|
Fiscaliteit -
Echtscheiding en Belasting |
|
|
Pensioensparen is te veel
mannenzaak |
|
Pensioensparen is te
veel mannenzaak
Brussel - Vrouwen doen
nog te weinig aan pensioensparen. Dat kan hen op latere leeftijd zuur
opbreken. VLD-kamerlid Annemie Turtelboom dient een wetsvoorstel in om
alvast de pensioenkloof te dichten voor vrouwen die deeltijds werken. In
2004 deden al 1.659.328 miljoen Belgen aan pensioensparen. Zo blijkt uit
cijfers van de Federale Overheidsdienst Financiën die VLD-kamerlid
Annemie Turtelboom opvroeg bij minister van Economie Marc Verwilghen (VLD).
Maar de zogenaamde ,,derde pijler'', die een forse aanvulling betekent
voor het wettelijk pensioen, is vooral bij mannen populair. In 2004
waren de mannen goed voor 1.092.082 contracten, de vrouwen voor 567.246.
Echtscheiding
,,Het aandeel mannen
dat aan pensioensparen doet, bedraagt nu 66 procent tegenover 34 procent
vrouwen. Die kloof is de jongste jaren zelfs lichtjes toegenomen'',
stelt Turtelboom vast. Een spijtige zaak, vindt ze. Want zeker nu het
aantal echtscheidingen nog altijd zeer fors blijft, riskeren veel
alleenstaande vrouwen genoegen te moeten nemen met een bescheiden
wettelijk pensioen, zonder aanvulling.
Minister van Pensioenen
Bruno Tobback is zich bewust van het probleem: in februari volgt al een
vierde studiedag over vrouwen en pensioen. Turtelboom heeft alvast een
wetsvoorstel ingediend om de pensioenkloof te dichten voor vrouwen die
tijdens hun loopbaan langere periodes deeltijds werken. ,,Minister
Tobback staat daar zeer positief tegenover'', zegt ze.
Bron:
Het Nieuwsblad Peter De Backer 22-12-2006
 |
|
Belastingaangifte voor co-ouders vergemakkelijkt |
|
Co-ouders kunnen beiden kinderopvang fiscaal aftrekken
De
belastingaangifte indienen wordt voor co-ouders makkelijker. Dat
besliste de ministerraad vrijdag op voorstel van staatssecretaris voor
Administratieve Vereenvoudiging Vincent Van Quickenborne. Voortaan
kunnen beide ouders ook elk apart kinderopvang fiscaal aftrekken.
Samen tekenen
Ouders die na een echtscheiding kiezen voor co-ouderschap moeten
momenteel elk jaar samen een attest ondertekenen dat zij daarna bij hun
belastingaangifte moeten voegen. Het gaat om de rechterlijke beslissing
die het co-ouderschap instelt. De formaliteit is nodig om de
belastingkorting voor kinderen ten laste te verdelen.
Administratieve
overlast
"Uiteraard veroorzaakt dit een jaarlijks terugkerende administratieve
overlast voor beide ouders", stelt Van Quickenborne vrijdag."Ouders die
beslissen uit elkaar te gaan, moeten dat op een zo eenvoudig mogelijke
manier kunnen doen. Voortaan hoeven zij zich hierover geen zorgen meer
te maken", dixit de VLD-staatssecretaris.
Controle
Het volstaat voor de betrokken ouders voortaan om het document te
bewaren, zodat ze het bij een eventuele controle kunnen voorleggen. Nog
belangrijker voor co-ouders is wellicht dat zij voortaan elk apart de
kost voor kinderopvang fiscaal kunnen inbrengen. Momenteel kan enkel de
ouder bij wie het kind officieel woont dat doen.
De
nieuwe regeling treedt begin volgend jaar in werking en heeft dus
betrekking op de belastingaangifte voor 2008.
Bron: Het Laatste
Nieuws 17-11-06 13u55
(belga/hln)
 |
|
Co-ouderschap? en fiscaliteit |
|
Wanneer echtgenoten uit elkaar gaan, zijn de kinderen niet noodzakelijk
het onderwerp van getouwtrek tussen de ouders. Als beide ouders
instemmen, kan dit ook op een meer volwassen, minder gepolariseerde
wijze. In principe zijn beide ouders verantwoordelijk voor het welzijn
en de opvoeding van de kinderen, ook als de ouders scheiden.
Sinds 1995 bestaat de wet op het co-ouderschap. Die
zorgde ervoor dat beide ouders burgerrechtelijk verantwoordelijk bleven
voor de kinderen, terwijl dat niet onmiddellijk moest inhouden dat
daarom de kinderen ook beurtelings bij beide ex-partners moesten gaan
wonen. Er bestond een opsplitsing tussen het burgerrechtelijk aspect van
de opvoeding en het verblijfsaspect.
Toch kon dit vaak nog leiden tot een dispuut indien de verblijfsregeling
niet correct werd ingevuld. Terwijl de ouders wel gezamenlijk bleven
instaan voor de opvoeding, kon het zijn dat het kind toch aan één van de
ouders werd toegewezen inzake de verblijfplaats. Dit kan nu niet meer,
behoudens uitzonderlijke situaties.
Op 5 september 2006 werd namelijk de nieuwe wet betreffende het
co-ouderschap van kracht. Deze wet maakt dat co-ouderschap met
gemeenschappelijke verblijfplaats bij toewijzing van de kinderen nu de
norm in plaats van de uitzondering wordt. Als ouders hiervan willen
afwijken, moeten ze dat overeenkomen.
Het is evenwel steeds in het belang van de kinderen dat de ouders
trachten een realistische inschatting te maken van waar het kind
logischerwijze het best verblijft. Er bestaat binnen het co-ouderschap
best een scheiding tussen de morele verantwoordelijkheid en de plaats
waar het kind verblijft.
Indien in de echtscheidingsovereenkomst bijvoorbeeld geregeld wordt dat
het kind tachtig procent bij de moeder verblijft en slechts twintig
procent bij de vader, betekent dit dat de moeder dan ook tachtig procent
van de kost zal dragen. In de bepaling van de onderhoudsvergoeding
moet daar dan ook terdege rekening mee gehouden worden.
Naast de burgerrechtelijke aspecten van opvoeding en verblijfsregeling
zijn er ook nog fiscale aspecten aan het co-ouderschap. Het is namelijk
zo dat de bijkomende belastingvrije som voor kinderen ten laste slechts
kan genoten worden door de ouder waar het kind fiscaal ten laste is.
Als met andere woorden in de echtscheidingsovereenkomst gestipuleerd
staat dat bijvoorbeeld het kind fiscaal ten laste wordt genomen door de
moeder, dan kan de vader geen aanspraak maken op een fiscale
vermindering, ook al heeft hij onder toepassing van het co-ouderschap
het kind ten dele financieel ten laste.
Hier kan van afgeweken worden indien beide ex-partners jaarlijks aan
de fiscus verklaren dat zij opteren voor het fiscale co-ouderschap.
Deze jaarlijks in te dienen verklaring houdt in dat ze de fiscale
vermindering onder hun beiden kunnen verdelen. Een belangrijk nadeel
van dit fiscaal co-ouderschap is dat de partner die een
onderhoudsuitkering betaalt, geen aftrek kan doen van die
onderhoudsuitkering.
De keuze tussen fiscaal co-ouderschap of niet moet dus goed afgewogen
worden. De praktijk leert ons immers dat heel wat mensen die in het
echtscheidingsproces terecht komen, die regeling niet ten volle
beseffen. De emotionele onzekerheid en het zoeken naar een nieuw
evenwicht verblindt vaak de financiële en fiscale realiteit. Hierdoor
kan later wrevel ontstaan tussen de ex-partners met wrange nasmaak.
Bron: De Standaard - Fiscaliteit 02-10-2006
Jo Stremersch is vennoot bij Stremersch, Van Broekhoven &
Partners, Financiële Planners
 |
|
Fiscale afrekening na
echtscheiding |
|
Wanneer een gehuwd paar uit
mekaar gaat, worden zij apart belast vanaf het jaar dat volgt op dat
waarin de feitelijke scheiding tot stand kwam. Soms worden zij nog jaren
na hun echtscheiding vervolgd voor fiscale schulden die hun ex-partner
heeft gemaakt in de periode dat ze nog gehuwd waren. De rechtspraak van
de rechtbanken en hoven van beroep leek meer en meer te gaan in de
richting dat de ene partner niet meer kon worden aangesproken voor
belastingschulden van de andere, wanneer die aanslagen pas na de
echtscheiding werden gevestigd. Het Hof van Cassatie zet dit echter weer
op de helling.
Gehuwden die uit mekaar gaan, worden vanaf het daaropvolgende
inkomstenjaar fiscaal beschouwd als alleenstaanden. Dat houdt in dat zij
aparte aangiften doen en afzonderlijk belast worden. Vanaf aanslagjaar
2000 worden die afzonderlijke aanslagen desalniettemin gevestigd op naam
van beide partners. Vroeger gebeurde dat niet en werd een aanslag
ingekohierd op naam van ieder van hen.
Het feit dat ze apart belast werden, belette evenwel niet dat beide
echtgenoten aansprakelijk bleven voor de betaling van elkaars
belastingschuld en dit zolang ze getrouwd bleven. Het was dus perfect
mogelijk dat een vrouw plots geconfronteerd werd met een fiscale schuld
van haar man van wie ze al tien jaar niets meer gehoord had. Door het
enkele feit dat zij nog steeds met hem getrouwd was, kon zij, behalve in
enkele uitzonderingsgevallen, ertoe worden verplicht zijn belastingen te
betalen.
Sommige belastingbetalers werden zelfs jaren na hun echtscheiding nog
lastig gevallen voor belastingschulden van hun vroegere partner. Een
aantal van hen trok naar de beslagrechter en, daarna, naar de hoven van
beroep om aan deze invordering te ontsnappen.
Recentelijk leek er zich een tendens af te tekenen waarbij de
betrokkenen konden rekenen op enig begrip van de rechtscolleges. Zo
oordeelden het hof van beroep van Gent en het hof van beroep van
Antwerpen reeds dat de aansprakelijkheid voor de fiscale schulden van de
echtgenoot niet geldt wanneer de aanslagen werden gevestigd nadat de
echtscheiding definitief is geworden, zelfs indien die aanslagen
betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de echtscheiding (zie
o.m. T.F.R., september 2000, p. 741 e.v.).
Het Hof van Cassatie is echter een andere mening toegedaan (Cass., 15
september 2000, Fiscoloog, nr. 771, p. 11) . Volgens het Hof speelt
het geen rol dat de aanslag werd gevestigd na de datum van de
echtscheiding. Wanneer de belasting betrekking heeft op een periode
voorafgaand aan de ontbinding van het huwelijk, zijn beide echtgenoten
aansprakelijk voor de betaling ervan. De belastingschuld ontstaat niet
door de vestiging van de aanslag. Zij ontstaat uit hoofde van de fiscale
wet.
Hiermee lijkt het laatste woord echter nog niet gesproken. Op 2 mei 2000
heeft het hof van beroep van Gent immers de invordering na de
echtscheiding afgewezen op grond van een andere redenering. Het Hof
beschouwt het artikel dat de invordering bij de andere echtgenoot
toelaat, met name art. 394 W.I.B./92, als een bijzondere toepassing van
artikel 393. Artikel 393 regelt de invordering van aanslagen die op naam
van meerdere personen zijn gevestigd. Die aanslagen kunnen maar van de
betrokkenen worden gevorderd in verhouding tot hun aandeel.
Voor echtgenoten speelt hier een uitzondering: aanslagen op naam van de
echtgenoten kunnen in de regel voor hun geheel bij elk van beide worden
gevorderd. Dat is echter slechts mogelijk, aldus het hof, indien de
basisvoorwaarde ook vervuld is, met name wanneer de aanslag op naam van
beide echtgenoten is ingekohierd. Omdat dat na een feitelijke scheiding
niet meer het geval is, is het kohier op naam van de ene partner niet
zomaar uitvoerbaar tegen de andere.
Wordt ongetwijfeld nog vervolgd."
Inwerkingtreding: De wet is integraal van
toepassing op alle procedures van echtscheiding door onderlinge
toestemming waarvoor het verzoekschrift is neergelegd na 30 september
1994.
Bron:
Echtscheiding en belastingen - artikel verschenen in De Standaard van
auteur Luc Vanheeswijck 26/10/2000

|