Scheidingsvormen

1. Echtelijke moeilijkheden
2. Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar
3. Echtscheiding op bepaalde gronden (ernstige tekortkomingen van één der echtgenoten)
4.
Echtscheiding op grond van grove beledigingen
5. Echtscheiding door onderlinge toestemming
6. Dringende en voorlopige maatregelen
 
Echtelijke moeilijkheden

Bij ernstige echtelijke moeilijkheden is het aangewezen voor alle partijen (beide echtgenoten, en zeker de kinderen), dat beide partijen blijven open staan voor een duidelijk gesprek. Is dit niet mogelijk, raadpleeg een gezins- of relatietherapeut.

Faalt elke poging tot verzoening, staan er wettelijk voor de echtgenoten vier mogelijkheden open :

  • echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar;
  • echtscheiding op bepaalde gronden (ernstige tekortkomingen van een der echtgenoten);
  • echtscheiding door onderlinge toestemming;
  • geen echtscheiding, maar toch dringende en voorlopige maatregelen van de vrederechter (zie hierna).

Dringende en voorlopige maatregelen (art. 221-223 Burgerlijk Wetboek)

Bij relatiestoornissen tussen echtgenoten (sinds 01.01.2000 ook tussen wettelijk samenwonenden) kan de heer Vrederechter dringende en voorlopige maatregelen bevelen.
De vrederechter kan uitspraak doen over :
  • afzonderlijke woonst;
  • wie er verder de echtelijke woonst zal betrekken;
  • ouderlijk gezag over de kinderen (vroeger : hoederecht);
  • omgangsrecht met de kinderen (vroeger : bezoekrecht);
  • onderhoudsgeld partner;
  • onderhoudsgeld voor de kinderen;
  • aan wie de kinderbijslag dient te worden gestort...
  • wie er verder de afbetalingen zal doen (huis, wagen, ...)
  • wie er gebruik kan maken van bepaalde gemeenschappelijke goederen (auto, TV, PC, ...)
  • meestal wordt ook beslist dat geen van de echtgenoten de gemeenschappelijke goederen mag verkopen of wegdoen.

Deze maatregelen worden meestal beperkt in tijd, met het oog op mogelijke verzoening of een definitieve echtscheiding.

U kan voor deze procedure beroep doen op een advocaat, of U kan desnoods zelf Uw verzoekschrift  ter griffie neerleggen.
Een verzoekschrift is een soort brief waarin U zeker moet vermelden :

  • namen, woon- en/of verblijfplaatsen
  • kinderen, geboortedata
  • problemen in het kort
  • de door U gevraagde maatregelen (afzonderlijke woonst, persoonlijk onderhoudsgeld, onderhoudsgeld kinderen, ouderlijk gezag over de kinderen, ...)
  • mogelijke oplossingen
  • onderaan niet vergeten : plaats, datum en handtekening

Uw verzoekschrift legt U zelf neer ter griffie van het vredegerecht van Uw kanton. Bij het verzoek voegt U bij :
- Rolrecht : 35,- euro ter griffie te betalen.
- Attest van woonst van de tegenpartij (te verkrijgen op dienst bevolking van Uw gemeente, kost : +/- 8,- euro).

Beide echtgenoten worden opgeroepen met een gerechtsbrief uitgaande van het Vredegerecht, copie van het verzoekschrift wordt meegestuurd. Partijen dienen samen te verschijnen voor de Vrederechter, al dan niet bijgestaan door een raadsman (advocaat).

Naar Boven

2. Echtscheiding door twee jaar feitelijke scheiding.


Sinds de wet van 16 april 2000 kan de echtscheiding aangevraagd worden op basis van de duurzame ontwrichting van het huwelijk die blijkt uit een ononderbroken feitelijke scheiding van minstens twee jaar. Het is niet zo dat men dan automatisch gescheiden is. Men moet wel uitdrukkelijk die procedure voeren op basis van de duurzame ontwrichting die praktisch altijd aangenomen wordt op voorwaarde dat men bewijst dat men twee jaar feitelijk gescheiden leeft (vroeger 5 jaar). Deze procedure verloopt normaal snel en met beperkte kosten. Ze kan ook zeer gevaarlijk zijn omdat een omkeerbaar vermoeden bestaat dat wie de echtscheiding vordert gesteund op de feitelijke scheiding ook de schuldige echtgenoot is. Uw advocaat zal u concreet adviseren of die procedure voor u geschikt is en vrij van gevaar.
Naar Boven

3. Echtscheiding op bepaalde gronden (ernstige tekortkomingen van één van de partners


Bij deze procedure roept de ene partij de fout in van de andere, wat overspel, gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen kan zijn. Uw advocaat adviseert u best welke feiten in uw geval kunnen weerhouden worden en zal u helpen zowel bij het opstellen ervan als het verzamelen van bewijzen. Hij kan u gedurende de ganse procedure vertegenwoordigen en u hoeft niet persoonlijk te verschijnen. De duur van de procedure is zeer uiteenlopend en vooral afhankelijk van de manier waarop u de ingeroepen feiten zult moeten bewijzen. Het loont minstens de moeite om vluchtig na te gaan of een echtscheiding op grond van feiten in uw geval mogelijk zou zijn. De hierboven besproken echtscheiding bij onderlinge toestemming vereist een voorafgaandelijk volledig akkoord en de wetenschap of u de echtscheiding op grond van feiten al of niet zou kunnen krijgen, kan bepalend zijn voor de aard van de toegevingen die moeten gedaan worden. Gedurende de ganse procedure kan de Voorzitter bij bevelschrift in kortgeding voorlopige maatregelen treffen die, wat de toestand van de kinderen betreft, ook na de echtscheiding blijven voortduren. Ook tijdens een procedure op grond van feiten kan nog steeds overgestapt worden op een onderlinge toestemming. Vaak is die procedure niet mogelijk omdat er geen voorafgaandelijk akkoord bereikt wordt omtrent voorlopige maatregelen. Wanneer die maatregelen dan zijn vastgesteld bij bevelschrift kan er soms overgestapt worden op een onderlinge toestemming zodat een soms vervelende bewijsvoering wordt vermeden. Belangrijk is ook dat wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van feiten en in het uitsluitend nadeel van één van de echtgenoten de andere kan veroordeeld worden tot een persoonlijk onderhoudsgeld ook na echtscheiding. Ook tijdens de echtscheiding kan dat maar dan wordt dat geregeld in het kader van de voorlopige maatregelen die ook de afzonderlijke woonst, het storingsverbod, het ouderlijk gezag, het recht op contact, het voorlopig gebruik van de goederen enz. regelt.

Naar Boven
 

Dominique Pignolet

Onder de wetenschappelijke begeleiding van Prof. P. Senaeve
ALGEMENE INLEIDING
A. SITUERING VAN "GROVE BELEDIGINGEN"
 
Art. 231 B.W. bepaalt: "Ieder echtgenoot kan de echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd". Art. 231 B.W. voorziet dus in drie afzonderlijke echtscheidingsgronden: de gewelddaden, de mishandelingen en de grove beledigingen. Het onderwerp van dit werk betreft uitsluitend de laatste grond, nl. de grove beledigingen. De twee anderen zullen buiten het bestek van de bespreking blijven. Er moet wel worden vastgesteld dat zowel de mishandelingen als de gewelddaden als grond tot echtscheiding aanzienlijk aan belang hebben verloren. Dit is het gevolg van de heel ruime interpretatie van de grond "grove beledigingen" en de opslorping van de twee andere gronden die deze extensieve interpretatie tot gevolg had. Het overspel stricto sensu zal ook niet aan bod komen daar het overspel een afzonderlijke echtscheidingsgrond is, opgenomen in Art. 229 B.W..
De echtscheiding op grond van grove beledigingen is een vorm van foutechtscheiding ("divorce-sanction", "Verschuldensprinzip"). Dit wil zeggen dat de echtscheiding in dit geval wordt gezien als een burgerrechtelijke sanctie die moet worden uitgesproken n.a.v. de ernstige schending van een huwelijksplicht door één van de echtgenoten. Het sanctiekarakter van de echtscheiding zal invloed hebben op de voorwaarden waaraan een feit moet voldoen vooraleer het kan gekwalificeerd worden als een grove belediging.(1) Sommige auteurs maken zelfs een vergaande vergelijking tussen de echtscheiding op grond van fout en het strafrecht.(2)
Dit is nochtans niet de enige opvatting die over de echtscheiding kan worden gehanteerd. De echtscheiding kan ook gezien worden als een remedie voor een toestand die een aangepaste oplossing vergt. In dat geval zal er sprake zijn van "divorce remède" ("Zerrüttungsprinzip"). De echtscheiding zal dan niet langer afhankelijk worden gemaakt van het voldoen aan een aantal voorwaarden zoals de ernst van de feiten of de erkenning van de schuld van de echtgenoot-verweerder. De rechter zal alleen de mislukking van het hu-welijk (of de duurzame ontwrichting ervan) moeten vaststellen. Dit zal hij kunnen doen wanneer de situatie zo is dat de kans op verzoening onbestaand is. Meestal beschikt de wet zelf over een aantal criteria die wijzen op de afwezigheid van kans op verzoening.(3)
De echtscheiding op grond van grove beledigingen is een vorm van echtscheiding op grond van feiten. Dit laat ons toe een aantal vooraf-gaandelijke en algemene opmerkingen te maken over de echtscheiding op grond van de grove beledigingen. Art. 231 B.W. is, o.m. door de zeer extensieve interpretatie ervan, een open echtscheidingscategorie (geworden), d.w.z. dat voorzover een feit aan bepaalde (ruim geïnterpreteerde) voor-waarden voldoet, het onder het toepassingsgebied van Art. 231 B.W. kan vallen. Bijgevolg kan de echtscheiding uitgesproken worden n.a.v. de meest uiteenlopende feiten, zoals zal blijken in deel II.
Deze vaststelling leidt ons tot een tweede opmerking: de feiten zijn onder-worpen aan de beoordelingsvrijheid van de rechter: hij alleen oordeelt over de situatie. Hij gaat na of in zijn ogen die feiten voldoen aan de vijf voorwaarden die in deel I zullen worden uiteengezet en motiveert zijn vonnis
in die zin.(4) Ondanks deze motiveringsplicht moet men zich hoeden voor de
discretionaire bevoegdheid van de rechter. De objectiviteit van de rechter wordt hier in twijfel getrokken. Er wordt alleen opgemerkt dat het voor hem bijzonder moeilijk zal zijn om zijn waardeoordelen volledig terzijde te laten bij de beoordeling van de zaak die hem wordt voorgelegd.
De indeling van het werk is als volgt: na een korte vergelijking met het foutbegrip naar Frans recht, worden in een eerste deel de vijf algemene voorwaarden waaraan een "grove belediging" moet voldoen, overlopen. Het tweede deel geeft een overzicht van de mogelijke grove beledigingen. De conclusie, tenslotte, moet een (bescheiden) kritiek geven op de echtscheiding op grond van grove belediging.

B. VERGELIJKING MET HET FRANSE RECHT, HET BEGRIP "FAUTE" IN ART. 242 C.CIV.(5)
Het is interessant even te verwijzen naar het Franse recht aangezien daar voor bepaalde echtscheidingsgronden nog wordt verwezen naar het foutbegrip (zoals bij echtscheiding op grond van grove beledigingen), hoewel het in bepaalde opzichten verschilt van de situatie naar Belgisch recht.(6)
Het Franse echtscheidingsrecht werd hervormd door de wet van 11 juli 1975. Het nieuwe artikel 229 C.Civ. voorziet nu in drie mogelijkheden om de echtscheiding te bekomen: de echtscheiding door onderlinge toestemming (le divorce par consentement mutuel, Art. 230-236 C.Civ.), de echtscheiding op grond van verbreking van de huwelijksgemeenschap (le divorce pour rupture de la vie commune, Art. 237-241 C.Civ.) en de echtscheiding op grond van fout (le divorce pour faute, Art. 242-246 C.Civ.). In het kader van deze uiteenzetting zullen wij ons beperken tot een korte bespreking van deze laatste echtscheidingsgrond.
Het Franse echtscheidingsrecht hanteert twee foutbegrippen: enerzijds "la faute péremptoire" en anderzijds "la faute facultative". Het onderscheid tussen afdoende en facultatieve echtscheidingsgronden heeft slechts gevolgen voor de beoordelingsbevoegdheid en de motiveringsplicht van de rechter.
"La faute péremptoire" laat de rechter geen beoordelingsvrijheid toe. Eens hij vaststelt dat alle voorwaarden aanwezig zijn, moet hij de echtscheiding op grond van fout uitspreken.
Vóór de hervorming van 1975 kende het Franse recht twee "fautes péremptoires": het overspel en de strafrechtelijke veroordeling tot een criminele straf. Sinds 1975 is dit onderscheid gedeeltelijk vervaagd.
Vooreerst het overspel. De wet van 1975 heeft de vroegere situatie in twee opzichten veranderd: enerzijds is het overspel gedepenaliseerd en anderzijds is het opgenomen in het algemeen artikel over de fout.(7) Vervolgens de straf-rechtelijke veroordeling. Het "péremptoire" karakter van de strafrechtelijke veroordeling wordt in de rechtsleer betwist. Dit volgt o.a. uit het feit dat de strafrechtelijke veroordeling als echtscheidingsgrond is opgenomen in een afzonderlijk artikel, nl. Art. 243 C.Civ.. BENABENT meent dat de straf-rechtelijke veroordeling een "faute péremptoire" is (en dan wel de enige)(8), terwijl dit volgens COLOMBET niet het geval is.(9) Dit laatste standpunt is vrij onverwacht na het arrest van het Hof van Cassatie van 1989.(10) In dit arrest neigde het Hof eerder naar een bevestiging van het standpunt van BENABENT.(11)
"La faute facultative" (Art. 242 C.Civ.) laat wél een opportuniteitsoordeel van de rechter toe. Dit oordeel is slechts formeel onderworpen aan de controle van het Hof van Cassatie.(12)
De vraag die men zich nu moet stellen is de vraag naar de voorwaarden voor het bekomen van echtscheiding op grond van fout. Uit de wet kunnen drie voorwaarden worden afgeleid: de toerekeningsvatbaarheid van de foutieve echtgenoot, een ernstige of herhaalde schending van een huwelijksplicht en de onhoudbaarheid van de huwelijksgemeenschap die hieruit volgt.(13)
De eerste voorwaarde vergt niet veel uitleg: het begrip "fout" veronderstelt de toerekenbaarheid aan de dader. Hieruit volgt dat deze echtscheidingsgrond niet mogelijk zal zijn voor een krankzinnige; echter wel voor bv. iemand die handelde onder invloed van drankgebruik.
Voor de tweede voorwaarde moet er op het volgende worden gewezen: de echtscheiding zal niet alleen worden toegestaan wegens schending van een huwelijksplicht opgenomen in de Code Civil(14), maar eveneens wegens schending van andere plichten die niet expliciet zijn opgenomen als huwelijksplicht, maar die de rechtspraak als dusdanig heeft erkend.(15)
Over de draagwijdte van de laatste vereiste nl. de onhoudbaarheid van de huwelijksgemeenschap bestaat er betwisting in de rechtsleer. Volgens de ene stelling, o.a. verdedigd door BENABENT is het vervullen van deze voorwaarde determinerend voor het al dan niet toestaan van de echtscheiding op grond van fout.(16) Volgens de andere stelling o.a. verdedigd door COLOMBET is deze voorwaarde slechts een stijlformule daar het inleiden van de eis reeds een bevestiging is van de onhoudbaarheid van de leefgemeenschap.(17)
Een korte situering van de echtscheiding o.g.v. fout naar Frans recht was opportuun daar er in de verdere bespreking af en toe zal worden verwezen naar Franse rechtspraak die dateert zowel van voor de hervorming (toen het begrip "injure grave" nog steeds was opgenomen in de Franse C.C.) als van na de hervorming (met toepassing van Art. 242 C.C. en het algemeen foutbegrip).

I. ALGEMENE VOORWAARDEN
De rechtspraak verwijst naar drie algemene voorwaarden voor het uitspreken van de echtscheiding op grond van feiten: de schending (of niet-naleving) van een huwelijksplicht (materiële factor) (A), de psychologische en morele verantwoordelijkheid van de schuldige echtgenoot (vrijwillig- en toerekenbaarheid) (C) en het beledigend karakter in hoofde van de andere echtgenoot (morele factor) (D).(18)
De rechtsleer voegt twee voorwaarden toe aan de drie vorige: het moet gaan om feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het huwelijk (dit volgt uit de eerste vereiste) (E) en de feiten moeten ernstig zijn (B).
Deze voorwaarden gelden dus algemeen voor het uitspreken van echtscheiding op grond van feiten maar zullen nu specifiek worden toegelicht in het kader van Art. 231 B.W., en meer bepaald in het kader van de "grove beledigingen".(19)

A. DE SCHENDING VAN EEN HUWELIJKSPLICHT
De vereiste van de schending van een huwelijksplicht heeft een objectief karakter. Men dient bijgevolg na te gaan wat de huwelijksplichten inhouden. De rechtspraak interpreteert dit begrip zeer ruim. De huwelijksplichten zijn niet beperkt tot de opsomming die in het Burgerlijk Wetboek wordt gegeven vanaf Art. 212 B.W.. De echtgenoten hebben ook de plicht het doel van het huwelijk te eerbiedigen, nl. een levensgemeenschap vormen, gebaseerd op een wederkerige waardering en een wederkerig vertrouwen. Bijgevolg is de aantasting van deze waardering en van dit vertrouwen ook een schending van een huwelijksplicht en maakt ze een grond tot echtscheiding uit in de zin van Art. 231 B.W.. Dit artikel is zeer algemeen geformuleerd, immers het gaat om de schending van alle huwelijksplichten.
Men kan zich de vraag stellen of deze extensieve interpretatie van "huwelijksplicht" niet in strijd is met de beperkende opsomming van echtscheidingsgronden.(20) Deze vraag wordt door de rechtsleer negatief beantwoord, en dit o.a. gelet op de zeer ruime interpretatie van "grove beledigingen" die ook niet in strijd wordt geacht met de beperkende opsomming van het Burgerlijk Wetboek. Maar ongeacht de draagwijdte die aan "grove beledigingen" wordt gegeven, moet er steeds vastgesteld worden dat een plicht, ontstaan uit het huwelijk, werd geschonden.(21)
Uit de vereiste van de schending van een huwelijksplicht wordt een andere voorwaarde afgeleid die verder zal worden uitgewerkt: de aangehaalde feiten moeten zich hebben voorgedaan nà het sluiten van het huwelijk (cfr. E ).

B. ERNSTIGE AARD
Deze vereiste volgt logisch uit de opvatting van ons recht over de echtscheiding op grond van fout. Ons recht hanteert voor de echtscheiding op grond van grove beledigingen de opvatting van een "divorce-sanction" m.a.w. de echtscheiding is de zware sanctie die volgt op de schending van een huwelijksplicht. Deze sanctie kan bijgevolg enkel worden toegepast wanneer de feiten werkelijk ernstig zijn.(22)
Voor grove beledigingen kan het ernstig karakter op twee manieren worden afgeleid: het kan afgeleid worden uit één feit of uit verschillende feiten die op zichzelf niet ernstig zijn maar die ernstig worden door het herhaaldelijk of het bestendig plegen ervan.(23) Omgekeerd zal in dat geval een eenmalig feit niet voldoende zijn.(24) De ernst van de feiten wordt beoordeeld door de feitenrechter, die rekening houdt met alle omstandigheden.(25)

C. VRIJWILLIG EN TOEREKENBAAR
De echtscheiding op grond van grove beledigingen zal slechts worden uitgesproken wanneer de echtgenoot-verweerder op het moment van de feiten effectief schuldig wordt geacht.(26) De afwezigheid van schuld zal door de echtgenoot-verweerder moeten worden bewezen(27), of m.a.w., de schuld in hoofde van de dader wordt vermoed.
De schuld van de echtgenoot-verweerder bestaat uit twee componenten.(28) de handeling moet vrijwillig gesteld zijn(29) en ze moet aan de schuldige echtgenoot toerekenbaar zijn. Dit laatste impliceert dat de echtgenoot zich ervan bewust moet zijn dat hij een foutieve en kwetsende handeling stelt.(30) Hij weet dat hij zijn echtgenoot beledigt.(31) Een ongewilde schending van een huwelijksplicht is bijgevolg geen voldoende grond tot echtscheiding, en dit ongeacht de ernst van het gepleegde feit.(32)
Echter, de vrijwilligheid en toerekenbaarheid van het handelen vereisen niet dat de echtgenoot-verweerder gehandeld heeft met de bedoeling de andere echtgenoot te kwetsen (cfr. infra).(33)

D. BELEDIGEND KARAKTER
De bespreking van deze voorwaarde dient verder te worden onderverdeeld in twee aspecten: vooreerst zal er een omschrijving worden gegeven van het begrip beledigend karakter. Vervolgens zal er kort worden ingegaan op de vraag naar de schuldcompensatie, en de mogelijkheid het beledigend karakter te doen vervallen (na de vaststelling ervan).

1. Omschrijving
(34)
De vereiste van het beledigend karakter vervolledigt de vereiste van vrijwilligheid.(35) Dit blijkt uit de constante die werd ingezet met het arrest van het Hof van Cassatie van 1 februari 1957.(36) In dit arrest poneerde het Hof de volgende regel: het beledigend karakter moet worden beoordeeld "gelet op alle omstandigheden eigen aan de zaak en op het inzicht om te beledigen dat die omstandigheden gebeurlijk laten uitschijnen".
Het is voldoende dat de tekortkoming gewild was. Het is niet vereist dat de bijzondere opzet de andere echtgenoot te beledigen aanwezig was.(37) Het bewustzijn dat de handeling objectief krenkend was voor de andere echtgenoot volstaat. Dit is niet strijdig met de stelling die gehanteerd wordt door het Hof van Cassatie over de bedoeling de andere echtgenoot te beledigen (animus injurandi): de bedoeling om te beledigen is, volgens het Hof, niet noodzakelijk; de aanwezigheid van de bedoeling om de andere echtgenoot te beledigen is slechts één van de elementen die de rechter zal toelaten in functie van alle omstandigheden van de zaak te beoordelen.(38) Het beledigend karakter moet wel aanwezig zijn.(39) Dit beledigend karakter mag niet alleen worden afgeleid uit de schending van een huwelijksplicht. Het moet beoordeeld worden door de burgerlijke rechter(40) in functie van alle omstandigheden van de zaak.(41) Zo zal een handeling niet beledigend zijn wanneer zij gesteld wordt door aanzetting, uitlokking, met medeplichtigheid, medeweten van de andere echtgenoot of nog wanneer deze laatste verantwoordelijk is voor het gedrag van de echtgenoot-verweerder.(42)

2. Schuldcompensatie
De schuldcompensatie is het afwegen van de fouten van beide echtgenoten zodat de ene de andere teniet doet. Deze stelling wordt algemeen door rechtspraak en rechtsleer afgewezen. De rechten en plichten die ontstaan uit het huwelijk zijn wederzijds en raken de openbare orde. De automatische opheffing ervan is niet mogelijk.(43)
Wat wel kan worden aangenomen, is de mogelijke samenhang tussen verschillende fouten. Dit zal beoordeeld worden door de rechter, rekening houdend met de causaliteit tussen, en de kennis van de schendingen.(44) Dit zal niet leiden tot het verval van het foutief karakter van de ene handeling. Dit kan tot gevolg hebben dat het beledigend karakter van de feiten die gepleegd werden na of gelijktijdig met de andere tekortkoming kunnen vervallen.
De vraag die men zich dient te stellen, is aan welke vereisten een tekortkoming in hoofde van de mede-echtgenoot moet voldoen opdat zijn eigen wangedrag het beledigend karakter zou verliezen. Vooreerst dient er een tekortkoming te bestaan in hoofde van beide echtgenoten. Vervolgens dient een causaal verband te bestaan tussen beide tekortkomingen. Dit impliceert dat de ene tekortkoming in de tijd voorafgaat aan de andere, of dat diegene die zich op de tekortkoming beroept ervan op de hoogte was of kon zijn op het ogenblik dat hij zelf inbreuk pleegde op de echtelijke plichten.(45)
Het onderscheid tussen enerzijds schuldcompensatie en anderzijds het verval van het beledigend karakter heeft RIGAUX op de volgende manier verwoord: Le fait d'un conjoint, atténuant ou supprimant la gravité de l'injure doit être antérieur ou concomittant à la faute de l'autre, tandis que si l'on admettait la compensation des torts, le comportement culpeux d'un conjoint éteindrait les griefs fondés sur un fait antérieur à la cause qui les a éteints".(46)

E. FEITEN DIE DATEREN VAN TIJDENS HET HUWELIJK
Algemeen wordt gesteld dat de feiten die worden aangehaald voor het vorderen van een echtscheiding op grond van feiten zich moeten hebben voorgedaan tijdens het huwelijk, of tenminste gelijktijdig met de sluiting ervan. Deze opvatting vindt haar grondslag in drie vaststellingen:
Ten eerste werd reeds gesteld dat één van de algemene voorwaarden voor het toestaan van echtscheiding op grond van feiten, de schending van een huwelijksplicht was (cfr. A). Deze plichten ontstaan slechts bij het sluiten van het huwelijk. Het is dus logisch dat men geen huwelijksplicht kan schenden voor het sluiten van het huwelijk. Vervolgens is het moeilijk het beledigend karakter (cfr. D) aan te nemen van feiten die, hoewel gekend door de eisende echtgenoot, het huwelijk niet hebben verhinderd.(47) Tenslotte kan men opwerpen dat, ingeval van kennis van de feiten door de eisende echtgenoot, de huwelijkssluiting een vergiffenis van deze feiten veronderstelt, of ze althans laat vermoeden.(48)
Men kan dus concluderen dat feiten gepleegd vóór het huwelijk niet relevant zijn voor het al dan niet uitspreken van de echtscheiding. Ingeval van "voortgezette feiten" (d.w.z. begonnen voor en verdergezet tijdens het huwelijk), zullen deze slechts in aanmerking komen voor dat gedeelte gepleegd ná het sluiten van het huwelijk.
Dit beginsel wordt aanzienlijk gemilderd door de rechtspraak, voorzover de feiten aan twee voorwaarden voldoen. De feiten in kwestie mogen niet gekend zijn door de echtgenoot of van algemene bekendheid zijn.(49) Bovendien moet het gaan om het verbergen van feiten waarvan de gevolgen tijdens het huwelijk blijven voortduren of feiten die, indien ze vooraf gekend waren, het huwelijk hadden verhinderd.(50)
Twee verantwoordingen kunnen worden gegeven om de aanvaarding van feiten gepleegd voor het huwelijk als grond van echtscheiding aan te nemen. Men kan stellen dat de onhoudbare situatie die gecreëerd wordt door die feiten een bijzondere soort van grove belediging uitmaakt, nl. gepleegd op het ogenblik van het sluiten van het huwelijk.(51) Een andere mogelijkheid is het aanvaarden van een "perfied bedrog".(52) Dit wil zeggen dat het verzwijgen van ernstige feiten, een erg wilsgebrek bij de huwelijkssluiting teweeg brengt, daar ze een dwaling in de persoon inhoudt. De dwaling in de persoon als grond voor de nietigverklaring van het huwelijk wordt door de rechtspraak verworpen. Ze wordt door de rechtspraak echter wél aanvaard als grond tot echtscheiding.(53)
Een laatste opmerking in verband met het ogenblik waarop de feiten moeten gepleegd zijn, is de vraag of feiten die werden gepleegd ná de feitelijke scheiding, maar vóór het uitspreken van de echtscheiding, of nog feiten gepleegd ná het inleiden van de echtscheidingsprocedure ook in aanmerking kunnen komen voor het beoordelen van een grove belediging. Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 februari 1976 bepaalt dat de feiten van na de inleiding van de procedure alleen niet voldoende zijn. Ze moeten samen-hangen met andere bewezen feiten van voor de inleiding en er moet beslist zijn geweest dat die feiten in hun geheel en in hun samenhang genomen een voldoende grond uitmaken.(54) Dit lijkt vrij logisch als men de algemene voorwaarden overloopt: de ernstige en vrijwillige aard moet nog steeds op dezelfde manier worden beoordeeld, de feiten hebben zich effectief voorgedaan tijdens het huwelijk en een schending van een huwelijksplicht is nog steeds mogelijk daar het huwelijk nog niet werd ontbonden.(55) De voorwaarde die hier dus aanleiding zal geven tot betwisting is het beledigend karakter. Maar het blijkt duidelijk dat een belediging moeilijker, en zeker niet alleen zal kunnen worden afgeleid uit feiten die zich uitsluitend hebben voorgedaan na het inleiden van een echtscheidingseis.
Wat betreft de feiten gepleegd na het toestaan van de scheiding van tafel en bed, geldt het volgende: niets verhindert het instellen van een echtscheidingsvordering op grond van grove belediging(56), wel wordt vereist dat de eis niet gesteund is op dezelfde feiten als diegene die hebben geleid tot het uitspreken van de scheiding van tafel en bed.(57)

II. OVERZICHT VAN DE TOEPASSINGSGEVALLEN
In dit hoofdstuk zullen de concrete feiten die kunnen worden gekwalificeerd als grove belediging, worden geanaliseerd. De indeling gebeurt op grond van de geschonden huwelijksplicht. In een eerste deel worden de schendingen van "benoemde" huwelijksplichten besproken, d.w.z. de schending van deze plichten die expliciet in het B.W. worden opgenomen in Art. 212 e.v.. In het tweede deel worden de feiten behandeld die de algemene huwelijksplicht tot wederkerige waardering, eerbied en vertrouwen schenden.(58)
Deze indeling is zuiver arbitrair, hoewel ze meestal in grote lijnen wordt overgenomen in de literatuur. Het zal de lezer allicht opvallen dat eenzelfde feit soms in verschillende onderdelen van dit overzicht zou kunnen worden ondergebracht. Dit is logisch en bovendien zonder enig belang. Er kleven immers geen rechtsgevolgen aan de indeling. Het zijn allemaal grove beledigingen vanaf het ogenblik dat voldaan is aan de vijf besproken algemene voorwaarden. Bij deze analyse zal bijgevolg naast de schending van de huwelijksplicht (basis van de onderverdeling), steeds voor ogen moeten worden gehouden dat de feiten die worden ingeroepen, moeten voldoen aan de vier andere voorwaarden die in het vorig hoofdstuk werden besproken, d.w.z. de ernstige aard, het vrijwillig en toerekenbaar karakter, het beledigend aspect en de situering van de feiten na het sluiten van het huwelijk.(59)

A. SCHENDING VAN EEN "BENOEMDE" HUWELIJKSPLICHT

1. Samenwoningsplicht sensu lato
De samenwoningsplicht bestaat uit twee componenten: strict gezien dienen de echtgenoten onder hetzelfde dak te leven. Een tweede en ruimer facet omvat de plicht tot het hebben van geslachtsverkeer met de andere echtgenoot. De schending van de twee aspecten van de samenwoningsplicht zullen nu achtereenvolgens worden besproken.

a. Samenwoningsplicht sensu stricto
(60)
De schending van de samenwoningsplicht uit zich in de weigering van één der echtgenoten om verder te leven met de andere of door het verlaten van de echtelijke woning.
De verlating van de echtelijke verblijfplaats is op zich geen grond tot echtscheiding. De eiser moet hiervoor het beledigend karakter van de verlating bewijzen.(61) De bewijslast rust dus op de schouders van de eiser(62), terwijl de verweerder steeds het tegenbewijs mag leveren.(63) De feitenrechter oordeelt soeverein, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.(64) De rechter dient evenwel niet vast te stellen dat de echtgenoot doelbewust heeft gehandeld met de bedoeling de andere echtgenoot te krenken.(65)
Het beledigend karakter van de schending van de samenwoningsplicht kan o.m. blijken uit de ongerechtvaardigde en volgehouden weigering van de echtgenote om samen te wonen met haar man in de echtelijke verblijfplaats(66) of uit de bijzondere omstandigheden waarmee het vertrek gepaard ging en die aan dit vertrek een ernstig beledigend karakter gaven.(67) De samenwoning weigeren om bij de zieke moeder te kunnen intrekken teneinde deze te verzorgen, is beledigend voor de andere echtgenoot.(68) De systematische weigering om in te gaan op een verzoek van de andere echtgenoot om de samenleving te hervatten is eveneens een grove belediging voorzover het verzoek oprecht is. Het is bijgevolg niet voldoende een pro forma verzoek te formuleren teneinde over een middel te beschikken om het beledigend karakter van de verlating te bewijzen.(69)
Het is onmogelijk een echtgenoot te verplichten het samenwonen te hervatten door hem te kwetsen in zijn intiemste gevoelens of door gebruik te maken van onwettige middelen.(70)
In vele gevallen wordt aangenomen dat de echtgenoot over voldoende gegronde redenen beschikt om de echtelijke woning te verlaten. Dit is een gevolg van de stricte interpretatie van het principe dat stelt dat de verlating slechts een grond tot echtscheiding kan zijn wanneer vaststaat dat deze verlating ernstig beledigend was (cfr. supra). Deze stricte interpretatie werd ingezet door het arrest van 4 januari 1982 van het Hof van Brussel.(71) De verantwoorde verlating werd o.m. aangenomen in de volgende gevallen: eenzijdige keuze van verblijfplaats (zonder toestemming van de andere echtgenoot en zonder tussenkomst van de vrederechter)(72); noodtoestand waarin vrouw en kinderen verkeren tengevole van het opvliegend karakter van de man(73); mishandelingen(74); slagen; brutaliteiten en ongezonde huisvesting.

b. Plicht tot geslachtsverkeer
De verplichting tot normaal geslachtsverkeer(75) is de tweede facet van de samenwoningsplicht sensu lato en een ernstige schending van deze huwelijksplicht kan eveneens een grond tot echtscheiding zijn in de zin van Art. 231 B.W.. De schending van deze plicht kan op verschillende wijzen tot uiting komen. Deze zullen nu worden overlopen.
De systematische weigering van geslachtsgemeenschap is een grove belediging wanneer zij niet steunt op een gegronde reden of wanneer zij werd ingegeven door antipathie of door minachting.(76) Met de systematische weigering van geslachtsgemeenschap wordt de situatie van impotentie gelijkgesteld voorzover de echtgenoot reeds voor het huwelijk op de hoogte was van zijn aandoening maar zijn vrouw niet had ingelicht(77) of wanneer hij weigert zich te onderwerpen aan de geneeskundige ingreep die aan zijn situatie zou verhelpen.(78) A contrario kan worden afgeleid dat de onvrijwillige en ongeneeslijke impotentie die optreedt na het sluiten van het huwelijk geen grove belediging is. Hetzelfde geldt voor de steriliteit van de vrouw.
Het verbergen van venerische ziektes en de afwezigheid van enige voorzorg om de besmetting van de partner te vermijden zijn eveneens grove beledigingen. Dit zou aan belang kunnen winnen in de toekomst i.v.m. het overdragen van AIDS.(79)
De echtgenoten hebben niet het recht om van elkaar tegennatuurlijk seksueel verkeer te eisen. Ze kunnen evenmin normale geslachtsbetrekkingen met geweld afdwingen. De echtgenoten zijn elkaar zowel lichamelijke als morele eerbied verschuldigd.
Wat betreft de ongegronde weigering van ouderschap neemt men ook aan dat deze houding kan worden gekwalificeerd als grove belediging.(80) De weigering zal echter niet ernstig beledigend kunnen zijn indien de echtgenoten op het moment van het huwelijk reeds hadden afgesproken geen kinderen te krijgen. De vraag naar de geldigheid van deze overeenkomst is hier irrelevant. Het gaat immers om de schending van het wederzijds vertrouwen dat de echtgenoten elkaar verschuldigd zijn.
Andere vragen die kunnen rijzen i.v.m. ouderschap zijn de vragen naar de vrijwillige sterilisatie, het gebruik van contraceptiva, de kunstmatige inseminatie met sperma van een donor(81) en abortus. Voor al deze gevallen kan men stellen dat één van deze daden een grond tot echtscheiding kan zijn voorzover ze plaats had buiten elk medeweten en zonder instemming van de andere echtgenoot.(82)

2. Getrouwheidsplicht
Elke vorm van ontrouw die niet onder het toepassingsgebied valt van Art. 229 B.W. kan als grove belediging worden gekwalificeerd.(83) De rechter zal steeds de ernst en het beledigend karakter van de feiten moeten nagaan. Het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 2 mei 1980 dat een alleenstaand feit van intimiteit met een derde niet voldoende is om de grove belediging aan te nemen.(84) Anderzijds ontslaat het overspel van de man de vrouw niet om haar getrouwheidsplicht na te komen.(85)
De vraag die men zich dient te stellen, is wat wordt verstaan onder "vorm van ontrouw" of "moreel overspel". Moreel overspel kan zowel verwijzen naar een werkelijke vorm van intimiteit als naar een schijnsituatie, en kan worden aangenomen ongeacht of het gaat om homo-(86) of om heteroseksuele verhoudingen; of het m.a.w. gaat om elke vorm (of schijn) van ongeoorloofde intimiteit met een derde die niet kan worden gekwalificeerd als overspel.
De schending van de getrouwheidsplicht werd in de volgende gevallen voldoende ernstig geacht om te kunnen gekwalificeerd worden als een grove belediging. Wanneer één van de echtgenoten t.a.v. een derde een houding aanneemt die overspel suggereert, hoewel dat niet het geval is, is dit beledigend voor de andere echtgenoot.(87) Dit geldt evenzeer wanneer een echtgenoot langs de krant in contact treedt met een derde(88), tenzij deze houding kan worden verantwoord door de lange feitelijke scheiding.
Toelaten dat een derde na de feitelijke scheiding in de woning van één van de echtgenoten intrekt (of zich daar laat inschrijven in het bevolkingsregister), is beledigend voor de andere echtgenoot omdat een dubbelzinnige situatie wordt gecreëerd die erin bestaat de schijn te geven aan de buitenwereld dat beiden een koppel vormen.(89)
Het onderhouden van een exclusieve vriendschapsrelatie met een persoon van hetzelfde geslacht of van een homoseksuele relatie is een grove belediging in de zin van Art. 231 B.W.(90); evenzeer als het liefkozen en zoenen van een derde en het zich afzonderen in de woning van deze laatste.(91)
Een laatst toepassing betreft het "intellectueel overspel". Dit werd door het Hof van Beroep van Parijs in het volgende geval aangenomen: een vrouw onderhoudt met een bisschop een nauwe intellectuele band; tengevolge van deze band beschouwt ze haar man als intellectueel onwaardig; dit leidt tot een minachting van haar echtgenoot.(92)

3. Plicht tot hulp en bijstand
De plicht tot hulp en bijstand vindt zijn grondslag in het artikel 213 B.W. en het omvat twee aspecten. Enerzijds is er de plicht tot hulp. Dit is het materiële facet van deze plicht. De ene echtgenoot moet aan de andere echtgenoot alles geven wat nodig is om te leven. Deze plicht kan ingeval van conflict herleid worden tot de betaling van een geldsom en de uitvoering ervan kan worden afgedwongen door het toestaan van een onderhouds-vordering. Anderzijds is er de plicht tot bijstand. Dit is een morele, niet in geld waardeerbare plicht. Het afbreuk doen aan zowel de plicht tot hulp als aan de plicht tot bijstand kan worden gekwalificeerd als een grove belediging en gesanctioneerd worden door de echtscheiding.(93)
De schending van de hulpplicht kan o.m. blijken uit de weigering van de betaling van onderhoudsgeld, de veroordeling tot inkomstendelegatie(94) of uit de strafrechtelijke veroordeling wegens familieverlating (Art. 391 bis Sw.), en dit ongeacht of het feiten betrof gepleegd t.a.v. de echtgenoot of t.a.v. de kinderen, a fortiori indien het ging om gemeenschappelijke kinderen.(95) Luiheid van een echtgenoot kan indien ze bestendig, opzettelijk en vernederend is, ook beschouwd worden als een vorm van schending van de hulpplicht (door "niet-deelname").(96)
De schending van de plicht tot bijstand kan o.m. blijken uit het nalaten van de man om zijn vrouw, na een operatie, in het ziekenhuis te bezoeken en bovendien de paasgeschenken die ze voor de kinderen had opgestuurd, te weigeren en terug te sturen(97); de vrouw die gezond van geest is en die alle contacten met haar gecolloceerde man weigert, met inbegrip van het samenleven(98); de vrouw die meer aandacht en affectie toont voor haar kat dan voor haar man, waardoor deze laatste graatmager wordt en zijn gezondheid eraan verliest.(99)
 
B. SCHENDING VAN DE ALGEMENE PLICHT TOT WEDERKERIGE WAARDERING, EERBIED EN VERTROUWEN

1. Ideologische conflicten
(100)
Het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en meningsuiting (en bijgevolg ook het recht op vrije verandering ervan) is een recht dat opgenomen is zowel in de grondwet als in het E.V.R.M. en dat hierdoor een zekere bescherming geniet. Nochtans heeft het grondwettelijk recht van vrijheid van mening in een bepaalde maatschappij door een ongehuwde en kinderloze persoon niet dezelfde draagwijdte als dat recht in het kader van het echtelijk- of gezinsleven. Immers, de andere echtgenoot beschikt over hetzelfde recht. Vandaar dat de vrijheid zal begrensd worden door dezelfde vrijheid van de mede-echtgenoot.
Het veranderen van godsdienst of van politieke overtuiging is op zich geen grove belediging.(101) Zo kan men moeilijk stellen dat het hebben van een bepaalde partijkaart of het af en toe bezoeken van een cultusplaats het echtelijk leven in gevaar brengt en aldus een grove belediging uitmaakt.(102) Anders is het wanneer deze verandering van ideologische overtuiging (politiek of religieus) plaatsvindt met de uitsluitende bedoeling de andere echtgenoot te beledigen(103), wanneer ze gebeurde zonder eerbied voor de opvatting van de andere echtgenoot of wanneer, tengevolge van deze verandering, er op ernstige en fundamentele wijze te kort wordt gedaan aan de normale huwelijksverplichtingen.(104)
Wat echter ingeval van weigering om het kerkelijk huwelijk te sluiten na het wettelijk huwelijk(105) of weigering om een gemeenschappelijk kind te laten dopen of volgens een bepaald geloof op te voeden ?(106) In beide gevallen dient te worden nagegaan of er een belofte werd gedaan. Indien dit het geval is, zal de grove belediging kunnen worden aangenomen. Het gaat hier niet om het sanctioneren van of om het geven van enige geldingskracht aan een dergelijke overeenkomst die (al dan niet schriftelijk) tussen de echtgenoten werd gesloten. Wel gaat het om het sanctioneren van het niet-naleven van de algemene huwelijksplicht van wederzijdse waardering, eerbied en vertrouwen.(107)
Een afsluitende opmerking in dit verband is dat ons echtscheidingssysteem niet is aangepast voor het oplossen van dergelijke ideologische conflicten tussen echtgenoten. Het systeem van "divorce-sanction" eist dat een fout wordt aangetoond die voldoende ernstig is om een dergelijke sanctie op te lopen en bijgevolg dat de rechter een heel moeilijk evenwicht zoekt tussen het naleven van de huwelijksverplichtingen en het uitoefenen van de godsdienstvrijheid. Het concept van "divorce-remède" beschikt over een structuur die hiervoor beter geschikt is en een oplossing biedt die een grotere voldoening geeft. Immers, de nadruk ligt in dit systeem niet op de (foutieve) gedragingen zelf, maar wel op het resultaat ervan: de duurzame ontwrichting van het huwelijk.(108)

2. Abusieve uitoefening van procedurele rechten
In de rechtsleer wordt de bespreking van de abusieve uitoefening van bepaalde procedurele rechten meestal beperkt tot een bespreking van de abusieve uitoefening door de echtgenoten in het kader van de echtscheidingsprocedure. Dit is logisch daar zij ongetwijfeld de meest voorkomende zijn, maar dit is echter niet de enige toepassing van procedureel rechtsmisbruik tussen de echtgenoten. Voorbeelden van andere mogelijke toepassingen zijn de vordering tot onbekwaamverklaring, het vorderen van dringende voorlopige maatregelen(109) en de betwisting van het vaderschap. Verder zullen specifiek de toepassingen in het kader van de echtscheidings-procedure worden besproken. Maar men dient voor ogen te houden dat de algemene beginselen die verder zullen worden aangehaald, ook gelden voor alle andere procedures die tussen echtgenoten worden gevoerd.
Men kan niet spreken van een grove belediging wanneer blijkt dat de procedure om gegronde redenen werd ingeleid. Het gaat in dat geval immers om de uitoefening van een recht op een manier die geenszins abusief is.(110) Hiermee is dan ook meteen de eerste voorwaarde genoemd die moet vervuld zijn opdat er sprake kan zijn van een grove belediging: de vordering mag niet steunen op gegronde redenen.
Een volgende voorwaarde is dat het ernstig beledigend karakter van de gevoerde procedure moet kunnen worden aangetoond. Dit kan o.m. worden afgeleid uit de beledigende uitlatingen die werden opgenomen in het verzoekschrift.(111)
Een derde voorwaarde is de kwade trouw die door één van de echtgenoten aan de dag wordt gelegd. In dit verband moet wel worden opgemerkt dat er veel nalatigheden en fouten gebeuren in de manier waarop de echtscheidingsprocedure wordt gevoerd. Hieruit kan zeker geen algemene regel worden afgeleid volgens dewelke deze houding steeds zou leiden tot het aanvaarden van de kwalificatie van de feiten als grove belediging. De kwade trouw werd wel o.m. afgeleid uit een grove nalatigheid in de voortzetting van de procedure(112), het verderzetten van de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming op voorwaarde van het betalen van een bepaalde geldsom(113), het niet willen benaarstigen van de afwerking van een procedure (voorzover bewezen is dat de nalatigheden gewild waren en dat ze uitdrukkelijk tot doel hadden de andere partij te schaden)(114), de weigering om een echtscheidingsvonnis (in casu een E.O.T.) te laten overschrijven (mits bewijs van de slechte bedoeling van de verweerder)(115), het instellen van twee verschillende vorderingen tot echtscheiding op grond van feiten die onwaar of niet meer bewijsbaar blijken te zijn.(116)
Een bijzonder en regelmatig voorkomend geval is dat waarin één der echtgenoten een echtscheidingsvordering instelt zonder ze evenwel te willen verderzetten.(117) In het algemeen gaat het om het toetsen van de feiten aan de zo net opgesomde voorwaarden. Nochtans moet hier worden opgemerkt dat de rechtspraak nogal verdeeld is wat betreft de concrete criteria. Enerzijds stellen bepaalde rechtbanken dat de aangevoerde feiten zwaar beledigend moeten zijn(118)en dat tijdens de procedure de kwade trouw van de eisende echtgenoot moet kunnen worden aangetoond.(119) Anderzijds vindt men een minderheidstendens die vooral de nadruk legt op de beproeving van de verweerder tengevolge van de procedure.(120)

3. Algemene houding, bepaald gedrag of karakter van de echtgenoten
De feiten die hier zullen worden besproken, zijn de algemene houding, een bepaald gedrag of zelfs een karaktergebrek van één der echtgenoten. Het is daarom quasi onmogelijk een algemene lijn te trekken in de geraadpleegde rechtspraak. Meer dan ooit is het van belang te onderlijnen dat de rechter de aangehaalde feiten in concreto zal moeten beoordelen, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.(121)
De te bespreken feiten zullen worden opgedeeld in twee categorieën: enerzijds die feiten die verband houden met het karakter of de algemene houding van de echtgenoten en anderzijds die feiten die betrekking hebben op het gedrag van de echtgenoten i.v.m. materiële, geldelijke aspecten van het echtelijk samenleven.
Vooreerst kan men stellen dat een louter karaktergebrek nooit zal leiden tot het uitspreken van een echtscheiding op grond van grove belediging.(122) Dit volgt uit het Belgisch concept over de echtscheiding op grond van feiten: het gaat niet om een "divorce-remède" die wordt uitgesproken n.a.v. de vaststelling van de mislukking van het huwelijk, maar wel om een sanctie die wordt uitgesproken tegen één der echtgenoten wegens een gedrag dat onverenigbaar is met het echtelijk leven. Bijgevolg zullen volgende feiten op zich ook nooit gekwalificeerd worden als grove beledigingen: opvliegend karakter, slecht humeur (zelfs indien chronisch), karaktergebreken(123), een alleenstaand feit van ongevoeligheid(124), tijdens ruzies en binnenshuis uitgewisselde scheldwoorden(125), negatieve karaktertrekken(126), egoïsme.(127)
Nochtans zullen sommige gedragingen, wanneer zij plaats hebben in bepaalde omstandigheden wél kunnen leiden tot een echtscheiding op grond van grove beledigingen. Dit zal zo zijn wanneer de waardigheid van de andere echtgenoot in het gedrang komt(128) of wanneer het gaat om een bestendig, opzettelijk en vernederend gedrag t.o.v. de andere echtgenoot.(129) Dit werd o.a. aangenomen in de volgende gevallen: zelfmoordpoging van de man zonder tekortkomingen van de vrouw en met blijvende verminking tot gevolg(130); overdreven, bestendige luiheid die bovendien niet het gevolg was van een ziekte(131); het verspreiden van valse geruchten omtrent de geestelijke gezondheid van de vrouw(132); lasterlijke uitlatingen over de vader t.a.v. de gemeenschappelijke kinderen(133); vernederingen van diverse aard.(134)
Een volgend aspect betreft het gedrag van de echtgenoten i.v.m. geldelijke kwesties of andere problemen i.v.m. materiële aspecten van het huwelijk.(135) Ook hier moet men stellen dat geldkwesties in se geen grond tot echtscheiding kunnen zijn. Het huwelijk is meer dan de vereniging en het beheer van patrimonia(136) en de sanctionering van dit soort problemen moet niet in de eerste plaats worden gezocht op het vlak van de grove beledigingen, maar wel bijvoorbeeld op het gebied van de gerechtelijke scheiding van goederen, voorzover de omstandigheden zich ertoe lenen. Bijgevolg zijn volgende feiten geen grove beledigingen: verspilzucht, gierigheid(137), ongewilde werkloosheid, verkwisting van gemeenschappelijke goe-deren en het aangaan van een lening buiten medeweten van de mede-echtgenoot.(138)
Het aannemen van een grove belediging zal echter wel mogelijk zijn wanneer de aangehaalde feiten deel uitmaken van een groter feitencomplex of wanneer ze op een dergelijke manier werden veruiterlijkt dat de waardigheid van de andere echtgenoot hierdoor werd aangetast. Volgende feiten werden in die bepaalde omstandigheden die de zaak kenmerkten wél gekwalificeerd als grove belediging: het plotseling opgeven van het beroep van advocaat buiten elk medeweten van de andere echtgenoot(139), de voortdurende en lastige inmenging van de ene echtgenoot in het beroep van de andere en het stellen van eisen, onverenigbaar met de uitoefening van dat beroep(140), het verbergen van bepaalde inkomsten en hun bedrag(141), de aangifte door de vrouw van de fiscale fraude van de man.(142)

4. Strafrechtelijke veroordeling
Het oplopen van een strafrechtelijke veroordeling kan een grond zijn tot echtscheiding.(143) Hiervoor zal de eiser vooreerst moeten bewijzen dat het ging om een schuldige tekortkoming. Het is wel zo dat het strafrechtelijk schuldbegrip niet overeenkomt met het begrip dat in het echtscheidingsrecht wordt gehanteerd en reeds werd toegelicht.(144)
Vervolgens zal de eiser het (voor hem) beledigend karakter van het misdrijf moeten bewijzen.(145) De kracht van gewijsde van de strafrechtelijke ver-oordeling bevestigt het delictueel karakter van het feit, maar geenzins het beledigend karakter ervan. Hij kan dit bewijs leveren door bijvoorbeeld aan te tonen dat de dader wist, op het ogenblik van de feiten, dat hij hiermee zijn andere echtgenoot zou beledigen; of nog, dat hij de intentie had zijn echtgenoot te beledigen. Dit is de voorwaarde die meestal het moeilijkst kan worden vervuld. Het beledigend karakter volgt meer uit de gepleegde feiten dan uit de veroordeling en de opgelopen straf die deze tot gevolg hebben.(146) Dit zal o.m. tot gevolg hebben dat de echtscheiding zal kunnen worden uitgesproken n.a.v. een gepleegd misdrijf waarvoor de echtgenoot werd vrijgesproken. Het beledigend karakter dient in concreto te worden na-gegaan.(147) De grove belediging zal kunnen worden aangenomen indien de strafrechtelijke veroordeling een grote weerklank had, wanneer de aard van het misdrijf en van de opgelopen straf van die aard waren dat ze de reputatie van de mede-echtgenoot aantastten.(148) Maar ook (en vooral) wanneer de gepleegde feiten tegen "de orde van de familie" waren. Hier wordt niet alleen gedacht aan verkrachting en aanranding van de eerbaarheid t.a.v. een derde, maar ook (en vooral) aan familieverlating. Ingeval van familieverlating wordt de echtscheiding zelfs meestal de plano uitgesproken, en dit ongeacht het gaat om feiten gepleegd t.a.v. de echtgenoot of t.a.v. de kinderen, a fortiori wanneer deze gemeenschappelijk zijn.(149)
Wat betreft de schending van de huwelijksplicht kan alleen de aantasting van de eer van de andere echtgenoot in aanmerking komen.(150)

5. Verslaving - alcoholisme
Sinds het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 10 augustus 1868(151) wordt dronkenschap, voorzover deze plaats heeft in bepaalde omstandig-heden(152), aangenomen als een mogelijke vorm van grove belediging.
De omstandigheden die van dronkenschap een grove belediging maken, hebben een zekere evolutie doorgemaakt. Oorspronkelijk werd de nadruk vooral gelegd op de externe, maatschappelijke gevolgen verbonden aan het alcoholisme.(153) Meestal greep men terug naar één van de drie volgende categorieën van omstandigheden: dronkenschap die een gewoonte is geworden, dronkenschap die schandaalverwekkend is of nog die algemeen bekend is als een gebrek van de vrouw.(154) In de jaren '50 werd alcoholisme meer en meer benaderd als een ziekte die met de hulp van de andere echtgenoot moest worden opgelost op grond van zijn plicht tot hulp en bijstand.(155) Nu wordt de dronkenschap benaderd vanuit de situatie die ze teweeg brengt binnen het gezin. Men spreekt van "ergernisgevende dronkenschap" en men legt de nadruk op het vernederend karakter van het gebrek en op het feit dat ze een normaal echtelijk leven onmogelijk maakt.(156)
Samenvattend kan men stellen dat de dronkenschap een grove belediging is wanneer ze het echtelijk leven ondraaglijk maakt(157), mits er met twee beperkingen wordt rekening gehouden: het mag niet gaan om een eenmalig feit en de dronkenschap mag bovendien niet het gevolg zijn van een ziekte.(158)
Een analoge redenering vindt men terug i.v.m. verslaving aan en misbruik van verdovende middelen: misbruik van verdovende middelen ("abus de stupéfiants") is op zich een grove belediging in de zin van Art. 231 B.W. daar men ervan mag uitgaan dat de gevolgen van dit gebrek leiden tot een aantasting van de eer van de andere echtgenoot en tot een situatie waarin een normaal echtelijk leven niet langer mogelijk is.(159)(160)

6. "Injure par ricochet"
In de vorige onderdelen ging het steeds om de rechtstreekse belediging van de andere echtgenoot. De vraag die hier aan bod komt is of men zijn andere echtgenoot ook onrechtstreeks kan beledigen, d.w.z. door de belediging van een derde die sterk verwant is met deze andere echtgenoot (denk bv. aan een ouder, een kind, de bijzit).
Op deze vraag antwoordde het Hof van Cassatie in een arrest van 16 januari 1976(161) dat: "Ofschoon Art. 231 B.W. slechts de beledigingen van de ene echtgenoot jegens de andere bedoelt, de jegens een derde geuite beledigingen grove beledigingen in de zin van voormelde wetsbepalingen kan uitmaken, wanneer zij noodzakelijk op de echtgenoot moeten terugwerken". Hiermee is meteen de voorwaarde bepaald waaraan een belediging t.a.v. een derde moet voldoen opdat de grove belediging t.a.v. de echtgenoot kan worden aangenomen. De belediging moet op de echtgenoot terugwerken. Dit impliceert dat de belediging persoonlijk moet zijn, en dit is het geval, zo zegt het Hof, wanneer ze noodzakelijk op de echtgenoot terugwerkt. Een perfecte cirkelredenering. Wel veronderstelt de terugwerking op de echtgenoot dat de andere bewust was van zijn daad, en (hier) vooral de bedoeling had de andere echtgenoot te beledigen. Dit is echter meestal niet eenvoudig aan te tonen.(162)
Wat betreft de enge verwanten, werd de "injure par ricochet" reeds voor het arrest van 16 januari 1976 aangenomen.(163) Het feit dat in dit verband regelmatig wordt aangehaald is de weigering van de betaling van onderhoudsgeld voor de kinderen (cfr. supra, A.3). Het nieuwe van het arrest van 1976 was dat in casu de grove belediging werd aangenomen n.a.v. de belediging van de bijzit van de andere echtgenoot voor prostitué terwijl niet was aangetoond dat deze vrouw een onzedelijk leven leidde.(164) Hoewel het menselijk karakter van deze beslissing werd toegejuichd, werd de juridische verantwoording ervan aan kritiek onderworpen. Zo betreurde RIGAUX de ambiguïteit van het arrest. Hij is van oordeel dat het Hof van Cassatie in dit arrest een onduidelijke verhouding schept tussen enerzijds het aanvaarden van de belediging van de bijzit door de bedrogen echtgenote, als grond tot echtscheiding; en anderzijds het sanctioneren van overspel zijnde een zware schending van de getrouwheidsplicht.(165)

III. CONCLUSIE
Deze conclusie beoogt echtscheiding op grond van grove beledigingen kritisch te benaderen. Vele auteurs hebben deze echtscheidingsgrond reeds bekritiseerd.(166) En het was eenvoudiger geweest een samenvatting te geven van hun competent oordeel. Dit heb ik bewust niet gedaan: het bestuderen van deze materie heeft mij toegelaten een eerder bescheiden eigen mening te ontwikkelen over deze echtscheidingsvorm. De echtscheiding op grond van grove beledigingen is dringend aan hervorming toe, en dit op grond van de volgende drie argumenten.
Het eerste argument is van historisch-sociologische aard. Art. 231 is nog steeds gegrond op het canoniek "schuld en boete"-beginsel. Ooit was echtscheiding sociaal en moreel onaanvaardbaar. Eén van de echtgenoten had zijn huwelijksplichten ernstig geschonden en zo een situatie in het leven geroepen die niet langer leefbaar was. Deze echtgenoot werd door het recht aangewezen als "dader" en als dusdanig gestraft.
Dit is m.i. op het einde van de 20e eeuw niet meer echt noodzakelijk. De echtscheiding is een sociologisch fenomeen geworden. De maatschappij heeft leren leven met het idee van het "mislukt huwelijk". Zou dit dan ook niet beter vertaald worden in een beter aangepaste rechtsnorm?
Een tweede argument betreft de taak van de rechter. Op dit ogenblik wordt van hem verwacht dat hij een perfect evenwicht zoekt tussen alle aangehaalde grieven (zonder ze evenwel te mogen compenseren), de waarheid ervan na te gaan en rekening te houden met het al dan niet overdreven karakter van de feiten. Hij moet, zo zegt het Hof van Cassatie, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en begrijpen wat er gedurende al die jaren is gebeurd. Hij moet oordelen in alle objectiviteit, maar vooral niet naar billijkheid(167), laat staan arbitrair. Hij zou wel eens kunnen worden teruggefloten door ons opperste rechtscollege. Er wordt van hem eigenlijk een talent van God de Vader verwacht terwijl hij ook maar een mens is. Zou het dan niet het recht en de maatschappij ten goede komen indien men zijn taak beperkte tot de vaststelling van de mislukking van het huwelijk, i.p.v. van hem te verwachten oplossingen te vinden voor problemen die met de beschikbare instrumenten niet oplosbaar zijn.(168)
Het derde argument is m.i. het belangrijkste omdat het de echtgenoten zelf betreft. Op dit moment moeten ze, indien ze niet kunnen komen tot een echtscheiding door onderlinge toestemming en ook geen vijf jaar willen wachten, terugvallen op Art. 229 en 231 B.W.. Er wordt van hen dus verwacht dat ze mekaar de meest vreselijke dingen naar het hoofd gooien om toch maar te kunnen voldoen aan de vereisten van de twee artikelen, terwijl de echtgenoten niet noodzakelijk zin hebben om heel hun echtelijk leven in een rechtszaal uit de doeken te doen. En indien ze wel zin hebben om wraak te nemen door een systematische weergave van de gebreken van de andere (hoe erger, hoe liever), dan moet het recht zeker niet het middel zijn om deze wraakzucht te bevredigen. Moet het recht niet eerder zorgen voor een zekere sereniteit ? Het huwelijk is een af te handelen hoofdstuk. Kan die afhandeling niet in de best mogelijke omstandigheden gebeuren, "Rater son mariage, mais réussir son divorce" ? Laten we afstappen van deze mensonwaardige en liefst sensationele uitstalling.
Bovendien moet men denken aan de situatie nà het uitspreken van de echtscheiding. Men moet een toekomst organiseren en leefbaar maken: onderhoudsgeld, bezoekrecht voor hond en kinderen, verdeling van de piano en van het fotoalbum. Immers, ooit hebben deze twee mensen van elkaar gehouden ...
Het blijkt dat de foutechtscheiding niet meer de beste oplossing biedt voor ernstige huwelijksproblemen. Men kan zich de vraag stellen of het wijzigen van het echtscheidingsrecht in de richting van een meer schuldloze echtscheiding niet opportuun zou zijn. Men zou, niet als enige , maar wel als een mogelijke echtscheidingsgrond de mislukking van het huwelijk kunnen invoeren en het de reeds emotioneel geaffecteerde echtgenoten besparen om in het openbaar hun "vuile was uit te pakken", liefst met de vrienden en buren als bevoorrechte getuigen.
U moet hier zeker niet een pleidooi voor één enkele grond in zien. Wij hebben in ons recht een belangrijk instrument voor echtgenoten die in staat zijn om hun echtscheiding zelf in handen te nemen en tot op een zeker niveau zelf te regelen, nl. de echtscheiding door onderlinge toestemming. Deze afschaffen zou m.i. een stap achteruit zijn. Integendeel, men zou zelfs een alternatieve vorm kunnen invoeren naar het Frans voorbeeld van de divorce sur demande de l'un des époux et accepté par l'autre. Hiernaast is er behoefte aan één of andere vorm van echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. Het is bijgevolg duidelijk dat de wetgever over voldoende alternatieven beschikt om de echtscheidingsgronden, en meer bepaald Art. 231 B.W., te hervormen.

1. De echtscheiding als sanctie is van canonieke oorsprong. Naar canoniek recht bestond de echtscheiding niet. Het kende alleen de nietigverklaring van het huwelijk en een vorm van scheiding van tafel en bed. In beide noties domineerde het sanctie-idee. De nietigverklaring of de scheiding van tafel en bed werden uitgesproken als straf voor het niet-naleven van de huwelijksplichten. Deze gedachte beheerst nog steeds de fout- of schuldechtscheiding en bijgevolg ook de echtscheiding op grond van grove beledigingen.
2. DE PAGE, o.c., 701; RIGAUX, o.c., 486.
3. Dit is o.a. de Nederlandse en de Duitse opvatting over de echtscheiding, cfr. voetnoot 7.
4. Hiermee is meteen gezegd dat de grove belediging geen afdoende grond is, d.w.z. dat een ernstige belediging op zich geen echtscheidingsgrond is. De rechter zal steeds moeten motiveren waarom hij in casu de echtscheiding heeft uitgesproken, nadat hij de feiten heeft getoetst aan een aantal voorwaarden. De vraag of er naar Belgisch recht afdoende echtscheidingsgronden bestaan, is betwist. Men is het er in de rechtsleer wel over eens dat alleen overspel hiervoor in aanmerking kan komen. Indien men aanvaardt dat overspel een afdoende grond is, is men tevens van oordeel dat, ongeacht de omstandigheden, overspel in se zodanig ernstig is dat de rechter in zijn echtscheidingsvonnis geen verdere motivering moet opnemen, tenzij wat betreft de aanwezigheid van het beledigend karakter. Cfr. o.a. VAN MEENEN, F., "Over afdoende en niet afdoende gronden tot echtscheiding", R.W., 1951-52, 1025 en 1057.
5. BENABENT, A., Droit civil, La famille, Parijs, Litec, 1994, 191-218; CARBONNIER, J., "La notion de cause de divorce", R.T.D.C., 1937, 281-313; CARBONNIER, J., "La question du divorce, mémoire à consulter", D., 1975, 115-122; COLOMBET, C., La famille, Parijs, Puf, 1994, 297-301; LINDON et BENABENT, Le droit du divorce, Parijs, Litec, 1984; LEGAL, A., "L'institution du divorce et le droit pénal", Mélanges VOIRIN, Parijs, L.G.D.J., 1967, 519-539; MALAURIE et AYNES, Droit civil, La famille, Parijs, Ed. Cujas, 1992, 215; MASSIP, J., La réforme du droit du divorce, I, Parijs, Répertoire du Notariat Defrenois, 1976, 55-63; WEIL en TERRE, Droit civil, Les personnes, la famille, les incapacités, Parijs, Dalloz, 1993, 388-397.
6. In Duitsland werd het echtscheidingsrecht door de wet van 14 juli 1976 hervormd. Het is sindsdien volledig verschillend van het Belgische en van het Franse recht. De wet van 1976 heeft één echtscheidingsgrond ingevoerd: de mislukking van het huwelijk. Hierdoor werd het foutbegrip consequent uit de echtscheidingsgronden geweerd (daar waar de hervorming van 1975 in Frankrijk het foutbegrip slechts aan belang heeft doen verliezen). De echtscheiding kan dus alleen worden uitgesproken indien de rechter de mislukking van het huwelijk ("... wenn sie gescheitert is.") vaststelt.
Dit is het geval wanneer het gemeenschappelijk leven van de echtgenoten werd beëindigd en wanneer men niet kan verwachten dat de echtgenoten dit zullen hervatten (§ 1565, al. 1 B.G.B.). De mislukking van het huwelijk is voldoende bewezen wanneer de echtgeno(o)t(en) kunnen aantonen dat de feitelijke scheiding reeds langer duurt dan drie jaar (§ 1566, al. 2 B.G.B.). In dat geval is de toestemming van de echtgenoot tegen wie de echtscheiding wordt gevorderd ook niet meer vereist, wat wél het geval is wanneer de feitelijke scheiding minder lang heeft geduurd dan drie jaar. Ingeval van § 1566 B.G.B. is er nog een middel om de echtscheiding te vermijden, nl. de Härtelklausel (§ 1568, al. 1 B.G.B.). Indien de rechter van oordeel is dat de echtscheiding een te grote hardheid voor de andere echtgenoot zou betekenen
of op een ernstige manier de belangen van de kinderen zou schaden, kan hij weigeren de echtscheiding uit te spreken; FURKEL, F., "La faute dans le divorce en droits français et allemand", R.I.D.C., 1982, 1153-1181; JOHANNES en HENRICH, Eherecht. Scheidung, Trennung, Folgen, München, C.H. Beck, 1987, 197-299; SCHWAB, D., Handbuch des Scheidungsrecht, München, Franz Vaklen, 1977, 34-67; VAN LOOK, M.,"Wet van 1 juli 1974, doorbraak van de schuldloze echtscheiding", R.W., 1974-75, 966.
7. MAYAUD, Y., "L'adultère, cause de divorce depuis la loi du 11 juillet 1975", R.T.D.C., 1980, 494.
8. BENABENT, A., o.c., 1994, p. 198, nr. 240.
9. COLOMBET, C., o.c., p. 301.
10. Civ. 2e, 11 januari 1989, J.C.P., 89, II, 21212 met noot.
11. COLOMBET blijft zijn standpunt verdedigen, en dit ongeacht dit arrest. Volgens hem kan aan het arrest immers de draagwijdte worden gegven die men zelf wenst, afhankelijk van de interpretatie; COLOMBET, A., o.c., p. 301.
12. Naar Belgisch recht wordt het onderscheid tussen afdoende en facultatieve echtscheidingsgronden door sommige auteurs gemaakt. Zij stellen dat overspel (anders dan in Frankrijk) een afdoende echtscheidingsgrond is. Eens de rechter het overspel vaststelt (en het beledigend karakter ervan !) moet hij de echtscheiding uitspreken en dit zonder een oordeel te vellen over de ernst van de feiten (wat wel het geval is bij gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen). Bij facultatieve gronden (Art. 231 B.W.) moet de rechter wél oordelen over de ernst van de feiten (en dit ook expliciet opnemen in de motivering van zijn vonnis) vooraleer hij de echtscheiding kan toestaan. Dit onderscheid wordt echter betwist (cfr. voetnoot 5).
13. Naar Belgisch recht dienen vijf voorwaarden te worden vervuld: de schending van een huwelijksplicht (1) die vier kenmerken vertoont: ernstig (2), vrijwillig en toerekenbaar (3), beledigend (4) en daterend van tijdens het huwelijk (5); cfr. I.
14. o.a. de getrouwheidsplicht (overspel, maar ook intimiteit met anderen, Civ 2e, 12 juni 1963, C.C.C.I., II, nr. 434, p. 322, en homoseksualiteit, Civ. 2e, 21 december 1960, C.C.C.I., II, nr. 338, p.251), de plicht tot hulp en bijstand (Civ. 2e, 11 april 1964, C.C.C.I., II, nr. 276, p. 210), de samenwoningsplicht met samenhangende plicht tot seksuele betrekkingen.
15. Denk in dit verband o.a. aan beledigingen en aan gewelddaden, Civ. 2e, 31 maart 1978, C.C.C.I., II, p. 74.
16. BENABENT, A., o.c., nr. 248, p. 205.
17. COLOMBET, C., o.c., nr. 253, p. 300.
18. Brussel, 7 juni 1968, Pas., II, 251; Bergen, 4 oktober 1990, J. Proc., 1991, afl. 195, 28.
19. BAETEMAN, G., o.c, 389-392; BAETEMAN, G. en GERLO, J., Het echtscheidingsrecht in België na de hervorming 1974-75, Supplement deel 1976-81, Gent, Story Scientia, 1982, 5-7; BAX, M. "Echtscheiding op grond van bepaalde feiten" in BAETEMAN, G., Het echtscheidingsrecht in België na de hervorming 1974-75, Gent, Story Scientia, 1977, 4-11; DE PAGE, H. , o.c., 692-696; de WILDE d'ESTMAEL, E., Séparation de fait, de corps. Divorce, Brussel, Servais-Creadif, 1989, 36; DUELZ, A., Le droit du divorce, Brussel, De Boeck, Université, 1989, 35-37; GERLO, J., Personen- en Familierecht, Brussel, Story Scientia, 1991, 187-188; HEYVAERT, A., Personen-, Gezins- en Familierecht, s.l., 1989, p. 369-371; HEYVAERT, A., "Echtscheiding op grond van bepaalde feiten", in SENAEVE, P., Echtscheiding, Leuven, Acco, 1990, 44-58; MASSON, J.-P., "Examen de jurisprudence (1984-1990), Les personnes", R.C.J.B., 1993, 343; PASQUIER, A., Précis du divorce et de la séparation de corps, Brussel, Larcier, 1959, 96; PUTZEYS, G. en GOOVAERTS, L., Le divorce avant, pendant, après, Brussel, Vokaer, 1976, 16; RIGAUX, F., o.c., 486-493; SENAEVE, P., Compendium van het Personen- en Familierecht, III, Leuven, Acco, 1992-93, p. 92-98.
20. De extensieve interpretatie van het begrip "huwelijksplicht" wordt ook in het kader van andere procedures tussen echtgenoten gehanteerd. Dit is bijvoorbeeld het geval in het kader van voorlopige maatregelen m.b.t. het vermogen; PINTENS, W. en SINTOBIN, N., "De maatregelen aangaande het vermogen van de echtgenoten", in SENAEVE, P., Voorlopige maatregelen tussen echtgenoten (Art. 223 B.W. en Art. 1280 Ger. W., Leuven, Acco, 1989, p. 225, n° 233.
21. Te verwerpen zijn o.a. de echtscheidingen toegestaan op grond van incompatibiliteit van karakter, impotentie, steriliteit van de vrouw of nog ernstige ongeneeslijke ziekte (zoals epilepsie). Deze twee laatste gronden zijn wel verdedigbaar indien het feiten betreft die reeds voor het huwelijk aanwezig waren en verborgen werden gehouden, cfr. E. Een randopmerking die kan gemaakt worden ingeval van echtscheiding toegestaan omwille van de ongeneeslijke ziekte van één der echtegenoten, is de vraag naar het eerbiedigen van de plicht tot bijstand.
22. De ernst van de feiten blijkt uit de omstandigheden ingeval van mishandelingen, gewelddaden en grove beledigingen, maar volgt uit de wet wat het overspel betreft. Wel dient steeds (ook ingeval van overspel) het beledigend karakter te worden aangetoond; "Quelle que soit la cause
déterminée - adultère ou injure grave - invoquée par l'époux demandeur en divorce, le manquement de son conjoint aux obligations nées du mariage doit, pour justifier le divorce à son profit, être gravement injurieux envers lui.", Brussel, 19 maart 1979, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 302; Rb. Luik, 6 april 1986, Jur. Liège, 1982, 250.
23. Cass., 27 januari 1955, Pas., 1955, I, 553; Rb. Kortrijk, 14 juli 1950, J.T., 1951, 164; Rb. Luik, 25 april 1985, Jur. Liège, 1986, 137.
24. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980, 1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093, noot; Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 285.
25. Cass., 5 oktober 1961, Pas., 1962, I, 147; Cass., 17 november 1989, R.W., 1989-90, 956, Arr. Cass., 1989-90, nr. 171, Pas., 1990, I, 334, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 354; Brussel, 29 juni 1983, Rev. Trim. Dr. Fam., 1985, 318.
26. Cass. fr., 3 augustus 1890, D., 1891, I, 365; Brussel, 25 mei 1965, R.W., 1965-66, 102, Pas., 1966, II, 134; Rb. Luik, 15 maart 1983, Jur. Liège, 1983, 278. Zo zal tegen een krankzinnige zonder heldere tussenpoos op het ogenblik van de feiten, geen echtscheiding op grond van feiten kunnen worden uitgesproken. Anderzijds zal het handelen o.i.v. overdreven inname van medicijnen niets veranderen aan de toerekenbaarheid van de dader, Rb. Luik, 8 november 1984, Jur. Liège, 1985, 93, Rev. Trim. Dr. Fam. , 1986, 64. Dit is niet zo indien de echtgenoot gehandeld heeft o.i.v. dolle waanzin waardoor hij niet meer toerekeningsvatbaar was voor zijn daden, Cass. fr., 15 mei 1912, D., 1912, I, 303.
27. Dit bewijs zal ook moeten worden geleverd indien de strafrechter op grond van dezelfde feiten heeft vrijgesproken omwille van "l'aberration momentanée", Brussel, 17 april 1970, Pas., 1970, II, 171.
28. De rechter dient zowel de toerekenbaarheid van de echtgenoot-dader als het materieel karakter van de feiten te beoordelen, Cass., 24 april 1902, Pas., 1902, I, 211.
29. Cass., 18 september 1981, R.W., 1981-82, 1743, Rev. Trim. Dr. Fam., 1983, 383.
30. De internering van de verweerder-echtgenoot op het ogenblik van de feiten is geen voldoende bewijs voor zijn ontoerekeningsvatbaarheid; Brussel, 26 februari 1955, J.T., 1955, 331; Brussel, 25 mei 1965, reeds gecit.; Rb. Brussel, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 328.
Dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van een deskundig onderzoek; Brussel, 23 mei 1953, J.T., 1953, 599; Rb. Luik, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 328 (hoewel de rechter de vordering ongegrond verklaart, maar om andere motieven).
31. Cass., 26 februari 1990, R.W., 1989-90, 1223, advies LENAERTS, H., Pas., 1990, I, 753, noot, J.T., 1991 (verkort), 30, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 361, Arr. Cass., 1989-90, nr. 389, concl. Adv. Gen. LENAERTS, H.; Luik, 5 maart 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 31.
32. De theorie van de onachtzaamheid of van de onvoorzichtigheid (Art. 1383 B.W.) is niet van toepassing in het echtscheidingsrecht.
33. Dit aannnemen zou betekenen (in een tot het in het absurde gedreven voorbeeld) dat men geen echtscheiding zou kunnen uitspreken tegen een echtgenoot die overspel pleegt, maar het zorgvuldig verbergt om zijn vrouw niet te kwetsen.
34. RENCHON omschrijft het beledigend karakter als volgt: "Etre blessé dans son honneur, dans sa dignité, dans son identité, dans sa différence, en raison de l'attitude dominatrice, humiliante, méprisante, intolérante d'un autre homme, tel est, me paraît-il, le sentiment de l'offense", RENCHON, J.L., "L'adultère outrageant", Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 213; vgl. "Beledigingen zijn morele mishandelingen en veronderstellen de aantasting van de morele integriteit van de persoon: de eer, de goede naam of het aanzicht van de persoon worden gekrenkt, rechtstreeks of onrechtstreeks", BAETEMAN, G., o.c., 400.
35. Dit was voor de hervorming van het echtscheidingsrecht, ook zo in Frankrijk; CARBONNIER, J., "La notion de cause de divorce", R.T.D.C., 1937, 281-313.
36. Cass., 1 februari 1957, Arr. Cass., 1957, 418; sedertdien bevestigd, desnoods in een andere bewoording door o.a.: Cass., 5 november 1965, Pas., 1966, I, 302; Cass., 29 maart 1973, Arr. Cass., 1973, 763, Pas., 1973, I, 725, concl. Adv. Gen. GANSHOF VAN DER MEERSCH, W., R.W., 1973-74, 29, Rev. Not. B., 1975, 143; Cass., 10 januari 1975, Pas., 1975, I, 488, Arr. Cass., 1975, 528; Cass., 19 november 1976, Pas., 1977, I, 314, Arr. Cass., 1977, 317; Cass., 6 oktober 1978, Pas., 1979, I, 172, Rev. Trim. Dr. Fam., 1979, 365, R.W., 1978-79, 1179, noot PAUWELS, J., Arr. Cass., 1978-79, 154; Cass., 31 januari 1979, Arr. Cass., 1978-
79, 617; Cass., 24 juni 1982, Pas., 1982, I, 1248, J.T., 1982, 815, R.C.J.B., 1985, 557, noot BAETEMAN, G.
37. Cass., 26 februari 1990, reeds gecit.; vgl Cass., 24 juni 1982, Pas., 1982, I, 1248, J.T., 1982, 815, R.C.J.B., 1985, 557, noot BAETEMAN, G., "L'adultère, cause de divorce: application et évolution"; Brussel, 26 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 319; RENCHON, J.L., o.c., 213-281; contra RIGAUX, F., o.c., p. 490, n° 1958.
38. Dat de schuldige echtgenoot met vrije wil handelingen heeft verricht, waarvan hij moest weten dat de gevolgen krenkend zouden zijn voor de andere echtgenoot en dat die krenking zwaar was, Cass., 26 februari 1990, reeds gecit.
39. Cass., 24 juni 1982, reeds gecit.; Cass. 8 maart 1984, Pas., I, 1984, 801, J.T., 1984, 426, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 299, de omstandige noot van RENCHON, J.L., o.c., 213-281; Cass., 17 januari 1985, Pas., 1985, I, 570; R.W., 1985-86, 1565; Cass., 4 september 1986, Pas., 1987, I, 23.
40. Cass., 17 november 1989, R.W., 1989-90, 956, Arr. Cass., 1989-90, nr. 171, Pas., 1990, I, 334.
41. Cass., 1 februari 1957, reeds gecit.; Cass., 6 december 1974, Arr. Cass., 1975, 410, Pas., 1975, I, 378; Cass., 10 januari 1975, reeds gecit.; Cass., 19 november 1976, reeds gecit.; Cass., 6 oktober 1978, reeds gecit., Cass., 2 mei 1980, reeds gecit. Wat betreft het overpel moet niet het beledigend karakter worden aangetoond, maar wel het niet-beledigend karakter. Dit volgt uit het feit dat overpel op een weerlegbare wijze vermoed wordt beledigend te zijn, Luik, 25 maart 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 35; Luik, 10 juni 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 38; Luik, 4 februari 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 78; Luik, 6 april 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 85.
42. Cass., 30 januari 1936, Pas., 1936, I, 137; Cass., 29 maart 1973, reeds gecit.; Brussel, 13 mei 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 306; Rb. Nijvel, 1 maart 1983, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 340; Rb. Doornik, 16 mei 1988, Jur. Liège, 1988, 1477.
43. Brussel, 19 maart 1979, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 302, Antwerpen, 1 december 1980, R.W., 1980-81, 1836; Rb. Brugge, 16 september 1977, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 400; BAETEMAN, G., "L'adultère, cause de divorce: application et évolution", R.C.J.B., 1985, 565, nr. 11; J. E.,"De la compensation des torts à leur atténuation", J.T., 1973, 540.
44. Cass., 5 november 1965, Pas., 1966, I, 302; Cass., 29 maart 1973, reeds gecit.; BAETEMAN, G., GERLO, J., GULDIX, E., DE MULDER, W. en DE WIT, R., "Overzicht van rechtspraak, Personen- en Familierecht (1981-87)", T.P.R., 1988, 467-522.
45. Cass., 10 mei 1963, Pas., 1963, I, 965; Cass., 29 november 1974, Arr. Cass., 1975, 378, Pas., 1975, I, 348; Rb. Brugge, 16 september 1977, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 400; VIEUJEAN, E., "Divorce et séparation de corps pour cause déterminée en droit civil", in Le contentieux conjugal: aspects sociologique, civil, judiciaire, social, fiscal et international, Liège, Jeune Barreau Liège, 1984, 64, nr. 4 in fine; BAETEMAN, G., "L'adultère, cause de divorce: application et évolution", noot onder Cass., 24 juni 1982, R.C.J.B., 1985, 562; BAETEMAN, G., GERLO, J., GULDIX, E., DE MULDER, W. en DE WIT, R., "Overzicht van rechtspraak, Personen- en Familierecht (1981-87)", T.P.R., 1988, 480; J.E., "De la compensation des torts à leur atténuation", J.T., 1973, 540.
46. RIGAUX, F., o.c., p. 506, n° 2027.
47. Dit zou leiden tot het volgende verschijnsel: zelfde feiten zouden in de ogen van de echtgenoot niet voldoende ernstig zijn om het huwelijk te verhinderen, maar wel om achteraf de echtscheiding te vorderen, cfr. BAETEMAN, G., o.c., 392.
48. DE PAGE, H., o.c., 696.
49. Uit de algemene bekendheid volgt immers dat de echtgenoot de feiten kende of verondersteld kon worden deze te kennen.
50. De feiten gepleegd voor het huwelijk die het meest worden aanvaard als grond tot echtscheiding zijn o.a.: het bestaan van een buitenechtelijk kind, Brussel, 10 oktober 1963, Pas., 1964, II, 268; het hebben van een venerische ziekte (op voorwaarde dat ze werd overgedragen aan de partner), Rb. Brussel, 7 maart 1956, Rev. Dr. Fam., 1956, 138; Rb. Hasselt, 26 oktober 1960, J.L.M.B., 1961-62, 99; Cass. fr., 30 november 1925, Gaz. du Pal., 1926, I, 209; impotentie (op voorwaarde dat de toestand gekend was en wetens en willens werd verborgen aan de andere echtgenoot), Antwerpen, 21 januari 1957, R.W., 1957-58, 231; Luik,
20 oktober 1965, R.W., 1968-69, 361; Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599; Rb. luik, 22 oktober 1946, J.T., 1947, 8; Rb. Brussel, 24 januari 1964, Pas., 1965, III, 2 (in Frankrijk werd de impotentie, gekend maar verborgen voor het huwelijk reeds sinds 1903 aanvaard als grond tot echtscheiding, cfr. o.a. Orléans, 4 maart 1903, D.P., 1905, 2, 67; Cass. fr., 25 januari 1922, D.P., 1924, 1, 7; steriliteit van de vrouw (deze situatie vertoont heel veel gelijkenissen met de impotentie van de man, de voorwaarde is hier ook het kennen van de toestand en ze weten en willens voor de andere echtgenoot verbergen. De Franse rechtspraak gaat verder dan de Belgische. In Frankrijk wordt de echtscheiding omwille van de verborgen steriliteit zelfs uitgesproken nà een heelkundige ingreep, en dit gegrond op de redenering dat deze ingreep geen garantie geeft op moederschap, Cass. fr., 7 mei 1951, D., 1951, 472). Epilepsie wordt niet aanvaard vermits men van oordeel is dat deze ziekte de echtelijke samenleving niet bedreigd, Brussel, 19 december 1972, J.T., 1973, 124; een vroeger kloosterleven wordt evenmin aanvaard, Gent, 13 juli 1950, Pas., 1951, II, 15.
51. Cass., 17 juli 1925, Pas., 1925, I, 370; DE NEEF, A., "Studie van de rechtspraak over feiten daterende van vóór het huwelijk", R.W., 1959-60, 1873-1890.
52. Men kan als tegenargument verwijzen naar de bekende spreuk van LOYSEL: "En mariage, trompe qui peut". Het lijkt echter simplistisch, een oude spreuk, resultaat van een volkstraditie, te gebruiken om het onaanvaardbaar gedrag van een echtgenoot vóór het sluiten van het huwelijk goed te praten. Bovendien lijkt het belang van "Fraus omnia corrumpit" ongetwijfeld groter te zijn, DEKKERS, R., "En mariage, trompe qui peut", R.W., 1957-58, 1177.
53. Cass., 4 juni 1925, Pas., 1925, I, 271; Brussel, 19 december 1972, reeds gecit.; DEKKERS, R., o.c., 1177; DE PAGE, H., o.c., 696; DERINE, R., "Het dwalingsgebrek in de toestemming tot huwelijk" R.W., 1955-56, 1313-1332.
54. Cass., 6 februari 1976, R.W., 1976-77, 807; Luik, 17 december 1990, Rev. Trim. Dr. Fam., 1992, 285, J.L.M.B., 1991, 398; Rb. Turnhout, 30 april 1987, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989,
426; Rb. Hasselt, 22 december 1987, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 422; Rb. Luik, 26 april 1990, J.L.M.B., 1991, 122.
55. Dit kan in zekere zin worden vergeleken met de situatie die ontstaat nà het uitspreken van de scheiding van tafel en bed: het feit dat de echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden verandert in principe niets aan hun verplichting (tenzij, uiteraard, aan de samenwoningsplicht), de huwelijksplichten moeten verder worden nageleefd, met inzonderheid de getrouwheidsplicht, het huwelijk is immers nog steeds niet ontbonden. Hetgeen wél verandert na deze uitspraak, is de praktische inhoud van de huwelijkplichten, cfr. bv. de plicht tot hulp en bijstand: de echtgenoten zullen niet langer moeten delen in de lasten van het huwelijk, maar het zal in de praktijk worden ingevuld door het toestaan van onderhoudsgeld aan de behoeftige echtgenoot, terwijl de plicht tot bijstand zal vervallen.
56. Brussel, 18 april 1988, J.L.M.B., 1988, 1465, Rev. Trim. Dr. Fam., 1988, 545.
57. Rb. Namen, 5 april 1989, J.L.M.B., 1989, 1070.
58. In verband met de geciteerde rechtspraak en de geraadpleegde bronnen moeten twee voorafgaandelijke opmerkingen worden gemaakt. Vooreerst wordt hier een overzicht gegeven, d.w.z. dat deze uiteenzetting de algemene lijnen poogt weer te geven zonder de exhaustiviteit ervan te ambiëren. De tweede opmerking betreft de citeerwijze. Het leek mij niet nuttig bij elk onderdeel alle geraadpleegde bronnen opnieuw te citeren. Men kan er bijgevolg steeds van uitgaan dat voor elk onderwerp informatie werd geput uit de overzichten van rechtspraak opgenomen in de bibliografie en uit de belangrijkste referentiewerken. Bijgevolg zal één van
deze bronnen slechts uitdrukkelijk worden vermeld indien het gaat om een interessante of originele bijdrage over dat onderwerp.
59. Men kan zich echter soms de vraag stellen of men redelijkerwijze wel mocht aanvaarden dat aan de voorwaarden was voldaan. Dit is echter een randopmerking die verband houdt met de (voor kritiek vatbare) heel extensieve interpretatie van Art. 231 B.W.
60. HOFSTRÖSSLER, P., "Sex, verlating van de echtelijke verblijfplaats en grove belediging", noot onder Gent, 10 oktober 1994, A.J.T., 1994-95, 165.
61. Brussel, 4 januari 1982, Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 267 waarin een stricte interpretatie van het beginsel wordt voorgeschreven; Rb. Luik, 30 mei 1985, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 385.
62. Cfr. bv. Brussel, 4 januari 1982, Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 267; Rb. Brussel, 29 november 1972, J.T., 1973, 224; Rb. Antwerpen, 15 maart 1979, Rev. Trim. Dr. Fam., 1979, 404; Rb. Luik, 28 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 376; Rb. Hasselt, 12 april 1989, T.B.B.R., 1990, 165.
63. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599; Luik, 26 juni 1978, J.T., 1978, 707; Rb. Brussel, 11 juni 1965, R.W., 1967-68, 944; Rb. Gent, 23 december 1967, R.W., 1968-69, 798.
64. Cass., 11 december 1980, Pas., 1981, I, 418; Luik, 13 juni 1988, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 409; Gent, 10 oktober 1994, A.J.T., 1994-95, 163.
65. Cass., 26 februari 1990, R.W., 1989-90, 1223, advies LENAERTS, H., Pas., 1990, I, 753, J.T., 1991 (verkort), 30, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 361, Arr.Cass., 1989-90, nr. 389, concl. Adv. Gen. LENAERTS, H.
66. Rb. Luik, 28 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 376; Rb. Hoei, 14 april 1980, Jur. Liège, 1982, 134, in casu had de vrederechter o.g.v. Art. 214 B.W. een beschikking genomen waarbij hij op verzoek van de man een nieuwe echtelijke verblijfplaats vastlegde en die beschikking had betekend aan diens echtgenote. Zij moest deze beschikking naleven.
67. Luik, 13 juni 1988, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 412; Luik, 25 maart 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 35; Rb. Luik, 30 mei 1985, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 385.
68. Brussel, 16 februari 1963, J.T., 1963, 402; Rb. Hasselt, 12 april 1989, T.B.B.R., 1990, 165
69. Cass., 6 oktober 1978, Pas., 1979, I, 172, Rev. Trim. Dr. Fam., 1979, 365, R.W., 1978-79, 1179, Arr. Cass., 1978-79, 154; vgl. Cass. fr. 6 oktober 1976, D., 1977, I.R., 20.
70. Zo zal een echtgenoot niet mogen dreigen de kinderen naar het buitenland mee te nemen indien zijn vrouw weigert het samenwonen te hervatten. Dit geldt ook indien deze dreigementen waren ingegeven door de liefde van de man voor zijn vrouw; Cass., 18 september 1981, R.W., 1981-82, 1743, Rev. Trim. Dr. Fam., 1983, 383.
71. Brussel, 4 januari 1982, Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 267.
72. Rb. Hoei, 8 februari 1984, Jur. Liège, 1984, 170, Pas., 1984, III, 58.
73. Rb. Brussel, 5 oktober 1988, Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 98.
74. Rb. Gent, 23 december 1967, R.W., 1968-69, 798: de mishandelingen werden in dit verband aangehaald als grove beledigingen omdat ze niet voldoende nauwkeurig konden worden bewezen om een vordering o.g.v. mishandelingen te verantwoorden.
75. Het begrip "normaal geslachtsverkeer" kent geen duidelijke definitie. Het is een begrip dat relatief en tijdsgebonden is; cfr. HEYVAERT, A., "De gronden tot echtscheiding wegens fout", in SENAEVE, P., Echtscheiding, Leuven, Acco, 1990, 65.
76. Cass., 5 april 1974, Pas., 1974, I, 819; Antwerpen, 7 december 1960, R.W., 1960-61, 1579; Brussel, 28 juni 1988, R.W., 1988-89, 340; Gent, 10 oktober 1994, A.J.T., 1994-95, 163; Rb. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599.
77. Luik, 20 oktober 1965, R.W., 1968-69, 361; Rb. Brussel, 24 januari 1964, Pas., 1965, III, 2; Rb. Brussel, 25 juni 1964, Pas., 1965, III, 101; EMSENS, P., "Verstoorde sexuele betrekkingen tussen de echtgenoten als grond tot echtscheiding", Jura Falc., 1971-72, 21; VIEUJEAN, E., o.c., R.C.J.B., 1970, 580-583. Raadpleeg ook de algemene voorwaarden (E) over de invloed van de feiten die werden gepleegd voor het huwelijk of die werden verzwegen.
78. Cass. fr., 16 december 1963, J.C.P., 1964, II, 13660; Rb. Neufchateau, 3 juni 1987, Jur. Liège, 1988, 120.
79. Men kan zich de vraag stellen hoe rechtbanken de grens trekken tussen de drie hypothesen: de ongeneeslijke impotentie die slechts een grond tot echtscheiding is wanneer ze voor het huwelijk bewust werd verborgen, de geneeslijke impotentie die slechts dan foutief is wanneer de man weigert zich te onderwerpen aan de nodige geneeskundige behandeling en de gewilde weigering om enige geslachtsbetrekking te hebben met zijn echtgenote.
80. Cass., 6 oktober 1988, R.W., 1989-90, 1224, Arr.Cass., 1988-89, nr. 77, Pas., 1989, I, 136, Bull., 1989, 136.
81. Cfr. in dit verband DERKENS, R., "De artificiële filiatie", T.P.R., 1975, 377. Het probleem van de kunstmatige inseminatie wordt ook wel eens gezien als een schending van de getrouwheidsplicht, zonder dat er sprake kan zijn van overspel.
82. Contra Lyon, 28 mei 1956, D, 1956, J., 646, noot BRETON, A.. Het betrof een geval van kunstmatige inseminatie met sperma van een donor. In casu besliste het Hof dat de toestemming van de echtgenoot geen hindernis was om het feit als grove belediging te kwalificeren. Dit werd sterk bekritiseerd, en terecht. De toestemming van de echtgenoot is onverenigbaar met de vereiste van "ernstig beledigend karakter", inherent aan de notie van "divorce-sanction". Deze stelling hoort gelukkig tot de rechtsgeschiedenis.
83. Cass., 18 november 1954, Pas.,, 1955, I, 252. Het beledigend karakter zal ook niet vervallen ingeval van overeenkomst tussen de echtgenoten waarin afstand wordt gedaan van de getrouwheidsplicht; Brussel, 5 maart 1955, J.T., 1955, 385.
84. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980, 1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093.
85. De vriendschappelijke relatie die een bedrogen vrouw onderhoudt met een andere man zonder deze relatie voor de buitenwereld te verbergen, kan door de man als beledigend worden ervaren; Rb. Luik, 4 oktober 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 334.
86. Rb. Brussel, 30 maart 1977, R.W., 1977-78, 192.
87. Cass., 20 december 1961, Pas., 1961, I, 537; Brussel, 13 december 1969, Rev. Trim. Dr. Fam., 1970, 48; Luik, 25 januari 1978, Rev. Trim. Dr. Fam., 1978, 168.
88. Parijs, 14 april 1970, D., 1970, s., 133.
89. Cass., 20 januari 1961, Pas., 1961, I, 537; Brussel, 13 december 1969, Rev. Trim. Dr. Fam., 1970, 48; Rb. Luik, 28 mei 1985, Jur. Liège, 1986, 140; Rb. Luik, 26 maart 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 134; contra Luik, 5 april 1978, Rev. Rég. Dr., 1978, 584.
90. Luik, 6 juni 1984, Jur. Liège, 1984, 409; Bergen, 21 april 1988, Journ. Proc., 1988, n° 130, 32; Rb. Brussel, 6 juni 1961, Rev. Trim. Dr. Fam., 1961, 164.
91. Rb. Luik, 4 oktober 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 335.
92. Parijs, 13 februari 1986, Gaz. Pal., 1986, 216.
93. Voor een bespreking van de erkenning van deze grove belediging in haar "beginjaren", cfr. DEBRA, F., "De belediging van erge aard als grond tot echtscheiding in de Belgische rechtspraak", Rechtsk. T., 1933, 542.
94. Rb. Brussel, 11 juni 1965, R.W., 1967-68, 944.
95. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599; Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T., 1966, 175; Rb. Brussel, 29 november 1972, J.T., 1973, 224, ook cfr. infra, B.5 over de strafrechtelijke veroordeling als grove belediging.
96. Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T., 1966, 175.
97. Luik, 31 maart 1961, R.W., 1962-63, 271.
98. Cass., 24 februari 1978, R.W., 1978-79, 1032.
99. Brussel, 13 september 1961, Pas., 1963, II, 156.
100. Raadpleeg in dit verband in het bijzonder MENNENS, W., "Echtscheiding op grond van geloofsconflicten", Jura Falc., 1964-65, 109; RIGAUX, F., "L'exercice, par un époux de la liberté de changer de religion ou de conviction", noot onder Antwerpen, 19 december 1977, R.C.J.B., 1980, 198-209.
101. Rb. Tongeren, 7 juni 1935, Pas., 1936, III, 148.
102. Parijs, 12 januari 1972, D., 1972, J., 217; Amiens, 3 maart 1975, D., 1975, 706, n. GERALDY, Y.
103. Rb. Luik, 20 december 1988, J.L.M.B., 1989, 134.
104. Cass. fr., 19 juni 1975, D., 1975, I.R., 208; Amiens, 3 maart 1975, D., 1975, 706; Grenoble, 4 juni 1991, J.C.P., 1991, II, 21744, n. HAUSER, J.; Antwerpen, 19 december 1977, R.W., 1979-80, noot PAUWELS, J., 707, R.C.J.B., 1980, 195, noot RIGAUX, F., "L'exercice, par un époux de la liberté de changer de religion ou de conviction", Rev. Trim. Dr. Fam., 1980, 109; Rb. Hasselt, 12 juni 1984, R.W., 1984-85, 1087, noot PINTENS; Rb. Luik, 20 december 1988, J.L.M.B., 1989, 134: een grove belediging bestaat van zodra een van de echtgenoten zich niet van zijn echtelijke plichten kwijt met de bedoeling de andere echtgenoot te kwetsen. De man die zich na het huwelijk heeft bekeerd tot de godsdienst van de getuigen van Jehova en ten gevolge daarvan zijn echtgenote en kind verbiedt deel te nemen aan om het even welke sociale activiteiten ook, maakt zich schuldig aan grove belediging.
105. Gent, 31 januari 1947, R.W., 1948-49, 627; Rb. Luik, 12 december 1978, Jur. Liège, 1979, 150.
106. Rb. Brussel, 15 april 1955, Pas, 1956, III, 58, J.T., 1955, 544.
107. In verband met kinderen dient ook te worden gewezen op Art. 373 B.W. dat bepaalt dat de ouderlijke macht toekomt aan beide ouders en dat bijgevolg niet kan worden aanvaard dat één van de ouders, alleen dit recht zou uitoefenen.
108. MASSON, J., "Les Personnes, examen de jurisprudence (1984-90)", R.C.J.B., 1993, 353; PINTENS, W., "Echtscheiding", T.P.R., 1985, 6; RIGAUX, F., "L'exercice, par un époux de la liberté de changer de religion ou de conviction", noot onder Antwerpen, 19 december 1977, R.C.J.B., 1980, 198.
109. Brussel, 12 november 1984, R.W., 1985-86, 189.
110. Rb. Luik, 26 april 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 52.
111. Brussel, 12 november 1984, R.W., 1985-86, 189, waar het in casu ging om de vordering van dringende voorlopige maatregelen.
112. Rb. Namen, 3 december 1980, Rev. Rég. Dr., 1981, 151; Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 295.
113. Rb. Hasselt, 22 december 1992, Limb. Rechtsl., 1993, 223.
114. Brussel, 12 maart 1982, Pas., 1982, II, 83.
115. Rb. Charleroi, 31 januari 1989, J.L.M.B., 1990, 738.
116. Rb. Antwerpen, 1 maart 1971, R.W., 1970-71, 1577.
117. De echtgenoten kunnen hiervoor verschillende motieven hebben. Zo kan men bv. denken aan het gebruik van de vordering als een drukkingsmiddel tegen de andere echtgenoot.
118. Dit is dus het geval indien blijkt dat de aangevoerde feiten manifest ongegrond zijn of dat ze niet meer bewijsbaar zijn.
119. Luik, 7 december 1987, Rev. Trim. Dr. Fam., 1989, 67; Luik, 17 december 1990, Rev. Trim. Dr. Fam., 1992, 285, J.L.M.B., 1991, 398; Rb. Aarlen, 29 maart 1991, Rev. Rég. Dr., 1991, 437.
120. Rb. Luik, 26 april 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 52.
121. Brussel, 2 maart 1964, Pas., 1965, II, 91.
122. De revolutionaire wet van 1792 bood deze mogelijkheid wél, nl. dankzij de echtscheidings-grond van "incompatibilité d'humeur".
123. Brussel, 10 oktober 1951, Pas., 1952, II, 75.
124. Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 285.
125. Luik, 15 juni 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 100.
126. Luik, 7 april 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 88.
127. Luik, 25 maart 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 35.
128. Luik, 25 april 1989, J.L.M.B., 1989, 1197.
129. Antwerpen, 21 november 1960, R.W., 196-61, 998.
130. Rb. Antwerpen, 24 maart 1975, R.W., 1974-75, 2542.
131. Antwerpen, 21 november 1960, R.W., 1960-61, 998; Brussel, 13 oktober en 18 december 1961, Pas., 1963, II, 156; Rb. Bergen, 14 januari 1965, J.T., 1966, 175. Luiheid kan eventueel ook worden gezien als een schending van de plicht tot hulp en bijstand.
132. Cass., 27 april 1978, Pas., 1978, I, 990.
133. Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 295.
134. Cass. fr., 10 februari 1972, D., 1972, 379.
135. De materiële problemen die rechtstreeks in verband staan met de hulpplicht werden reeds besproken, en zullen bijgevolg niet meer aan bod komen, cfr. A.3.
136. PASQUIER, A., o.c., 89.
137. Luik, 23 september 1991, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 61.
138. Brussel, 26 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 319.
139. Rb. Luik, 23 februari 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 369.
140. Brussel, 29 juni 1983, Rev. Trim. Dr. Fam., 1985, 318; Rb. Luik, 23 februari 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 369.
141. Rb. Brussel, 22 mei 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 295.
142. Brussel, 19 januari 1982, Rev. Not. B., 1982, 25, Rev. Trim. Dr. Fam., 1982, 270, noot MAHILLON.
143. Echter, het oplopen van een correctionele of een criminele straf is, sinds de opheffing van Art. 232 B.W. door de wet van 15 december 1949, op zichzelf geen grove belediging meer. Voor een beschrijving van de situatie voor de opheffing van Art. 232 B.W., cfr. DEBRA, "De belediging van erge aard als grond tot echtscheiding in de Belgische rechtspraak", Rechtsk. T., 1934, 332-343.
144. Brussel, 17 april 1970, Pas., 1970, II, 171; cfr. in dit verband ook de algemene voorwaarden, C (vrijwillig- en toerekenbaarheid). Deze tendens om inzake echtscheiding minder snel de ontoerekenbaarheid van de echtgenoot aan te nemen, was het antwoord op een lacune in het Belgisch echtscheidingsrecht vooral voor de hervorming van 1974. Het was voor 1974 inderdaad onmogelijk om een echtscheiding te bekomen tegen een krankzinnige of ontoerekenbare partner. De wet van 1974 heeft dit in zekere zin verholpen door het invoeren van de echtscheiding op grond van (nu) vijf jaar feitelijke scheiding en de echtscheiding op grond van (nu) vijf jaar feitelijke scheiding n.a.v. de krankzinnigheid of de ernstige geestesgestoordheid.
145. Luik, 2 juni 1959, Rev. Dr. Fam., 1959, 405; Brussel, 13 september 1961, Pas., 1963, II, 156; Brussel, 18 december 1961, Pas., 1963, II, 156; Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 285; Rb. Nijvel, 18 oktober 1961, Rev. Dr. Fam., 1962, 224; Rb. Mechelen, 2 april 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 301.
146. Luik, 4 februari 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 75; waarbij de echtscheiding werd toegestaan omwille van het bezit van verdovende middelen en deelname aan groeperingen met
het oog op het verbruik. Het feit op zich werd nl. gezien als een aanslag op de eer en de waardigheid van de echtgenoot, en dus zwaar beledigend, maar niet zozeer de straf die hieruit volgde.
147. Rb. Mechelen, 2 april 1981, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 301; waar de echtscheiding niet werd toegestaan hoewel de man voor moord ter dood was veroordeeld, en dit omdat het beledigend karakter niet kon worden aangetoond.
148. Rb. Brussel, 3 oktober 1958, Rev. Dr. Fam., 1959, 429; Rb. Luik, 2 juni 1959, Rev. Dr. Fam., 1959, 405.
149. Brussel, 23 juni 1966, J.T., 1966, 599; Luik, 5 november 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 280; Rb. Antwerpen, 21 november 1960, R.W., 1960-61, 998; Rb. Brussel, 11 februari 1966, Pas., 1967, III, 7. Zie in dit verband ook A.3 en B.6.
150. Bergen, 22 april 1980, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 285: "La transgression aux devoirs spécifiques du mariage ne peut se situer que sur le plan de l'atteinte à l'honneur du conjoint et ce n'est qu'en certaines circontances que des faits délictueux commis au préjudice de tiers et qui ne portent pas directement atteinte à une obligation du mariage peuvent être gravement injurieux à l'égard du conjoint du coupable".
151. Brussel, 10 augustus 1868, Pas., 1871, II, 166.
152. Cass., 22 juni 1882, Pas., 1882, I, 250.
153. Aantasting van de eer van de andere echtgenoot, Brussel, 10 augustus 1868, reeds gecit.; "de bevlekking van de naam van de man die de vrouw verplicht is te dragen", Brussel, 5 februari 1883, J.T., 1883, 206; Brussel, 31 maart 1897, Pas., 1897, II, 301.
154. Voor een uitgebreide weergave, cfr. DEBRA, "De belediging van erge aard als grond tot echtscheiding in de Belgische rechtspraak", Rechtsk. T., 1934, 343-350.
155. Colmar, 16 april 1929, Gaz. Pal., 5 juni 1929; Rb. Brussel, 14 december 1953, Rev. Dr. Fam., 1955, 44; Rb. Valences, 16 maart 1955, J.T., 1955, 554; maar vgl. Brussel, 26 februari 1955, J.T., 1955, 331.
156. Cass., 2 mei 1974, Arr. Cass., 1975, 962, Pas., 1974, I, 909; Parijs, 7 november 1968, D., 1969, s., 30; Brussel, 10 april 1973, J.T., 1974, 139; Rb. Brussel, 23 november 1973, J.T., 1975, 103, R.W., 1974-75, 103.
157. Brussel, 9 maart 1982, Pas., 1982, II, 81; Rb. Brussel, 23 november 1973, reeds gecit.; Rb. Brussel, 11 februari 1983, J.T., 1983, 415; maar vgl. Rb. Nijvel, 18 oktober 1961, Rev. Dr. Fam., 1962, 224, waarin gesteld werd dat: "l'ivrognerie caractérisée, scandaleuse et persistante ... consiste à elle seule, à l'égard du conjoint, une marque de mépris suffisament grave pour justifier la demande en divorce".
158. Cass., 2 mei 1974, Arr. Cass., 1975, 962, Pas., 1974, I, 909; Brussel, 16 november 1963, Rev. Dr. Fam., 1963, 23; Brussel, 10 april 1973, J.T., 1974, 139; Rb. Brussel, 23 november 1973, J.T., 1975, 103, R.W., 1974-75, 103.
159. Brussel, 30 maart 1950, Pas., 1950, II, 58; Rb. Kortrijk, 14 juli 1950, J.T., 1951, 164; Rb. Brussel, 3 mei 1962, Rev. Dr. Fam., 1962, 228; Rb. Luik, 8 november 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1986, 64, Jur. Liège, 1985, 93.
160. De rechtbank van Douai stond de echtscheiding toe voor een geval van overdreven tabaksgebruik, Douai, 1 maart 1990, onuitgeg. (gecit. in R.T..D.C., 1991, 711)
161. Cass., 16 januari 1976, R.W., 1975-76, 2349, Arr.Cass., 1976, 583, Pas, 1976, I, 560, R.C.J.B., 1977, 571.
162. Deze problematiek kwam reeds ter sprake bij de bespreking van de strafrechtelijke veroordeling voor een feit gepleegd t.a.v. een derde (cfr. B.4). Ook daar stelde men zich de vraag of een veroordeling van een dergelijk feit in aanmerking kon komen voor het aannemen van een grove belediging t.a.v. de andere echtgenoot.
163. Luik, 18 februari 1992, Rev. Trim. Dr. Fam., 1993, 82; Rb. Luik, 5 december 1985, Rev. Trim. Dr. Fam. , 1987, 420; contra Rb. Brussel, 24 mei 1984, Rev. Trim. Dr. Fam., 1984, 328 waar het feit dat de man hun kind had gedood niet werd gezien als een grove belediging voor de vrouw aangenomen.
164. Cass., 2 mei 1980, Pas, I, 1980, 1085, Rev. Trim. Dr. Fam., 1981, 410, Arr. Cass., 1979-80, 1093 weigerde de grove belediging te aanvaarden voor de belediging van de vader van de bijzit wegens gebrek aan terugwerking op de andere echtgenoot.
165. RIGAUX, F., "L'injure grave par ricochet", noot onder Cass., 16 januari 1976, R.C.J.B., 1977, 574-580.
166. CARBONNIER, J., "La question du divorce. Mémoire à consulter", D., 1975, C., 120-122; MEULDERS-KLEIN, M.-Th., "Le divorce en Belgique: Bilan, réformes et perspectives", J.T., 1990, 717-724; POELEMANS, B., Scheiding op maat, Pleidooi voor een gematigde hervorming van het echtscheidingsrecht, Gent, Mys en Breesch, 1994, 31 p.; PUELINCKX-COENE, M., "Recente tendensen van het gezinsrecht bij de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of door overlijden", R.W., 1981-82, 2313-2328; SENAEVE, P., "Pleidooi voor een shock-therapie van het echtscheidingsrecht", in Liber Amicorum Prof. K. KRINGS, Brussel, E. Story-Scientia, 1981, 789-806.
167. De billijkheid is immers geen toegelaten rechtsbron, tenzij de wet het uitdrukkelijk toestaat (wat in casu niet het geval is).
168. Cfr. o.a. de problematiek van de ideologische conflicten.

Bron: http://www.law.kuleuven.ac.be/jura/32n1/pignolet.htm

Naar Boven

4. Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT).


Deze procedure is mogelijk op voorwaarde dat u minimum 20 jaar oud bent en al twee jaar gehuwd. U dient ook voorafgaandelijk aan de procedure een volledig akkoord te bereiken zowel omtrent de familiale als de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding. Elke advocaat zal met u onderzoeken of een echtscheiding bij onderlinge toestemming mogelijk is. Hierboven is reeds gezegd dat advocaten niet in de eerste plaats vechters zijn maar altijd zoeken naar oplossingen. In tegenstelling met wat het publiek dus soms denkt houdt de tussenkomst van een advocaat niet in dat men moeilijk tot een overeenkomst komt. Hierna wordt uiteengezet waarom het tegenovergestelde precies waar is. Uw advocaat kan de onderhandelingen leiden of u bijstaan bij die onderhandelingen wanneer bvb. de andere partner eveneens beroep wenst te doen op een eigen raadsman. Wordt er een akkoord bereikt dan stelt uw advocaat het akkoord op schrift, legt het neer voor de rechtbank met een door hem ondertekend verzoekschrift. De Procedure duurt maximum 5 maand en wordt door uw advocaat in goede banen geleid. U dient zelf tweemaal te verschijnen enkel om uw wil te bevestigen uit de echt te scheiden. De rechtbank mag niet peilen naar de oorzaken van de scheiding maar controleert enkel of het akkoord volledig is en ziet ook na of het belang van de eventuele kinderen niet is geschaad. Het grote voordeel van de tussenkomst van een advocaat is dat deze, omdat hij vaak tussenkomt in procedures op grond van feiten, precies weet hoe de rechtspraak evolueert en aan de hand van de rechtspraak kan oordelen of de voorstellen die ter tafel liggen evenwichtig en redelijk zijn. Aan de hand van die rechtspraak zal hij een onwillige tegenpartij kunnen overtuigen om toegevingen te doen. De beste overeenkomst is vaak diegene die benadert wat er na een procedure op feiten zou uitgesproken worden. Behoudens als hij als scheidingsbemiddelaar is opgetreden, kan uw advocaat u blijven bijstaan indien er geen redelijk vergelijk gevonden wordt en er dus een procedure op grond van feiten moet gevoerd worden. De dreiging dit te doen is vaak voldoende om onredelijke tegenpartijen toch tot een akkoord te bewegen.

Klik hier voor het wetgevend bestand ivm Echtscheiding Onderlinge Toestemming

Naar Boven