Fiscaliteit - Echtscheiding en Belasting
22 dec 2006

Pensioensparen is te veel mannenzaak

Het Nieuwsblad
17 nov 2006 Belastingaangifte voor co-ouders vergemakkelijkt Het Laatste Nieuws
02 okt 2006 CO-Ouderschap en fiscaliteit De Standaard
26 okt 2000 Fiscale afrekening na echtscheiding (EOT) De Standaard

Pensioensparen is te veel mannenzaak

Pensioensparen is te veel mannenzaak

Brussel - Vrouwen doen nog te weinig aan pensioensparen. Dat kan hen op latere leeftijd zuur opbreken. VLD-kamerlid Annemie Turtelboom dient een wetsvoorstel in om alvast de pensioenkloof te dichten voor vrouwen die deeltijds werken. In 2004 deden al 1.659.328 miljoen Belgen aan pensioensparen. Zo blijkt uit cijfers van de Federale Overheidsdienst Financiën die VLD-kamerlid Annemie Turtelboom opvroeg bij minister van Economie Marc Verwilghen (VLD). Maar de zogenaamde ,,derde pijler'', die een forse aanvulling betekent voor het wettelijk pensioen, is vooral bij mannen populair. In 2004 waren de mannen goed voor 1.092.082 contracten, de vrouwen voor 567.246.  

Echtscheiding

,,Het aandeel mannen dat aan pensioensparen doet, bedraagt nu 66 procent tegenover 34 procent vrouwen. Die kloof is de jongste jaren zelfs lichtjes toegenomen'', stelt Turtelboom vast. Een spijtige zaak, vindt ze. Want zeker nu het aantal echtscheidingen nog altijd zeer fors blijft, riskeren veel alleenstaande vrouwen genoegen te moeten nemen met een bescheiden wettelijk pensioen, zonder aanvulling.

Minister van Pensioenen Bruno Tobback is zich bewust van het probleem: in februari volgt al een vierde studiedag over vrouwen en pensioen. Turtelboom heeft alvast een wetsvoorstel ingediend om de pensioenkloof te dichten voor vrouwen die tijdens hun loopbaan langere periodes deeltijds werken. ,,Minister Tobback staat daar zeer positief tegenover'', zegt ze.

Bron: Het Nieuwsblad  Peter De Backer 22-12-2006

Terug naar boven

Belastingaangifte voor co-ouders vergemakkelijkt

Co-ouders kunnen beiden kinderopvang fiscaal aftrekken

De belastingaangifte indienen wordt voor co-ouders makkelijker. Dat besliste de ministerraad vrijdag op voorstel van staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging Vincent Van Quickenborne. Voortaan kunnen beide ouders ook elk apart kinderopvang fiscaal aftrekken.

Samen tekenen
Ouders die na een echtscheiding kiezen voor co-ouderschap moeten momenteel elk jaar samen een attest ondertekenen dat zij daarna bij hun belastingaangifte moeten voegen. Het gaat om de rechterlijke beslissing die het co-ouderschap instelt. De formaliteit is nodig om de belastingkorting voor kinderen ten laste te verdelen. 

Administratieve overlast
"Uiteraard veroorzaakt dit een jaarlijks terugkerende administratieve overlast voor beide ouders", stelt Van Quickenborne vrijdag."Ouders die beslissen uit elkaar te gaan, moeten dat op een zo eenvoudig mogelijke manier kunnen doen. Voortaan hoeven zij zich hierover geen zorgen meer te maken", dixit de VLD-staatssecretaris.

Controle
Het volstaat voor de betrokken ouders voortaan om het document te bewaren, zodat ze het bij een eventuele controle kunnen voorleggen. Nog belangrijker voor co-ouders is wellicht dat zij voortaan elk apart de kost voor kinderopvang fiscaal kunnen inbrengen. Momenteel kan enkel de ouder bij wie het kind officieel woont dat doen.

De nieuwe regeling treedt begin volgend jaar in werking en heeft dus betrekking op de belastingaangifte voor 2008.

Bron: Het Laatste Nieuws 17-11-06 13u55 (belga/hln)

Terug naar boven

Co-ouderschap? en fiscaliteit


Wanneer echtgenoten uit elkaar gaan, zijn de kinderen niet noodzakelijk het onderwerp van getouwtrek tussen de ouders. Als beide ouders instemmen, kan dit ook op een meer volwassen, minder gepolariseerde wijze. In principe zijn beide ouders verantwoordelijk voor het welzijn en de opvoeding van de kinderen, ook als de ouders scheiden.

Sinds 1995 bestaat de wet op het co-ouderschap. Die zorgde ervoor dat beide ouders burgerrechtelijk verantwoordelijk bleven voor de kinderen, terwijl dat niet onmiddellijk moest inhouden dat daarom de kinderen ook beurtelings bij beide ex-partners moesten gaan wonen. Er bestond een opsplitsing tussen het burgerrechtelijk aspect van de opvoeding en het verblijfsaspect.
Toch kon dit vaak nog leiden tot een dispuut indien de verblijfsregeling niet correct werd ingevuld. Terwijl de ouders wel gezamenlijk bleven instaan voor de opvoeding, kon het zijn dat het kind toch aan één van de ouders werd toegewezen inzake de verblijfplaats. Dit kan nu niet meer, behoudens uitzonderlijke situaties.

Op 5 september 2006 werd namelijk de nieuwe wet betreffende het co-ouderschap van kracht. Deze wet maakt dat co-ouderschap met gemeenschappelijke verblijfplaats bij toewijzing van de kinderen nu de norm in plaats van de uitzondering wordt. Als ouders hiervan willen afwijken, moeten ze dat overeenkomen.
Het is evenwel steeds in het belang van de kinderen dat de ouders trachten een realistische inschatting te maken van waar het kind logischerwijze het best verblijft. Er bestaat binnen het co-ouderschap best een scheiding tussen de morele verantwoordelijkheid en de plaats waar het kind verblijft.
Indien in de echtscheidingsovereenkomst bijvoorbeeld geregeld wordt dat het kind tachtig procent bij de moeder verblijft en slechts twintig procent bij de vader, betekent dit dat de moeder dan ook tachtig procent van de kost zal dragen. In de bepaling van de onderhoudsvergoeding moet daar dan ook terdege rekening mee gehouden worden.

Naast de burgerrechtelijke aspecten van opvoeding en verblijfsregeling zijn er ook nog fiscale aspecten aan het co-ouderschap. Het is namelijk zo dat de bijkomende belastingvrije som voor kinderen ten laste slechts kan genoten worden door de ouder waar het kind fiscaal ten laste is.
Als met andere woorden in de echtscheidingsovereenkomst gestipuleerd staat dat bijvoorbeeld het kind fiscaal ten laste wordt genomen door de moeder, dan kan de vader geen aanspraak maken op een fiscale vermindering, ook al heeft hij onder toepassing van het co-ouderschap het kind ten dele financieel ten laste.

Hier kan van afgeweken worden indien beide ex-partners jaarlijks aan de fiscus verklaren dat zij opteren voor het fiscale co-ouderschap. Deze jaarlijks in te dienen verklaring houdt in dat ze de fiscale vermindering onder hun beiden kunnen verdelen. Een belangrijk nadeel van dit fiscaal co-ouderschap is dat de partner die een onderhoudsuitkering betaalt, geen aftrek kan doen van die onderhoudsuitkering.

De keuze tussen fiscaal co-ouderschap of niet moet dus goed afgewogen worden. De praktijk leert ons immers dat heel wat mensen die in het echtscheidingsproces terecht komen, die regeling niet ten volle beseffen. De emotionele onzekerheid en het zoeken naar een nieuw evenwicht verblindt vaak de financiële en fiscale realiteit. Hierdoor kan later wrevel ontstaan tussen de ex-partners met wrange nasmaak.

Bron: De Standaard - Fiscaliteit 02-10-2006 Jo Stremersch is vennoot bij Stremersch, Van Broekhoven & Partners, Financiële Planners


Terug naar boven

Fiscale afrekening na echtscheiding


Wanneer een gehuwd paar uit mekaar gaat, worden zij apart belast vanaf het jaar dat volgt op dat waarin de feitelijke scheiding tot stand kwam. Soms worden zij nog jaren na hun echtscheiding vervolgd voor fiscale schulden die hun ex-partner heeft gemaakt in de periode dat ze nog gehuwd waren. De rechtspraak van de rechtbanken en hoven van beroep leek meer en meer te gaan in de richting dat de ene partner niet meer kon worden aangesproken voor belastingschulden van de andere, wanneer die aanslagen pas na de echtscheiding werden gevestigd. Het Hof van Cassatie zet dit echter weer op de helling.

Gehuwden die uit mekaar gaan, worden vanaf het daaropvolgende inkomstenjaar fiscaal beschouwd als alleenstaanden. Dat houdt in dat zij aparte aangiften doen en afzonderlijk belast worden. Vanaf aanslagjaar 2000 worden die afzonderlijke aanslagen desalniettemin gevestigd op naam van beide partners. Vroeger gebeurde dat niet en werd een aanslag ingekohierd op naam van ieder van hen.
Het feit dat ze apart belast werden, belette evenwel niet dat beide echtgenoten aansprakelijk bleven voor de betaling van elkaars belastingschuld en dit zolang ze getrouwd bleven. Het was dus perfect mogelijk dat een vrouw plots geconfronteerd werd met een fiscale schuld van haar man van wie ze al tien jaar niets meer gehoord had. Door het enkele feit dat zij nog steeds met hem getrouwd was, kon zij, behalve in enkele uitzonderingsgevallen, ertoe worden verplicht zijn belastingen te betalen.
Sommige belastingbetalers werden zelfs jaren na hun echtscheiding nog lastig gevallen voor belastingschulden van hun vroegere partner. Een aantal van hen trok naar de beslagrechter en, daarna, naar de hoven van beroep om aan deze invordering te ontsnappen.

Recentelijk leek er zich een tendens af te tekenen waarbij de betrokkenen konden rekenen op enig begrip van de rechtscolleges. Zo oordeelden het hof van beroep van Gent en het hof van beroep van Antwerpen reeds dat de aansprakelijkheid voor de fiscale schulden van de echtgenoot niet geldt wanneer de aanslagen werden gevestigd nadat de echtscheiding definitief is geworden, zelfs indien die aanslagen betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de echtscheiding (zie o.m. T.F.R., september 2000, p. 741 e.v.).

Het Hof van Cassatie is echter een andere mening toegedaan (Cass., 15 september 2000, Fiscoloog, nr. 771, p. 11) . Volgens het Hof speelt het geen rol dat de aanslag werd gevestigd na de datum van de echtscheiding. Wanneer de belasting betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de ontbinding van het huwelijk, zijn beide echtgenoten aansprakelijk voor de betaling ervan. De belastingschuld ontstaat niet door de vestiging van de aanslag. Zij ontstaat uit hoofde van de fiscale wet.

Hiermee lijkt het laatste woord echter nog niet gesproken. Op 2 mei 2000 heeft het hof van beroep van Gent immers de invordering na de echtscheiding afgewezen op grond van een andere redenering. Het Hof beschouwt het artikel dat de invordering bij de andere echtgenoot toelaat, met name art. 394 W.I.B./92, als een bijzondere toepassing van artikel 393. Artikel 393 regelt de invordering van aanslagen die op naam van meerdere personen zijn gevestigd. Die aanslagen kunnen maar van de betrokkenen worden gevorderd in verhouding tot hun aandeel.

Voor echtgenoten speelt hier een uitzondering: aanslagen op naam van de echtgenoten kunnen in de regel voor hun geheel bij elk van beide worden gevorderd. Dat is echter slechts mogelijk, aldus het hof, indien de basisvoorwaarde ook vervuld is, met name wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten is ingekohierd. Omdat dat na een feitelijke scheiding niet meer het geval is, is het kohier op naam van de ene partner niet zomaar uitvoerbaar tegen de andere.
Wordt ongetwijfeld nog vervolgd."

Inwerkingtreding: De wet is integraal van toepassing op alle procedures van echtscheiding door onderlinge toestemming waarvoor het verzoekschrift is neergelegd na 30 september 1994.

Bron: Echtscheiding en belastingen - artikel verschenen in De Standaard van auteur Luc Vanheeswijck 26/10/2000

Terug naar boven