had de vrederechter o.g.v. Art. 214 B.W. een beschikking
genomen waarbij hij op verzoek van de man een nieuwe echtelijke
verblijfplaats vastlegde en die beschikking had betekend aan diens
echtgenote. Zij moest deze beschikking naleven.
67. Luik, 13 juni 1988, Rev. Trim. Dr.
Fam., 1989, 412; Luik, 25 maart 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 35;
Rb. Luik, 30 mei 1985, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 385.
68. Brussel, 16 februari 1963, J.T.,
1963, 402; Rb. Hasselt, 12 april 1989, T.B.B.R., 1990, 165
69. Cass., 6 oktober 1978, Pas., 1979,
I, 172, Rev. Trim. Dr. Fam., 1979, 365, R.W., 1978-79, 1179, Arr.
Cass., 1978-79, 154; vgl. Cass. fr. 6 oktober 1976, D., 1977, I.R.,
20.
70. Zo zal een echtgenoot niet mogen
dreigen de kinderen naar het buitenland mee te nemen indien zijn
vrouw weigert het samenwonen te hervatten. Dit geldt ook indien deze
dreigementen waren ingegeven door de liefde van de man voor zijn
vrouw; Cass., 18 september 1981, R.W., 1981-82, 1743, Rev. Trim. Dr.
Fam., 1983, 383.
71. Brussel, 4 januari 1982, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1982, 267.
72. Rb. Hoei, 8 februari 1984, Jur.
Liège, 1984, 170, Pas., 1984, III, 58.
73. Rb. Brussel, 5 oktober 1988, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1990, 98.
74. Rb. Gent, 23 december 1967, R.W.,
1968-69, 798: de mishandelingen werden in dit verband aangehaald als
grove beledigingen omdat ze niet voldoende nauwkeurig konden worden
bewezen om een vordering o.g.v. mishandelingen te verantwoorden.
75. Het begrip "normaal
geslachtsverkeer" kent geen duidelijke definitie. Het is een begrip
dat relatief en tijdsgebonden is; cfr. HEYVAERT, A., "De gronden tot
echtscheiding wegens fout", in SENAEVE, P., Echtscheiding, Leuven,
Acco, 1990, 65.
76. Cass., 5 april 1974, Pas., 1974,
I, 819; Antwerpen, 7 december 1960, R.W., 1960-61, 1579; Brussel, 28
juni 1988, R.W., 1988-89, 340; Gent, 10 oktober 1994, A.J.T.,
1994-95, 163; Rb. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599.
77. Luik, 20 oktober 1965, R.W.,
1968-69, 361; Rb. Brussel, 24 januari 1964, Pas., 1965, III, 2; Rb.
Brussel, 25 juni 1964, Pas., 1965, III, 101; EMSENS, P., "Verstoorde
sexuele betrekkingen tussen de echtgenoten als grond tot
echtscheiding", Jura Falc., 1971-72, 21; VIEUJEAN, E., o.c.,
R.C.J.B., 1970, 580-583. Raadpleeg ook de algemene voorwaarden (E)
over de invloed van de feiten die werden gepleegd voor het huwelijk
of die werden verzwegen.
78. Cass. fr., 16 december 1963,
J.C.P., 1964, II, 13660; Rb. Neufchateau, 3 juni 1987, Jur. Liège,
1988, 120.
79. Men kan zich de vraag stellen hoe
rechtbanken de grens trekken tussen de drie hypothesen: de
ongeneeslijke impotentie die slechts een grond tot echtscheiding is
wanneer ze voor het huwelijk bewust werd verborgen, de geneeslijke
impotentie die slechts dan foutief is wanneer de man weigert zich te
onderwerpen aan de nodige geneeskundige behandeling en de gewilde
weigering om enige geslachtsbetrekking te hebben met zijn
echtgenote.
80. Cass., 6 oktober 1988, R.W.,
1989-90, 1224, Arr.Cass., 1988-89, nr. 77, Pas., 1989, I, 136,
Bull., 1989, 136.
81. Cfr. in dit verband DERKENS, R.,
"De artificiële filiatie", T.P.R., 1975, 377. Het probleem van de
kunstmatige inseminatie wordt ook wel eens gezien als een schending
van de getrouwheidsplicht, zonder dat er sprake kan zijn van
overspel.
82. Contra Lyon, 28 mei 1956, D, 1956,
J., 646, noot BRETON, A.. Het betrof een geval van kunstmatige
inseminatie met sperma van een donor. In casu besliste het Hof dat
de toestemming van de echtgenoot geen hindernis was om het feit als
grove belediging te kwalificeren. Dit werd sterk bekritiseerd, en
terecht. De toestemming van de echtgenoot is onverenigbaar met de
vereiste van "ernstig beledigend karakter", inherent aan de notie
van "divorce-sanction". Deze stelling hoort gelukkig tot de
rechtsgeschiedenis.
83. Cass., 18 november 1954, Pas.,,
1955, I, 252. Het beledigend karakter zal ook niet vervallen ingeval
van overeenkomst tussen de echtgenoten waarin afstand wordt gedaan
van de getrouwheidsplicht; Brussel, 5 maart 1955, J.T., 1955, 385.
84. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980,
1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093.
85. De vriendschappelijke relatie die
een bedrogen vrouw onderhoudt met een andere man zonder deze relatie
voor de buitenwereld te verbergen, kan door de man als beledigend
worden ervaren; Rb. Luik, 4 oktober 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984,
334.
86. Rb. Brussel, 30 maart 1977, R.W.,
1977-78, 192.
87. Cass., 20 december 1961, Pas.,
1961, I, 537; Brussel, 13 december 1969, Rev. Trim. Dr. Fam., 1970,
48; Luik, 25 januari 1978, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 168.
88. Parijs, 14 april 1970, D., 1970,
s., 133.
89. Cass., 20 januari 1961, Pas.,
1961, I, 537; Brussel, 13 december 1969, Rev. Trim. Dr. Fam., 1970,
48; Rb. Luik, 28 mei 1985, Jur. Liège, 1986, 140; Rb. Luik, 26 maart
1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 134; contra Luik, 5 april 1978,
Rev. Rég. Dr., 1978, 584.
90. Luik, 6 juni 1984, Jur. Liège,
1984, 409; Bergen, 21 april 1988, Journ. Proc., 1988, n° 130, 32;
Rb. Brussel, 6 juni 1961, Rev. Trim. Dr. Fam., 1961, 164.
91. Rb. Luik, 4 oktober 1984, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1984, 335.
92. Parijs, 13 februari 1986, Gaz.
Pal., 1986, 216.
93. Voor een bespreking van de
erkenning van deze grove belediging in haar "beginjaren", cfr.
DEBRA, F., "De belediging van erge aard als grond tot echtscheiding
in de Belgische rechtspraak", Rechtsk. T., 1933, 542.
94. Rb. Brussel, 11 juni 1965, R.W.,
1967-68, 944.
95. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966,
599; Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T., 1966, 175; Rb. Brussel, 29
november 1972, J.T., 1973, 224, ook cfr. infra, B.5 over de
strafrechtelijke veroordeling als grove belediging.
96. Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T.,
1966, 175.
97. Luik, 31 maart 1961, R.W.,
1962-63, 271.
98. Cass., 24 februari 1978, R.W.,
1978-79, 1032.
99. Brussel, 13 september 1961, Pas.,
1963, II, 156.
100. Raadpleeg in dit verband in het
bijzonder MENNENS, W., "Echtscheiding op grond van
geloofsconflicten", Jura Falc., 1964-65, 109; RIGAUX, F.,
"L'exercice, par un époux de la liberté de changer de religion ou de
conviction", noot onder Antwerpen, 19 december 1977, R.C.J.B., 1980,
198-209.
101. Rb. Tongeren, 7 juni 1935, Pas.,
1936, III, 148.
102. Parijs, 12 januari 1972, D.,
1972, J., 217; Amiens, 3 maart 1975, D., 1975, 706, n. GERALDY, Y.
103. Rb. Luik, 20 december 1988,
J.L.M.B., 1989, 134.
104. Cass. fr., 19 juni 1975, D.,
1975, I.R., 208; Amiens, 3 maart 1975, D., 1975, 706; Grenoble, 4
juni 1991, J.C.P., 1991, II, 21744, n. HAUSER, J.; Antwerpen, 19
december 1977, R.W., 1979-80, noot PAUWELS, J., 707, R.C.J.B., 1980,
195, noot RIGAUX, F., "L'exercice, par un époux de la liberté de
changer de religion ou de conviction", Rev. Trim. Dr. Fam., 1980,
109; Rb. Hasselt, 12 juni 1984, R.W., 1984-85, 1087, noot PINTENS;
Rb. Luik, 20 december 1988, J.L.M.B., 1989, 134: een grove
belediging bestaat van zodra een van de echtgenoten zich niet van
zijn echtelijke plichten kwijt met de bedoeling de andere echtgenoot
te kwetsen. De man die zich na het huwelijk heeft bekeerd tot de
godsdienst van de getuigen van Jehova en ten gevolge daarvan zijn
echtgenote en kind verbiedt deel te nemen aan om het even welke
sociale activiteiten ook, maakt zich schuldig aan grove belediging.
105. Gent, 31 januari 1947, R.W.,
1948-49, 627; Rb. Luik, 12 december 1978, Jur. Liège, 1979, 150.
106. Rb. Brussel, 15 april 1955, Pas,
1956, III, 58, J.T., 1955, 544.
107. In verband met kinderen dient ook
te worden gewezen op Art. 373 B.W. dat bepaalt dat de ouderlijke
macht toekomt aan beide ouders en dat bijgevolg niet kan worden
aanvaard dat één van de ouders, alleen dit recht zou uitoefenen.
108. MASSON, J., "Les Personnes,
examen de jurisprudence (1984-90)", R.C.J.B., 1993, 353; PINTENS,
W., "Echtscheiding", T.P.R., 1985, 6; RIGAUX, F., "L'exercice, par
un époux de la liberté de changer de religion ou de conviction",
noot onder Antwerpen, 19 december 1977, R.C.J.B., 1980, 198.
109. Brussel, 12 november 1984, R.W.,
1985-86, 189.
110. Rb. Luik, 26 april 1984, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1986, 52.
111. Brussel, 12 november 1984, R.W.,
1985-86, 189, waar het in casu ging om de vordering van dringende
voorlopige maatregelen.
112. Rb. Namen, 3 december 1980, Rev.
Rég. Dr., 1981, 151; Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev. Trim. Dr. Fam.,
1981, 295.
113. Rb. Hasselt, 22 december 1992,
Limb. Rechtsl., 1993, 223.
114. Brussel, 12 maart 1982, Pas.,
1982, II, 83.
115. Rb. Charleroi, 31 januari 1989,
J.L.M.B., 1990, 738.
116. Rb. Antwerpen, 1 maart 1971,
R.W., 1970-71, 1577.
117. De echtgenoten kunnen hiervoor
verschillende motieven hebben. Zo kan men bv. denken aan het gebruik
van de vordering als een drukkingsmiddel tegen de andere echtgenoot.
118. Dit is dus het geval indien
blijkt dat de aangevoerde feiten manifest ongegrond zijn of dat ze
niet meer bewijsbaar zijn.
119. Luik, 7 december 1987, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1989, 67; Luik, 17 december 1990, Rev. Trim. Dr. Fam.,
1992, 285, J.L.M.B., 1991, 398; Rb. Aarlen, 29 maart 1991, Rev. Rég.
Dr., 1991, 437.
120. Rb. Luik, 26 april 1984, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1986, 52.
121. Brussel, 2 maart 1964, Pas.,
1965, II, 91.
122. De revolutionaire wet van 1792
bood deze mogelijkheid wél, nl. dankzij de echtscheidings-grond van
"incompatibilité d'humeur".
123. Brussel, 10 oktober 1951, Pas.,
1952, II, 75.
124. Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1981, 285.
125. Luik, 15 juni 1992, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1993, 100.
126. Luik, 7 april 1992, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1993, 88.
127. Luik, 25 maart 1991, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1993, 35.
128. Luik, 25 april 1989, J.L.M.B.,
1989, 1197.
129. Antwerpen, 21 november 1960,
R.W., 196-61, 998.
130. Rb. Antwerpen, 24 maart 1975,
R.W., 1974-75, 2542.
131. Antwerpen, 21 november 1960,
R.W., 1960-61, 998; Brussel, 13 oktober en 18 december 1961, Pas.,
1963, II, 156; Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T., 1966, 175. Luiheid
kan eventueel ook worden gezien als een schending van de plicht tot
hulp en bijstand.
132. Cass., 27 april 1978, Pas., 1978,
I, 990.
133. Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1981, 295.
134. Cass. fr., 10 februari 1972, D.,
1972, 379.
135. De materiële problemen die
rechtstreeks in verband staan met de hulpplicht werden reeds
besproken, en zullen bijgevolg niet meer aan bod komen, cfr. A.3.
136. PASQUIER, A., o.c., 89.
137. Luik, 23 september 1991, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1993, 61.
138. Brussel, 26 juni 1984, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1984, 319.
139. Rb. Luik, 23 februari 1984, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1986, 369.
140. Brussel, 29 juni 1983, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1985, 318; Rb. Luik, 23 februari 1984, Rev. Trim. Dr.
Fam., 1986, 369.
141. Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1981, 295.
142. Brussel, 19 januari 1982, Rev.
Not. B., 1982, 25, Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 270, noot MAHILLON.
143. Echter, het oplopen van een
correctionele of een criminele straf is, sinds de opheffing van Art.
232 B.W. door de wet van 15 december 1949, op zichzelf geen grove
belediging meer. Voor een beschrijving van de situatie voor de
opheffing van Art. 232 B.W., cfr. DEBRA, "De belediging van erge
aard als grond tot echtscheiding in de Belgische rechtspraak",
Rechtsk. T., 1934, 332-343.
144. Brussel, 17 april 1970, Pas.,
1970, II, 171; cfr. in dit verband ook de algemene voorwaarden, C
(vrijwillig- en toerekenbaarheid). Deze tendens om inzake
echtscheiding minder snel de ontoerekenbaarheid van de echtgenoot
aan te nemen, was het antwoord op een lacune in het Belgisch
echtscheidingsrecht vooral voor de hervorming van 1974. Het was voor
1974 inderdaad onmogelijk om een echtscheiding te bekomen tegen een
krankzinnige of ontoerekenbare partner. De wet van 1974 heeft dit in
zekere zin verholpen door het invoeren van de echtscheiding op grond
van (nu) vijf jaar feitelijke scheiding en de echtscheiding op grond
van (nu) vijf jaar feitelijke scheiding n.a.v. de krankzinnigheid of
de ernstige geestesgestoordheid.
145. Luik, 2 juni 1959, Rev. Dr. Fam.,
1959, 405; Brussel, 13 september 1961, Pas., 1963, II, 156; Brussel,
18 december 1961, Pas., 1963, II, 156; Bergen, 22 april 1980, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1981, 285; Rb. Nijvel, 18 oktober 1961, Rev. Dr.
Fam., 1962, 224; Rb. Mechelen, 2 april 1981, Rev. Trim. Dr. Fam.,
1981, 301.
146. Luik, 4 februari 1992, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1993, 75; waarbij de echtscheiding werd toegestaan omwille
van het bezit van verdovende middelen en deelname aan groeperingen
met
het oog op het verbruik. Het feit op
zich werd nl. gezien als een aanslag op de eer en de waardigheid van
de echtgenoot, en dus zwaar beledigend, maar niet zozeer de straf
die hieruit volgde.
147. Rb. Mechelen, 2 april 1981, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1981, 301; waar de echtscheiding niet werd
toegestaan hoewel de man voor moord ter dood was veroordeeld, en dit
omdat het beledigend karakter niet kon worden aangetoond.
148. Rb. Brussel, 3 oktober 1958, Rev.
Dr. Fam., 1959, 429; Rb. Luik, 2 juni 1959, Rev. Dr. Fam., 1959,
405.
149. Brussel, 23 juni 1966, J.T.,
1966, 599; Luik, 5 november 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 280;
Rb. Antwerpen, 21 november 1960, R.W., 1960-61, 998; Rb. Brussel, 11
februari 1966, Pas., 1967, III, 7. Zie in dit verband ook A.3 en
B.6.
150. Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim.
Dr. Fam., 1981, 285: "La transgression aux devoirs spécifiques du
mariage ne peut se situer que sur le plan de l'atteinte à l'honneur
du conjoint et ce n'est qu'en certaines circontances que des faits
délictueux commis au préjudice de tiers et qui ne portent pas
directement atteinte à une obligation du mariage peuvent être
gravement injurieux à l'égard du conjoint du coupable".
151. Brussel, 10 augustus 1868, Pas.,
1871, II, 166.
152. Cass., 22 juni 1882, Pas., 1882,
I, 250.
153. Aantasting van de eer van de
andere echtgenoot, Brussel, 10 augustus 1868, reeds gecit.; "de
bevlekking van de naam van de man die de vrouw verplicht is te
dragen", Brussel, 5 februari 1883, J.T., 1883, 206; Brussel, 31
maart 1897, Pas., 1897, II, 301.
154. Voor een uitgebreide weergave,
cfr. DEBRA, "De belediging van erge aard als grond tot echtscheiding
in de Belgische rechtspraak", Rechtsk. T., 1934, 343-350.
155. Colmar, 16 april 1929, Gaz. Pal.,
5 juni 1929; Rb. Brussel, 14 december 1953, Rev. Dr. Fam., 1955, 44;
Rb. Valences, 16 maart 1955, J.T., 1955, 554; maar vgl. Brussel, 26
februari 1955, J.T., 1955, 331.
156. Cass., 2 mei 1974, Arr. Cass.,
1975, 962, Pas., 1974, I, 909; Parijs, 7 november 1968, D., 1969,
s., 30; Brussel, 10 april 1973, J.T., 1974, 139; Rb. Brussel, 23
november 1973, J.T., 1975, 103, R.W., 1974-75, 103.
157. Brussel, 9 maart 1982, Pas.,
1982, II, 81; Rb. Brussel, 23 november 1973, reeds gecit.; Rb.
Brussel, 11 februari 1983, J.T., 1983, 415; maar vgl. Rb. Nijvel, 18
oktober 1961, Rev. Dr. Fam., 1962, 224, waarin gesteld werd dat: "l'ivrognerie
caractérisée, scandaleuse et persistante ... consiste à elle seule,
à l'égard du conjoint, une marque de mépris suffisament grave pour
justifier la demande en divorce".
158. Cass., 2 mei 1974, Arr. Cass.,
1975, 962, Pas., 1974, I, 909; Brussel, 16 november 1963, Rev. Dr.
Fam., 1963, 23; Brussel, 10 april 1973, J.T., 1974, 139; Rb. Brussel,
23 november 1973, J.T., 1975, 103, R.W., 1974-75, 103.
159. Brussel, 30 maart 1950, Pas.,
1950, II, 58; Rb. Kortrijk, 14 juli 1950, J.T., 1951, 164; Rb.
Brussel, 3 mei 1962, Rev. Dr. Fam., 1962, 228; Rb. Luik, 8 november
1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 64, Jur. Liège, 1985, 93.
160. De rechtbank van Douai stond de
echtscheiding toe voor een geval van overdreven tabaksgebruik, Douai,
1 maart 1990, onuitgeg. (gecit. in R.T..D.C., 1991, 711)
161. Cass., 16 januari 1976, R.W.,
1975-76, 2349, Arr.Cass., 1976, 583, Pas, 1976, I, 560, R.C.J.B.,
1977, 571.
162. Deze problematiek kwam reeds ter
sprake bij de bespreking van de strafrechtelijke veroordeling voor
een feit gepleegd t.a.v. een derde (cfr. B.4). Ook daar stelde men
zich de vraag of een veroordeling van een dergelijk feit in
aanmerking kon komen voor het aannemen van een grove belediging
t.a.v. de andere echtgenoot.
163. Luik, 18 februari 1992, Rev.
Trim. Dr. Fam., 1993, 82; Rb. Luik, 5 december 1985, Rev. Trim. Dr.
Fam. , 1987, 420; contra Rb. Brussel, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr.
Fam., 1984, 328 waar het feit dat de man hun kind had gedood niet
werd gezien als een grove belediging voor de vrouw aangenomen.
164. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980,
1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093
weigerde de grove belediging te aanvaarden voor de belediging van de
vader van de bijzit wegens gebrek aan terugwerking op de andere
echtgenoot.
165. RIGAUX, F., "L'injure grave par
ricochet", noot onder Cass., 16 januari 1976, R.C.J.B., 1977,
574-580.
166. CARBONNIER, J., "La question du
divorce. Mémoire à consulter", D., 1975, C., 120-122; MEULDERS-KLEIN,
M.-Th., "Le divorce en Belgique: Bilan, réformes et perspectives",
J.T., 1990, 717-724; POELEMANS, B., Scheiding op maat, Pleidooi voor
een gematigde hervorming van het echtscheidingsrecht, Gent, Mys en
Breesch, 1994, 31 p.; PUELINCKX-COENE, M., "Recente tendensen van
het gezinsrecht bij de ontbinding van het huwelijk door
echtscheiding of door overlijden", R.W., 1981-82, 2313-2328; SENAEVE,
P., "Pleidooi voor een shock-therapie van het echtscheidingsrecht",
in Liber Amicorum Prof. K. KRINGS, Brussel, E. Story-Scientia, 1981,
789-806.
167. De billijkheid is immers geen
toegelaten rechtsbron, tenzij de wet het uitdrukkelijk toestaat (wat
in casu niet het geval is).
168. Cfr. o.a. de problematiek van de
ideologische conflicten.
|
| 4. Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT). |
|
|