|
BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS TEKST VERBETERD DOOR
DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE
HOOFDSTUK I -Algemene bepaling
Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2
Artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van
28 oktober 1974, wordt vervangen als volgt:
«Art. 229.— § 1. De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de
rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is.
Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting
van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan
redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die
ontwrichting.Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan
met alle wettelijke middelen worden geleverd.
§ 2. De onherstelbare ontwrichting bestaat wanneer de aanvraag
gezamenlijk wordt gedaan door de twee echtgenoten, na meer dan
zes maanden feitelijk gescheiden te zijn of wanneer de aanvraag
tot tweemaal toe werd gedaan overeenkomstig artikel 1255, § 1,
van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. De onherstelbare ontwrichting bestaat ook wanneer de
aanvraag wordt gedaan door één enkele echtgenoot na meer dan één
jaar feitelijke scheiding of wanneer de aanvraag tot tweemaal
toe werd gedaan overeenkomstig artikel 1255, § 2, van het
Gerechtelijk Wetboek.».
Art. 3
Artikel 230 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 28
oktober 1974, wordt hersteld in de volgende lezing:
«Art. 230.— De echtgenoten kunnen ook door onderlinge
toestemming uit de echt scheiden volgens de voorwaarden die
vastgesteld zijn in deel IV, boek IV, hoofdstuk XI, afdeling 2,
van het Gerechtelijk Wetboek.».
Art. 4
In hetzelfde Wetboek worden opgeheven:
1º artikel 231;
2º artikel 232, hersteld bij de wet van 1 juli 1974 en gewijzigd
bij de wetten van 2 december 1982 en 16 april 2000;
3º artikel 233;
4º artikel 275, vervangen bij de wet van 20 november 1969 en
gewijzigd bij de wetten van 19 januari 1990 en 20 mei 1997;
5º artikel 276, vervangen bij de wet van 20 mei 1997.
Art. 5
Artikel 299 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
«Art. 299.— Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin
verliezen de echtgenoten alle voordelen die ze elkaar bij
huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk
hebben toegekend.».
Art. 6
Artikel 300 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14
juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 7
Artikel 301 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9
juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 301.— § 1. Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk
Wetboek kunnen de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen
omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag
ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen
bedrag zal kunnen worden herzien.
§ 2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de
rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij
een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot
een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de
andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering
weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware
fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving
onmogelijk heeft gemaakt.In geen geval wordt de uitkering tot
levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd
bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of
405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de
persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van
een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek
bedoeld feit tegen diezelfde persoon. In afwijking van artikel 4
van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering
kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de
strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de
verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening
houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het
toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken
aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij
de nadere regels vaststelt.
§ 3. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering
vast die ten minste de staat van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening
met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de
aanzienlijke terugval van de economische situatie van de
uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de
rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd
van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de
organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen
tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig
beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate.
De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van
het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.
§ 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van
het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de
rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde
aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid
bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog
steeds in staat van behoefte verkeert. In dat geval beantwoordt
het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is
om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken.
§ 5. Indien de verweerder aantoont dat de staat van behoefte van
verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste
genomen beslissing en zonder dat de noden van de familie deze
keuze gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven van het
betalen van de uitkering of slechts verplicht worden tot het
betalen van een verminderde uitkering.
§ 6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze
van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het
indexcijfer van de consumptieprijzen. Het basisbedrag van de
uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de
consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het
arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde
heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om
de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van
rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de
verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de
overeenstemmende maand. Deze wijzigingen worden op de
uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te
nemen nieuwe indexcijfer.
De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander
systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van
levensonderhoud toepassen.
§ 7. Zelfs in geval van echtscheiding door onderlinge
toestemming, en uitgezonderd indien de partijen in dat geval
uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de
rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in
het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of door een latere
beslissing, indien ten gevolge van nieuwe omstandigheden
onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet
meer aangepast is. Indien ten gevolge van de ontbinding van het
huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk
vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten
bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële
toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot
levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of
overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de
vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank eveneens de uitkering
aanpassen, tenzij in geval echtscheiding door onderlinge
toestemming.
§ 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een
kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen
de partijen. Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de
rechtbank eveneens op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal
toestaan.
§ 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk
geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot
levensonderhoud. Zij mogen in de loop van de procedure evenwel
tot een vergelijk komen over het bedrag van die uitkering, met
inachtneming van de in artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek
gestelde voorwaarden.
§ 10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van
de uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde mag
levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens
de in artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden. De
uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval van een
nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik
waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning
doet, tenzij de partijen anders overeenkomen. De rechter kan de
onderhoudsverplichting beëindigen wanneer de
uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als
waren zij gehuwd.
§ 11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de
uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling niet nakomt,
het de uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of
diens goederen die hij overeenkomstig hun
huwelijksvermogensstelsel beheert, alsmede alle andere bedragen
die hem door derden verschuldigd zijn, in ontvangst te nemen.
Deze beslissing kan worden tegengeworpen aan elke derde, huidige
of toekomstige schuldenaar, op grond van de kennisgeving ervan
die hen door de griffier gedaan wordt op verzoek van de eiser.
§ 12. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering
tot levensonderhoud mag ambtshalve de voorlopige uitvoering van
de beslissing bevelen.».
Art. 8
Artikel 301bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9
juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt
opgeheven.
Art. 9
In artikel 302 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van
13 april 1995, worden de woorden «een overeenkomst tussen
partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in
artikel 1258» vervangen door de woorden «een overeenkomst tussen
partijen die gehomologeerd werd zoals bepaald is in artikel
1256».
Art. 10
In artikel 304 van hetzelfde Wetboek wordt het woord
«toegestane» vervangen door het woord «uitgesproken».
Art. 11
In hetzelfde Wetboek worden opgeheven:
1º artikel 306, hersteld bij de wet van 1 juli 1974;
2º artikel 307, hersteld bij de wet van 1 juli 1974 en gewijzigd
bij de wet van 14 juli 1976;
3º artikel 307bis, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1974.
Art. 12
Artikel 308 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 15
december 1949, hersteld bij de wet van 27 januari 1960 en
gewijzigd bij de wet van 27 juni 1960, wordt vervangen als
volgt:
«Art. 308.— Na uitspraak van de scheiding van tafel en bed
blijft de plicht van hulp bestaan.».
Art. 13
Artikel 311bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8
april 1965 en gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1976 en 20 mei
1997, wordt vervangen als volgt:
«Art. 311bis.— De artikelen 229, 299, 302 en 304 van hetzelfde
Wetboek zijn van toepassing bij scheiding van tafel en bed.».
Art. 14
In artikel 316bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet
van 1 juli 2006, worden de woorden «1258, § 2» vervangen door
het getal «1256».
Art. 15
In artikel 1428 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van
14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 29 april 2001, worden
de woorden «vermeld in de artikelen 229, 231 en 232» vervangen
door de woorden «vermeld in artikel 229».
Art. 16
In artikel 1429, eerste lid van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 14 juli 1976, worden de woorden «vermeld in de
artikelen 229, 231 en 232» vervangen door de woorden «vermeld in
artikel 229».
Art. 17
Artikel 1447, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 28 januari
2003, wordt vervangen als volgt: «Behoudens uitzonderlijke
omstandigheden wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de
echtgenoot die slachtoffer is van een feit als bedoeld in de
artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek
of van een poging tot een feit als bedoeld in de artikelen 375,
393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, wanneer de andere
echtgenoot uit dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht van
gewijsde gegane beslissing.».
Art. 18
In artikel 1459, eerste lid van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 14 juli 1976, worden de woorden «vermeld in de
artikelen 229, 231 en 232» vervangen door de woorden «vermeld in
artikel 229».
HOOFDSTUK III - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 19
In artikel 628, 1º, van het Gerechtelijk Wetboek worden de
woorden «op grond van bepaalde feiten of een vordering tot
omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding»
vervangen door de woorden «op grond van onherstelbare
ontwrichting».
Art. 20
In artikel 1016bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 20 mei 1987, vervallen de woorden «als grond tot
echtscheiding».
Art. 21
In boek IV, hoofdstuk XI, van het vierde deel van hetzelfde
Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º het opschrift van afdeling I wordt vervangen als
volgt:«Afdeling I — De echtscheiding op grond van onherstelbare
ontwrichting»; 2º afdeling IV wordt opgeheven.
Art. 22
Artikel 1254 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30
juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt: «Art. 1254.— § 1. Tenzij ze is gegrond op
artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, kan de vordering
wegens onherstelbare ontwrichting worden ingesteld bij
verzoekschrift zoals bepaald in de artikelen 1034bis en
volgende. Naast de gewoonlijke vermeldingen waaronder de
identiteit van de betrokken partijen bevat de gedinginleidende
akte in voorkomend geval de vermelding van de identiteit van de
minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide
echtgenoten de ouders zijn, van de kinderen die zij hebben
geadopteerd, van de kinderen van een van hen die de andere heeft
geadopteerd, van elk kind van elk van de echtgenoten waarvan de
afstamming is vastgesteld, evenals van elk kind dat ze samen
opvoeden. De gedinginleidende akte bevat, in voorkomend geval,
een gedetailleerde beschrijving van de feiten en, in de mate van
het mogelijke, alle verzoeken met betrekking tot de gevolgen van
de echtscheiding, onverminderd § 5. De gedinginleidende akte kan
ook de eventuele vorderingen bevatten inzake de voorlopige
maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud
en de goederen, van zowel de partijen als de minderjarige
ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten
de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de
kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd. Als de
eiser wenst dat die vorderingen onmiddellijk in kort geding
worden ingeleid, dan wordt de vordering bij
gerechtsdeurwaardersexploot ingeleid met dagvaarding om te
verschijnen voor de voorzitter, zitting houdend in kort geding,
zoals bepaald in artikel 1280, en voor de rechtbank. Bij de
gedinginleidende akte dienen voor ieder van de echtgenoten en de
eventuele kinderen, hiervoor opgesomd, door de verzoekende
partij te worden toegevoegd:
1º een bewijs van identiteit, van nationaliteit en van de
inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of
wachtregister;
2º de akten van geboorte van de hierboven vermelde kinderen;
3º een voor eensluidend verklaard afschrift van de laatste
huwelijksakte en van de laatste huwelijksovereenkomst;
4º indien deze verschilt met de verblijfplaats die in het
Rijksregister is vermeld, het bewijs van de huidige
verblijfplaats of, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone
verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden. Indien de
voorgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan
de griffie om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan
verzoeken.
§ 2. De betrokkenen worden ervan vrijgesteld de diverse in § 1
vermelde bewijzen van identiteit, van nationaliteit en van
inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister over te
leggen, voor zover de respectieve betrokkenen op de datum van de
gedinginleidende akte zijn opgenomen in het Rijksregister van de
natuurlijke personen, opgericht bij de wet van 8 augustus 1983
tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
De in dit register opgenomen gegevens gelden tot bewijs van het
tegendeel. De griffier van de rechtbank controleert in dat geval
de identiteitsgegevens aan de hand van het Rijksregister en
voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier. Er
geldt tevens vrijstelling van het overleggen van:
1º de in § 1 vermelde geboorteakten voor zover de betrokken
kinderen in België geboren zijn;
2º de huwelijksakte, indien het huwelijk in België plaatsvond.
In beide gevallen vraagt de griffie van de rechtbank zelf
afschrift van de akte op bij de houder van het register.
Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en
de griffie de plaats van de overschrijving ervan kent.
§ 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op een
vordering in kort geding. Ze zijn evenmin van
toepassing op personen die zijn ingeschreven in het
wachtregister.
§ 4. Als de vermeldingen van de akte van rechtsingang onvolledig
zijn of indien de griffie bepaalde informatie niet tijdig kon
verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de
meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of
het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan
ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.
§ 5. Tot aan de sluiting van de debatten kunnen de partijen of
een van de partijen de zaak of het voorwerp van de vordering
uitbreiden of wijzigen, tegenvorderingen of aanvullende
vorderingen inleiden, en dit aan de hand van op tegenspraak
genomen conclusies of door conclusies die aan de andere
echtgenoot worden meegedeeld bij gerechtsdeurwaarders-exploot of
bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.».
Art. 23
Artikel 1255 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30
juni 1994, wordt vervangen als volgt:
«Art. 1255.— § 1. Indien de echtscheiding door de partijen
gezamenlijk gevorderd wordt op grond van artikel 229, § 2, van
het Burgerlijk Wetboek, wordt het verzoekschrift ondertekend
door iedere echtgenoot of ten minste door een advocaat of een
notaris. Als vaststaat dat de partijen sinds meer dan zes
maanden feitelijk gescheiden zijn, spreekt de rechter de
echtscheiding uit. Als de partijen niet langer dan zes maanden
feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting
vast. Deze heeft plaats op een datum die onmiddellijk volgt op
het verstrijken van de termijn van zes maanden, of drie maanden
na de eerste verschijning van de partijen. Tijdens deze zitting
spreekt de rechter de echtscheiding uit indien de partijen hun
wil hiertoe bevestigen. Wanneer de rechter de echtscheiding
uitspreekt, homologeert hij desgevallend de tussen de partijen
gesloten akkoorden.
§ 2. Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de
echtgenoten met toepassing van artikel 229, § 3, van het
Burgerlijk Wetboek, spreekt de rechter de echtscheiding uit als
hij vaststelt dat de partijen sinds meer dan één jaar feitelijk
gescheiden zijn. Als de partijen niet langer dan een jaar
feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting
vast. Deze heeft plaats op een datum die onmiddellijk volgt op
het verstrijken van de termijn van een jaar, of een jaar na de
eerste zitting. Tijdens deze zitting spreekt de rechter de
echtscheiding uit indien een van de partijen erom verzoekt.
§ 3. Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de
echtgenoten en de andere echtgenoot in de loop van de procedure
zich met die vordering akkoord verklaart, wordt de echtscheiding
uitgesproken, mits het respecteren van de in § 2 bedoelde
termijnen.
§ 4. De feitelijke scheiding van de echtgenoten kan aangetoond
worden door alle wettelijke middelen, met
uitzondering van de bekentenis en de eed, en onder andere door
voorlegging van een getuigschrift van woonplaats waaruit
inschrijvingen op verschillende adressen blijken.
§ 5. Indien de echtscheiding door een van de partijen gevorderd
wordt met toepassing van artikel 229, § 1, van het Burgerlijk
Wetboek, en het bewijs van de onherstelbare ontwrichting
geleverd is, kan de rechter de echtscheiding dadelijk
uitspreken.
§ 6. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden is de persoonlijke
verschijning van de partijen vereist in geval van een
gezamenlijke vordering gebaseerd op artikel 229, § 2 van het
Burgerlijk Wetboek, in de andere gevallen is de persoonlijke
verschijning van de verzoekende partij vereist. De zitting heeft
in elk geval plaats in raadkamer. Onverminderd artikel 1734
poogt de rechter de partijen te verzoenen. Hij verstrekt hen
alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en met name over
het nut een beroep te doen op de bemiddeling waarin het zevende
deel van dit Wetboek voorziet. Hij kan de schorsing van de
procedure bevelen teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden
alle nuttige inlichtingen dienaangaande in te winnen. De duur
van de schorsing mag niet meer bedragen dan één maand.
§ 7. Als een echtgenoot zich in een toestand van krankzinnigheid
of van diepe geestesgestoordheid bevindt, wordt hij als
verweerder vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn voorlopige
bewindvoerder of, bij gebreke van dezen, door een beheerder ad
hoc die vooraf door de voorzitter van de rechtbank aangewezen
wordt op verzoek van de eisende partij.».
Art. 24
Artikel 1256 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van de
30 juni 1994, wordt hersteld in de volgende lezing: «Art. 1256.—
Op ieder ogenblik kunnen de partijen de rechter verzoeken hun
overeenkomsten te homologeren over de voorlopige maatregelen met
betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen
van de echtgenoten of van hun kinderen. Hij kan weigeren de
overeenkomst te homologeren als deze duidelijk in strijd is met
het belang van de kinderen. Bij gebrek aan een overeenkomst of
in geval van een gedeeltelijke overeenkomst wordt de zaak, op
verzoek van één van de partijen, verwezen naar de eerst nuttige
zitting van de zaken in kort geding, voor zover deze nog niet is
ingeschreven op de rol van de zaken in kort geding. Artikel 803
is van toepassing.».
Art. 25
Artikel 1257 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van de
30 juni 1994, wordt hersteld in de volgende lezing: «Art. 1257.—
Onverminderd artikel 302 van het Burgerlijk Wetboek zijn de
tijdens de echtscheidingsprocedure gehomologeerde overeenkomsten
of de maatregelen bevolen in kort geding voorlopig in de zin van
artikel 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Niettemin kunnen de partijen, na het verstrijken van een termijn
van drie maanden volgend op de homologatie van hun overeenkomst
of de beschikking in kort geding, om de bekrachtiging van de
maatregelen door de feitenrechter vragen, dit keer definitief en
ook voor de periode die volgt op de echtscheiding. De
gedeeltelijke akkoorden inzake de vereffening van het
huwelijksvermogensstelsel die zijn gesloten gedurende de
echtscheidingsprocedure, blijven gesloten onder de opschortende
voorwaarden van de definitieve uitspraak van de echtscheiding en
van hun bekrachtiging tijdens de procedure van vereffening en
verdeling.».
Art. 26
Artikel 1258 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30
juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt: «Art. 1258.— Behoudens andersluidende
overeenkomst worden de kosten verdeeld onder de partijen wanneer
de echtscheiding is uitgesproken op grond van artikel 229, §§ 1
en 2, van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de echtscheiding
uitgesproken is op grond van artikel 229, § 1, kan de rechter
echter anders beslissen, rekening houdend met alle
omstandigheden van de zaak. Ze worden ten laste gelegd van de
eisende partij wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken op
grond van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek.».
Art. 27
In hetzelfde Wetboek worden opgeheven:
1º artikel 1259, hersteld bij de wet van 19 februari 2001;
2º artikel 1267;
3º artikel 1268, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997;
4º artikel 1269, tweede lid, vervangen bij de wet van 28 oktober
1974 en gewijzigd bij de wet van 30 juni 1994;
5º artikel 1270bis, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van 16 april 2000.
Art. 28
Artikel 1274 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30
juni 1994, wordt vervangen als volgt:
«Art. 1274.— De termijn om zich in cassatie te voorzien tegen
een beslissing die de echtscheiding uitspreekt, wordt
vastgesteld op één maand. Deze termijn en de voorziening in
cassatie schorsen de tenuitvoerlegging.».
Art. 29
In artikel 1275, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 30 juni 1994, vervallen de woorden op grond van bepaalde
feiten.
Art. 30
In artikel 1282 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, worden de
volgende wijzigingen aangebracht: 1º de woorden «de dagvaarding
tot echtscheiding is betekend» worden vervangen door de woorden
«de vordering wordt ingeleid»;
2º een tweede lid wordt toegevoegd, luidende: «In ieder geval
hebben de partijen de mogelijkheid om een inventaris te laten
opstellen overeenkomstig hoofdstuk II van boek IV.».
Art. 31
In hetzelfde Wetboek worden opgeheven:
1º de artikelen 1284 tot 1286;
2º artikel 1286bis, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1974 en
gewijzigd bij de wet van 30 juni 1994;
3º artikel 1287, vierde lid, gewijzigd bij de wetten van 1 juli
1972, 14 mei 1981 en 30 juni 1994.
Art. 32
In artikel 1288, eerste lid, 2º van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 1 juli 1972 en gewijzigd bij de wetten van 30
juni 1994 en 13 april 1995, worden de woorden «de kinderen
bedoeld in artikel 1254» vervangen door de woorden «de
minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide
echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben
geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft
geadopteerd.
Art. 33
In artikel 1288bis van hetzelfde Wetboek worden de woorden
«1254, § 2, eerste lid» vervangen door de woorden «1254, § 1,
tweede lid».
Art. 34
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1291bis ingevoegd,
luidende:
«Art. 1291bis.— Indien de echtgenoten aantonen dat ze op het
ogenblik waarop de vordering wordt ingediend al meer dan zes
maanden feitelijk gescheiden zijn, worden ze vrijgesteld van de
verschijning waarin voorzien wordt in artikel 1294. In dat geval
worden de artikelen 1295 en volgende toegepast.».
Art. 35
In artikel 1294, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 30 juni 1994, worden de woorden «, of
vertegenwoordigd door een advocaat of door een notaris,»
ingevoegd tussen de woorden «verschijnen de echtgenoten samen en
in persoon» en de woorden «voor de voorzitter van de rechtbank».
Art. 36
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1294bis ingevoegd,
luidende:
«Art. 1294bis.— § 1. Indien een van de partijen niet verschijnt
tijdens de zitting waarin artikel 1294 voorziet of in de loop
van de procedure meedeelt dat ze die niet wenst voort te zetten,
kan de meest gerede partij om de toepassing van artikel 1255
verzoeken. In dat geval neemt de termijn van een jaar voor het
bepalen van de zitting waarin artikel 1255, § 2, tweede lid,
voorziet een aanvang op de dag van de in artikel 1289 bedoelde
verschijning.
§ 2. Indien afstand wordt gedaan van de procedure, verbinden de
in artikel 1287 bepaalde overeenkomsten de partijen voorlopig,
tot wanneer de artikelen 1257 of 1280 worden toegepast. Indien
de overeenkomsten niet de vorm van een uitvoerbare titel hebben,
wordt, op verzoek van de meest gerede partij, de zaak bepaald op
de rechtsdag van kort geding, in overeenstemming met artikel
1256. Indien een van de partijen daarom verzoekt, spreekt de
voorzitter een voorlopige beschikking uit, in overeenstemming
met de overeenkomsten.».
Art. 37
Artikel 1305 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
«Art. 1305.— De vordering tot scheiding van tafel en bed wordt
behandeld en gevonnist in dezelfde vormen als de vordering tot
echtscheiding. De vordering tot echtscheiding kan te allen tijde
worden omgezet in een vordering tot scheiding van tafel en bed.
De vordering tot scheiding van tafel en bed kan te allen tijde
worden omgezet in een vordering tot echtscheiding. »
Art. 38
In hetzelfde Wetboek worden opgeheven:
1º artikel 1306, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wetten van 27 december 1994 en 20 mei 1997;
2º artikel 1307, gewijzigd bij de wetten van 24 juni 1970 en 20
mei 1997;
3º artikel 1309, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1972, 3
augustus 1992, 27 december 1994 en 16 april 2000;
4º artikel 1310, gewijzigd bij de wetten van 1 juli 1972, 27
december 1994 en 16 april 2000.
Art. 39
In artikel 1412, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1º in het 1º vervallen de getallen «306, 307» en de woorden «of
1306»;
2º in het 2º worden de woorden «301bis» vervangen door de
woorden «301, § 11».
HOOFDSTUK IV - Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 40
In artikel 391bis van het Strafwetboek worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1º in het tweede lid vervallen de getallen «306, 307» en de
woorden «en 1306, derde lid»,
2º in het derde en het vierde lid vervallen de woorden «en 1306,
eerste lid»;
3º in het derde en het vierde lid worden de woorden «301bis»
vervangen door de woorden «301, § 11».
HOOFDSTUK V - Wijzigingen van het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 41
Het derde lid van artikel 269(1) van het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt opgeheven.
HOOFDSTUK VI - Overgangsbepalingen
Art. 42
§ 1. Voor de toepassing van artikel 229, §§ 2 en 3, van het
Burgerlijk Wetboek, wordt de periode van feitelijke scheiding
die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet in
aanmerking genomen.
§ 2. De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek
blijven van toepassing op de procedures van echtscheiding of
scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de
inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is
uitgesproken. Het recht op levensonderhoud na echtscheiding
blijft bepaald door het bepaalde in de vroegere artikelen 301,
306, 307 en 307bis van hetzelfde Wetboek, onverminderd het
bepaalde in de §§ 3 en 5.
§ 3. Indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de
inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere
artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in
artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een
uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere
wettelijke voorwaarden.
§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 301, §§ 2,
3 en 5, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7,
kan men zich beroepen op feiten die voorafgaan aan de
inwerkingtreding van deze wet.
§ 5. Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd
bij artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot
levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat
voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur
van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, §
4, bepaalde termijn een aanvang op de datum van de
inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur van de uitkering
werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de
beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan
overschrijden.
§ 6. Artikel 1274 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij
artikel 28, is niet van toepassing op de arresten die
uitgesproken zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, indien
de debatten voordien werden afgesloten.
Art. 43
Artikel 1294bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals
gewijzigd bij artikel 36, is niet van toepassing op
overeenkomsten die de partijen hebben getekend vóór de
inwerkingtreding van deze wet.
HOOFDSTUK VII - Inwerkingtreding
Art. 44
Deze wet treedt in werking op 1 september 2007.
 |