Sedert 3 juni '95 is de nieuwe reglementering betreffende de
gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag van kracht. Deze wet
van 13.04.95 (BS 24.5.95) wijzigt het Burgerlijk Wetboek betreffende 'het
gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen'.
Het uitgangspunt van deze wet steunt op het principe van de gezamenlijke
verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding van kinderen, ongeacht
de echtelijke en/of familiale toestand. Gemakshalve wordt deze nieuwe
regeling dan ook de wet op het co-ouderschap genoemd.
Bij deze proberen we de basisprincipes te verduidelijken, maar let wel:
juridische beslissingen aangaande uitoefening van ouderlijk gezag of
regeling van dit gezag bij feitelijke of wettelijke scheiding van vóór
juni '95 blijven onveranderd van kracht.
1 Ouderlijk gezag
De wet van 13.04.95
betreffende het zgn. 'ouderlijk gezag' geldt ten aanzien van Belgische
minderjarigen.
Dat betekent automatisch dat meerderjarige en ontvoogde leerlingen zelf
alle beslissingsrecht hebben (terwijl voor minderjarigen van vreemde
nationaliteit het eigen rechtsstelsel geldt). Concreet wil dat
bijvoorbeeld zeggen dat deze leerlingen persoonlijk geïnformeerd moeten
worden over de PMS-begeleiding en mogelijkheid tot weigering, en dat zij
persoonlijk hulp- of adviesvrager zijn en niet hun ouders.
2 Co-ouderschap...
In het Burgerlijk
Wetboek staat voortaan uitdrukkelijk dat ouders gezamenlijk het
ouderlijk gezag uitoefenen, en dit zowel wanneer ze samenleven (art.
372) als wanneer ze niet samenleven (art. 374).
In diezelfde artikels staat ook ingeschreven dat er t.a.v. derden een
vermoeden bestaat dat de beslissingen en handelingen die de ene ouder
stelt, de instemming wegdragen van de andere ouder.
Dat betekent bijvoorbeeld dat als één van beide ouders een specifieke
hulpvraag aan het PMS-team stelt, ervan mag worden uitgegaan dat de
andere ouder mede hulpvrager is. Het omgekeerde is echter evenzeer waar:
als één ouder de PMS-begeleiding weigert, geldt dat ook voor de andere.
Vooral in situaties waarin ouders niet samenleven, maakt dat vermoeden
van gezamenlijk handelen de wet zeer werkbaar: je hoeft je als PMS-begeleider
niet steeds af te vragen of deze of gene door één ouder gevraagde
tussenkomst voor een leerling wel mag van de andere ouder.
Ook m.b.t. het meedelen van begeleidings- of testresultaten,
studiekeuze-adviezen e.d. volstaat het die mee te delen aan of te
bespreken met één ouder. Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk
gezag veronderstelt namelijk onderlinge communicatie en overleg tussen
de ouders, ook als ze niet (meer) samenleven. Toch willen we erop wijzen
dat dit voor de PMS-medewerker geen excuus voor nonchalance kan
betekenen: het 'vermoeden van instemming' bestaat enkel t.a.v. derden
die te goeder trouw zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat, als de PMS-medewerker
weet dat de ouders verschillen van zienswijze over de opvoeding van de
kinderen (bijvoorbeeld uit vroegere tussenkomsten, uit ervaringen met
broers of zussen, uit gezinsvragenlijsten ...), hij bij voorkeur werkt
o.b.v. de uitdrukkelijke instemming van de beide ouders.
3... of toch geen
co-ouderschap?
We schetsen hierboven
de algemene regel van het co-ouderschap. De realiteit toont echter aan
dat een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag niet steeds
probleemloos verloopt. De wetgever houdt hiermee rekening en bepaalt
mogelijkheden om het principe van co-ouderschap (in meerdere of mindere
mate) te doorbreken:
a) Wanneer ouders
samenleven maar niet wederzijds instemmen met bepaalde beslissingen, kan
één van de ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken. De
rechter kan dan aan één ouder alleen de toestemming verlenen om bepaalde
handelingen te stellen (art. 373 BWB).
b) Als de ouders niet (meer)
samenleven en er rijzen problemen aangaande de uitoefening van het
ouderlijk gezag, dan kan de rechter (volgens art. 374 BWB):
- ofwel bepalen voor welke specifieke handelingen nog instemming van
beide ouders nodig is, terwijl voor het overige een van de ouders alleen
verantwoordelijk is;
- ofwel het ouderlijk gezag exclusief aan een van de ouders toekennen.
In dit geval staat uitdrukkelijk in de wet ingeschreven dat 'De ouder
die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te
houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij
derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het
belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.'.
Concreet betekent dat
bijvoorbeeld dat de ouder die geen ouderlijk gezag uitoefent, recht
heeft op informatie over geplande PMS-activiteiten t.a.v. zijn kind,
maar ook over onderzoeksresultaten, studiekeuzeadviezen e.d.m. Ons
inziens hoeft het initiatief in deze niet van de PMS-medewerker uit te
gaan, maar wanneer een dergelijke ouder de vraag stelt, heeft die
krachtens dit wetsartikel wel recht op inhoudelijke informatie.
Hoewel we dit recht op toezicht als een logisch recht van elke ouder
kunnen beschouwen, kan dat de PMS-medewerker (of breder: elke
hulpverlener die met vertrouwelijke en persoonsgebonden gegevens moet
omgaan) in een lastig deontologisch parket brengen.
4 Een casus als
toemaatje
Een moeder neemt
contact met een PMS-medewerker met de vraag haar zoontje, dat lager
onderwijs volgt, 'te laten testen om naar het BLO te gaan'. Volgens de
op het PMS-centrum gangbare procedure wordt een afspraak gemaakt voor
een grondig gesprek met de ouders voor tot welk testonderzoek dan ook
over te gaan. Moeder komt alleen op de afspraak; sedert een zestal
maanden woont ze niet meer samen met de vader van haar zoontje. Daar ze
ongehuwd waren, was de scheiding zonder veel administratieve en
juridische verwikkelingen gegaan. Er was gewoon overeengekomen dat het
kind bij moeder zou verblijven en dat vader minstens elk weekend contact
met zijn zoontje kon hebben, maar evengoed ook op andere tijdstippen als
dat beter paste.
Tijdens het gesprek blijkt dat moeder niet wil dat vader op de hoogte
gebracht wordt van een eventueel testonderzoek, en al helemaal niet van
de resultaten of het eraan gekoppeld advies.
Reden daartoe is dat vader - zo zegt moeder - helemaal niet wil inzien
dat zijn zoontje moeite heeft om te volgen op school en dat hij a priori
tegen een overgang naar BLO zou zijn.
Enkele bedenkingen:
a) Is hier sprake van
een co-ouderschap tussen niet samenlevende ouders?
Ons inziens wel: omdat de scheiding van de ouders recent is en blijkbaar
zonder rechterlijke beschikking aangaande een exclusief ouderlijk gezag,
kan ervan uitgegaan worden dat het om een situatie van co-ouderschap
gaat.
b) Kun je ingaan op de
wens van moeder om de vader niet in te lichten?
Gezien het algemeen gesteld principe zou je kunnen veronderstellen dat
hier het vermoeden van instemming (met het PMS-onderzoek) vanwege de
vader speelt. Aanvankelijk lijkt een persoonlijk gesprek met de vader
dan ook niet noodzakelijk. Maar dan brengt moeder aan dat vader met haar
van mening verschilt over de schoolse prestaties van hun zoontje. Je
kunt eigenlijk ook aanvoelen dat moeders vraag naar 'geheimhouding'
ingegeven is door het idee dat vader niet akkoord zou gaan met een
overgang naar BLO en wellicht zelfs niet met een PMS-onderzoek. Zich in
deze dan nog willen baseren op het vermoeden van instemming getuigt o.i.
niet meer van goede trouw.
Een gesprek met vader dringt zich dus toch wel op alvorens verdere
stappen te ondernemen.
c) Worden de eventuele
testresultaten aan vader meegedeeld?
Als uiteindelijk beide
ouders instemmen met testonderzoek, is het logisch dat zij beiden ook de
resultaten en het advies kennen.
Zoals hoger reeds geschreven, veronderstelt co-ouderschap degelijke
onderlinge communicatie; juridisch zou je dus kunnen volstaan om de
resultaten aan moeder (als initiële hulpvrager) mee te delen, die ze dan
op haar beurt met vader bespreekt. In de praktijk lijkt het ons
aannemelijker om in de voorafgaandelijke gesprekken hierover afspraken
te maken en desnoods met beide ouders (al dan niet samen) de resultaten
te bespreken.
In de veronderstelling dat de resultaten alleen aan de moeder worden
meegedeeld en dat zij ze niet doorgeeft aan de vader, dan heeft deze
laatste het recht ze rechtstreeks bij de PMS-medewerker op te vragen (beginsel
van recht op toezicht). Dat zou zelfs ook zo zijn als er exclusief
hoederecht voor de moeder zou bestaan.
©opyright
Caleidoscoop
|