Parlementaire vragen
Datum Vraag Vraagsteller
12-12-2006 Vraag over DeToekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind Melchior Wathelet, (CDH)
20-03-2007 Vraag  over "de gevolgen van vonnissen in echtscheidingsprocedures die het co-ouderschap opleggen" Bart Tommelein (Open VLD)
24-01-2007 Titel Onderhoudsgeld. - DAVO. - Toekenning van voorschotten. - Onderhoudsplichtigen. Luk Van Biesen, (VLD)
28-11-2006 Parlementaire vraag over "de algemene rechtsbijstandsverzekering" Bart Tomelein (VLD)
24-11-2006 Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind. Melchior Wathelet, CDH
21-11-2006 Samengevoegde vraag ivm de omzendbrief nr COL 8/2005 betreffende klachten inzake het omgangsrecht Sevais Verherstraeten (cd&v)
Sabien Lahaye-Battheu (vld)
07-11-2006 Parlementaire vraag over "de moeilijkheden om de maatregelen inzake gelijkmatig verdeelde huisvesting toe te passen" (nr. 12703) Marie CHristine Marghem (MR)
17-07-2006 Vraag ivm samenlevingscontracten Sabien Lahaye-Battheu (vld)
06-06-2006 Vraag ivm de gebrekkige werking van de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) Nahima Lanjil (cd&v)
Magda De Meyer (sp-a)
20-05-2006 Vraag ivm het aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding Servais Verherstraeten (cd&v)
  Vraag ivm het Actieplan Partnergeweld Sabien Lahaye-Battheu (vld)
02-05-2006 Mondelinge Vraag - Zoeken naar oplossing voor problematiek van ouderontvoeringen: ouders hebben wel degelijk inspraak. Sabien Lahaye-Battheu (vld)
07-04-2006 Schriftelijke vraag - Hoorrecht kinderen - “Heb je even tijd voor mij mevrouw, meneer de rechter?” Sabien Lahaye-Battheu (vld)
 
12-12-2006 Vraag over: De Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind
Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind
 

Vraag nr. 555 van de heer Melchior Wathelet van 12 december 2006 (Fr.) aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid:

Naar verluidt zou de uitvoering van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind op een aantal moeilijkheden stuiten, in het bijzonder wat de toekenning van kinderbijslag betreft. Wanneer de ouders in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden de kinderen soms op een gelijkmatige manier aan de scheidende ouders toegewezen en blijft een van beide ouders niettemin het volledige kindergeld ontvangen. Die regeling lijkt niet eerlijk. Beide ouders zorgen immers elk voor de helft van de tijd voor hun kinderen en dragen bijgevolg beide de helft van de kosten.

Kan u verduidelijken welke weerslag de gelijkmatig verdeelde huisvesting op de toekenning van de kinderbijslag in het geval van een echtscheiding heeft ?

Antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 21 februari 2007, op de vraag nr. 555 van de heer Melchior Wathelet van 12 december 2006 (Fr.) :

In antwoord op uw vraag, heb ik de eer u de volgende inlichtingen mee te delen.
Wanneer de ouders scheiden en het kind afwisselend bij één van zijn ouders verblijft, gedurende een gelijk aantal dagen, wordt de kinderbijslag betaald op de volgende wijze. De toe te passen regels worden bepaald in functie van de datum waarop de scheiding zich voordoet. Voor 3 juni 1995, datum van inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, was het alleenbeheer van het kind door één van de ouders de regel wanneer deze niet (meer) samenwoonden. De gevallen van beurtouderschap voor 3 juni 1995, met name de situaties waar bewezen werd dat de kinderen afwisselend en even lang verbleven bij de moeder als bij de vader, werden beschouwd als een uitzondering en waren niet wettelijk geregeld. Een praktische oplossing werd aldus aangebracht voor deze uitzonderingssituaties, die erin bestond om de gebruikelijke regels inzake kinderbijslag toe te passen, alsof de ouders nog altijd één en hetzelfde gezin vormen om de kinderen op te voeden. Derhalve is op basis van deze juridische fictie de vader in principe de rechthehbende (hij opent bijgevolg het recht op kinderbijslag), terwijl de moeder beschouwd blijft als bijslagtrekkende (zij krijgt dan de kinderbijslag).

Sinds 3 juni 1995 wordt de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag de regel, zowel wanneer de ouders samenwonen als wanneer ze gescheiden zijn. Het koninklijk besluit van 21 april 1997 houdende sommige bepalingen betreffende de gezinsbijslag ter uitvoering van artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels heeft in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders het principe van het gezamenlijk ouderlijk gezag ingeschreven (artikelen 60, 64 en 69 van deze wetten). Voor de scheidingen die zich hebben voorgedaan tussen 3 juni 1995 en 1 oktober 1997, datum van inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit, is de praktische oplossing waarvan sprake hierboven, in principe eveneens van toepassing wanneer er in een afwisselend verblijf werd voorzien.

Wat de scheidingen betreft die zich hebben voorgedaan vanaf 1 oktober 1997, is de juridische fictie volgens welke het gemeenschappelijk gezin bleef voortduren van toepassing, ongeacht de verblijfsmodaliteiten van het kind (verblijf enkel bij één van de ouders, afwisselend verblijf van ongelijke duur of gelijkmatig verdeelde huisvesting). Zo is, in principe, de vader voorrangsgerechtigde rechthebbende en de moeder bij slagtrekkende.

Het moet echter benadrukt worden dat er op het principe van de aanwijzing van de moeder als bijslagtrekkende uitzonderingen bestaan. Artikel 69 van de voormelde samengeordende wetten laat immers toe om de kinderbijslag integraal uit te betalen aan de vader, op zijn vraag, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling echter gebeuren op een gemeenschappelijke rekening. Tenslotte, wanneer er geen overeenkomst is over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen de ouders de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind; daarenboven voorziet de wet in de mogelijkheid om verzet aan te tekenen bij de vrederechter tegen de betaling aan de bijslagtrekkende.

Er moet eveneens benadrukt worden dat, naar aanleiding van vonnissen geveld inzake ouderlijk gezag of echtscheiding, de bevoegde rechter kan beslissen over de bestemming van de kinderbijslag. In deze hypothese moet de kinderbijslaginstelling de kinderbijslag uitbetalen aan de persoon aangewezen door het vonnis, op voorwaarde dat haar een kennisgeving werd gericht van dit laatste.

Zoals u kunt vaststellen, hebben de praktijk en nadien de wet een oplossing aangebracht die de toekenning van de kinderbijslag toelaat in geval van scheiding van de ouders en van gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind. Deze oplossing die gebaseerd is op een juridische fictie, bestaat erin om de kinderbijslag integraal uit te betalen aan één van de twee ouders, in de regel de moeder.

Rekening houdend met de huidige tendens om bij scheiding van de ouders een voorkeur te geven aan een gelijkmatige huisvesting, heb ik mijn administratie gevraagd de mogelijkheid te onderzoeken om de bestaande regels betreffende de toekenning van de kinderbijslag aan te passen opdat beter zou rekening gehouden worden met deze evolutie.

Terug naar boven

20-03-2007 Vraag van Bart Tommelein over "de gevolgen van vonnissen in echtscheidingsprocedures die het co-ouderschap opleggen"

Vraag van de heer Bart Tommelein aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over "de gevolgen van vonnissen in echtscheidingsprocedures die het coouderschap opleggen" (nr. 14716)

08.01 Bart Tommelein (VLD): Steeds vaker wordt bij echtscheidingen het co-ouderschap opgelegd. Dat is op zich een goede zaak, maar het heeft toch een pervers effect. Zo komt het frequent voor dat een van beide partners na de uitspraak van de echtscheiding naar een andere gemeente verhuist. Het kind moet dan schoollopen in twee verschillende scholen. Dat brengt voor de scholen een administratieve rompslomp mee en heeft grote emotionele gevolgen voor het kind. Is de minister op de hoogte van de gevolgen van het co-ouderschap voor sommige kinderen?

Beschikt de minister over cijfers van het aantal kinderen dat naar twee scholen moet gaan? Welke maatregelen zal de minister nemen om dit probleem aan te pakken? Het lijkt me logisch dat een rechter beslist dat co-ouderschap in sommige gevallen niet mogelijk is.


08.02 Minister Laurette Onkelinx (Nederlands):

Volgens het principe van het gezamenlijke ouderlijke gezag moeten beide ouders samen de school kiezen. Lukt dat niet, dan moet een rechter
de school bepalen. Het model van de gelijkmatig verdeelde huisvesting, zoals bepaald in de wet van 19 juli 2006, is niet dwingend. Rekening houdend met de omstandigheden, kan de rechter ervan afwijken. Een kind verplichten naar twee verschillende scholen te gaan, is niet aangewezen en is enkel mogelijk in de kleuterschool. Het co-ouderschap kan een kind niet dwingen om van school te veranderen. In de meeste gevallen is het de scheiding die problemen oplevert en niet het aantal dagen dat het kind bij beide ouders doorbrengt.

08.03 Bart Tommelein (VLD): Het is belangrijk dat de rechters goed weten dat bij een echtscheiding met onderlinge toestemming ook de schoolkeuze duidelijk moet worden gestipuleerd. Het kind naar één school sturen kan een dwingende voorwaarde zijn bij het uitspreken van een co-ouderschap.

Het incident is gesloten.

Terug naar boven

24-01-2007 Titel Onderhoudsgeld. - DAVO. - Toekenning van voorschotten. - Onderhoudsplichtigen.

Auteur Luk Van Biesen, VLD Departement Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën Sub-departement Financiën Titel Onderhoudsgeld. - DAVO. - Toekenning van voorschotten. - Onderhoudsplichtigen. Datum indiening 24/01/2007 Taal N Status vraag Vraag verzonden naar departement Termijndatum 23/02/2007

Vraag
:
Om een oplossing te vinden voor het probleem van de niet-betaling van onderhoudsgeld aan kinderen en (ex-)partners en om hulp te bieden bij de uitvoering van gerechtelijke uitspraken, werd de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) opgericht.

De aanvragen tot toekenning van voorschotten kunnen vanaf 1 juni 2005 ingediend worden bij de plaatselijke kantoren van DAVO.

1. Het aantal dossiers neemt, in vergelijking tot de periode waarin de dossiers behandeld werden door het OCMW, niet toe terwijl er 87 personeelsleden in dienst werden genomen.

Is dit correct?

2. a) Klopt het dat 20 % van de onderhoudsplichtigen in het buitenland gedomicilieerd zijn?
b) Kan nagegaan worden om welke buitenlandse nationaliteiten het gaat?
c) Op welke wijze worden deze in het buitenland gedomicilieerde onderhoudsplichtigen aangemaand om hun verplichtingen na te komen?
d) Zijn er uitvoeringsmaatregelen naar hen toe?
e) Hoeveel buitenlandse onderhoudsplichtigen geven gevolg aan de aanmaningen om effectief over te gaan tot het betalen van alimentatie?

3. De tendens die zich inzet, laat voelen dat het maandelijkse vastgestelde bedrag aan voorschotten lager ligt dan wat effectief werd toegekend aan de onderhoudsgerechtigden.
a) Welke gevolgen heeft dit op budgettair vlak?
b) Wat is de weerslag op de begroting?
c) Wat is de in te schatten evolutie naar de toekomst toe?

4. Hoe zit het met de aflevering van een fiscaal attest aan de onderhoudsgerechtigde voor de ontvangen betalingen?

5. Hoever staat het met de onderhandelingen met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid om een geautomatiseerde overdracht  van gegevens te verkrijgen?

6. In hoeveel dossiers werd er effectief overgegaan tot gedwongen tenuitvoerleggingen lastens de onderhoudsplichtige?

7. a) Kan nagegaan worden hoe hoog het werkloosheidspercentage ligt bij onderhoudsplichtigen?
b) Zo ja, kan u een procentueel overzicht geven?

8. Indien gevallen van bedrieglijk onvermogen worden vastgesteld, worden deze doorgegeven aan het bevoegde parket?

Eurovoc-descriptoren ALIMENTATIEPLICHT

Terug naar boven

28-11-2006 Vraag van de heer Bart Tommelein aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over "de algemene rechtsbijstandsverzekering" (nr. 13234)

Bart Tommelein (VLD): De verzekering rechtsbijstand, waarvoor Assuralia een model heeft opgesteld, zou de toegang tot het gerecht moeten garanderen voor iedereen. Volgens de regering biedt deze verzekering een substantiële dekking in bijna alle materies, maar de Orde van Vlaamse Balies spreekt dat tegen. Betwiste echtscheidingszaken of bouwgeschillen vallen niet onder de dekking van de verzekering. Nochtans zal de consument menen dat hij wel gedekt is voor al dat soort zaken.

 

Moet de rechtsbijstandsverzekering niet worden uitgebreid?

 

Minister Laurette Onkelinx (Frans): We hebben beide gedaan. Voor 15 procent van de bevolking vormt het betalen van de gerechtskosten niet het minste probleem; 15 procent van de bevolking heeft dan weer recht op rechtsbijstand. Die laatste maatregel werd uitgebreid tot de zeer lage lonen. Tussen die twee categorieën in zit een middenklasse die financieel kopje onder kan gaan zodra een beroepsprocedure wordt gestart of een beroep wordt gedaan op experts. Er werden verschillende oplossingen voorgesteld. Mutualisering is op korte termijn om verscheidene redenen bijna niet haalbaar. We hebben ook gewerkt aan een oplossing via de verzekering rechtsbescherming, die, door de waarborgen die ze zou kunnen verschaffen, ten dele op een mutualisering zou neerkomen.

 

De regering heeft beslist om een fiscaal voordeel aan dat contract te verbinden teneinde de kostprijs voor de consument te verlagen. In het kader van algemene onderhandelingen hebben we niet alleen aan het premiebedrag gesleuteld, maar ook aan de dekking, de franchise, enz..

Momenteel wordt een dekking beoogd voor de echtscheiding met onderlinge toestemming en de bemiddeling in familiezaken. Echtscheidingen met onderlinge toestemming vertegenwoordigen nu al tachtig procent van de desbetreffende procedures. Als het parlement het wetsontwerp inzake de schuldloze echtscheiding goedkeurt, evolueren we naar een algemene dekking. De betwiste echtscheiding en de geschillen over alimentatiegeld zouden van de verzekering kunnen worden uitgesloten omdat ze de premie zouden doen stijgen.

 

(Nederlands) Het is van het grootste belang dat de bemiddeling in familiezaken ten laste wordt genomen. Bemiddeling - met name in familiezaken - heeft haar nut in het verleden al ruimschoots bewezen.

Het sociaal recht staat niet in de minimumwaarborgen, maar het is natuurlijk niet onmogelijk dat de verzekeringsmaatschappijen het tegen een premiesupplement wel voorstellen. Mocht het sociaal recht in de basisverzekering hebben gezeten, zou er een aanzienlijke verhoging van de premie zijn geweest. Heel wat mensen hebben trouwens al recht op juridische ondersteuning via de vakbonden. Het staat buiten kijf dat de verzekeringscontracten voor rechtsbijstand een substantiële vooruitgang betekenen op het vlak van de toegang tot de rechtsbedeling.

 

Bart Tommelein (VLD): Ik ben het met de minister eens dat er sprake is van een vooruitgang, al blijf ik als volbloed liberaal ervoor beducht dat er te veel zou worden geregeld via allerlei besluiten en reglementen. Wanneer deze vorm van verzekering op kruissnelheid draait, moet er zeker een evaluatie komen van zowel de inhoud als van de verhouding tussen prijs en kwaliteit.

 

Het incident is gesloten.

 

Voorlopig Verslag - Dinsdag 28-11-2006

Terug naar boven

24-11-2006 Vraag van Melchior Wathelet over de Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind.

Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind

Vraag:

Naar verluidt zou de uitvoering van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind op een aantal moeilijkheden stuiten, in het bijzonder wat de toekenning van kinderbijslag betreft.

Wanneer de ouders in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden de kinderen soms op een gelijkmatige manier aan de scheidende ouders toegewezen en blijft een van beide ouders niettemin het volledige kindergeld ontvangen.

Die regeling lijkt niet eerlijk. Beide ouders zorgen immers elk voor de helft van de tijd voor hun kinderen en dragen bijgevolg beide de helft van de kosten. 

Kan u verduidelijken welke weerslag de gelijkmatig verdeelde huisvesting op de toekenning van de kinderbijslag in het geval van een echtscheiding heeft?

Antwoord van de vice-eersteminister en minister van Justitie van 19 december 2006, op de vraag nr. 1163 van de heer Melchior Wathelet van 24 november 2006 (Fr.):

De reglementering betreffende de kinderbijslag valt onder de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, aan wie ik de vraag bijgevolg overmaak. (Vraag nr. 555 van 12 december 2006.)

Terug naar boven

21-11-2006 Samengevoegde vragen van  - de heer Servais Verherstraeten aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de evaluatie van de toepassing van de omzendbrief nr. COL 8/2005 van het college van procureurs-generaal voor wat betreft klachten inzake het omgangsrecht" (nr. 12878) 

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de klachten inzake het omgangsrecht" (nr. 12933)

07.01 Servais Verherstraeten (CD&V): Mevrouw de vice-eerste minister, aangaande deze materie hebben wij reeds aan uw collega en aan u de vraag gericht, waarin u onder meer ook verwees naar rondzendbrief 8/2005 over het vereenvoudigd proces-verbaal.

Er is ook het gegeven dat ook lokale politiediensten soms terughoudend zijn in de implementatie van die rondzendbrief. Ook zou de rondzendbrief in verschillende arrondissementen op een verschillende wijze worden toegepast. Naar aanleiding van vragen hebt u meegedeeld dat de rondzendbrief medio september 2006 aan een evaluatie zou worden onderworpen.

 

Mevrouw de minister, wat zijn de bevindingen van de evaluatie?
- Is er bijsturing nodig?
- Hoeveel klachten wegens weigering van omgangsrecht of onregelmatigheden in de toepassing ervan werden ingediend sinds 1 juli 2005?
- In hoeveel gevallen werd een gewoon proces-verbaal opgesteld?
- In hoeveel gevallen een vereenvoudigd proces-verbaal?

- Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen inbreuken op de alimentatieplicht enerzijds, en inbreuken op het omgangsrecht anderzijds?
- Bent u bereid ter zake uw standpunt te herzien en aan te sturen op een systematisch opstellen van een gewoon proces-verbaal minstens een ABO voor alle klachten van problematische uitoefening van omgangsrecht?

 

07.02 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Mevrouw de voorzitter, mevrouw de vice-premier, mijn vraag handelt over hetzelfde onderwerp. Wat de concrete vragen betreft, kan ik nog het volgende toevoegen.

- Welke stappen zullen ondernomen worden met het oog op het waarborgen van een uniforme toepassing van de rondzendbrief? Dat is het probleem. Voor de weigering van het meegeven van kinderen stellen sommige politiediensten een vereenvoudigd proces-verbaal op terwijl ze volgens de rondzendbrief een gewoon proces-verbaal zouden moeten opstellen.

 

Nu de evaluatie achter de rug zou moeten zijn, bestaan er thans directieven om te zorgen voor een uniforme toepassing van de rondzendbrief.

- Zullen er duidelijke en pertinente directieven verstrekt worden aan de verantwoordelijken voor het opnemen en opvolgen van klachten over weigering van omgangsrecht in processen-verbaal en klachten wegens onregelmatigheden in de toepassing van het omgangsrecht in vereenvoudigde processen-verbaal?
- Zullen deze richtlijnen worden bezorgd aan de verantwoordelijke politiemagistraten van de parketten en aan alle politiediensten die betrokken zijn bij het opnemen van dit soort klachten.

 

07.03 Minister Laurette Onkelinx: Ik deel u mee dat het College van procureurs-generaal mij kort geleden een eerste evaluatie bezorgde van de autonome politieonderzoeken en de vereenvoudigde processen-verbaal. Op 16 oktober jongstleden werd tijdens een door mij voorgezeten vergadering van het College deze evaluatie besproken. Hieruit blijkt dat de circulaire globaal bekeken goed aanvaard wordt en correct wordt toegepast over het hele grondgebied. Dit eerste evaluatierapport is momenteel echter het voorwerp van een analyse inzake enkele meer specifieke punten. De Raad van de Procureurs des Konings is bij deze analyse betrokken. Deze vragen zullen terug bekeken worden tijdens de volgende vergadering van het College teneinde te overwegen welke wijzigingen er moeten worden aangebracht aan de circulaire Col 8/2005, onder meer inzake de toepassingssfeer ervan voor de vereenvoudigde processen-verbaal.

 

Wat de klachten betreft over het aanwenden van het omgangsrecht met de kinderen wanneer de ouders gescheiden zijn, maakt de circulaire daarin thans reeds een onderscheid.

De klachten die betrekking hebben op het niet-respecteren van de bezoekuren door een ouder geven aanleiding tot het opstellen van een vereenvoudigd procesverbaal. Wanneer de klacht echter ernstiger is en het uitoefenen van het omgangsrecht rechtstreeks in gevaar brengt, zoals wanneer een ouder weigert het kind aan de andere ouder te overhandigen, wat een overtreding is bedoeld in de artikelen 431 en 432 van het Strafwetboek, kan deze klacht nooit tot de opmaak van een vereenvoudigd proces-verbaal leiden. Dit staat reeds duidelijk vermeld in de circulaire 8/2005.

 

Inzake het niet-respecteren van de uitkering tot levensonderhoud voorziet dezelfde circulaire de aanwending van het vereenvoudigd proces-verbaal bij die gelegenheid niet. Bij een dergelijk geval is het dus niet mogelijk een beroep te doen op dit systeem.

 

Aangezien de circulaire recent is en de implementatie ervan voor meerdere parketten die niet op deze manier werken enige tijd in beslag heeft genomen, is het moeilijk om cijfers te verkrijgen over het aantal dossiers dat aanleiding gaf tot een autonoom politieonderzoek of een vereenvoudigd proces-verbaal. Ik wacht echter op de laatste conclusies van het College om mij een definitieve opinie te vormen over de aanwending van deze circulaire.

 

07.04 Servais Verherstraeten (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat betreft de cijfergegevens, ik meen dat de bedoeling van de vereenvoudigde  processen-verbaal en de algemene politieonderzoeken is dat overzichten door de politiediensten aan de parketten worden gegeven. Ik neem aan dat dit per informaticadrager gebeurt zodat het volgens mij zeer eenvoudig moet zijn om cijfers te verzamelen en zodoende meer kennis te krijgen omtrent de omvang van de problematiek.

Ik zal hierop alleszins terugkomen en opnieuw om cijfers ter zake vragen na een volgende bijeenkomst van het College van procureurs-generaal. Mevrouw de minister, u hebt het over sommige specifieke punten die nog moeten worden geanalyseerd. Over welke specifieke punten gaat het?  Met welke specifieke problemen wordt men op dit ogenblik geconfronteerd?

 

07.05 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik heb een korte repliek. U hebt gezegd dat er een eerste evaluatie is gebeurd. Ik weet niet of het mogelijk is om te beschikken over dat document dat uitgaat van de procureurs-generaal.

Kan dat ter kennis worden gegeven?

 

07.06 Minister Laurette Onkelinx: Ja…

 

07.07 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Ten slotte, volgens mij is het grote probleem dat, in weerwil van hetgeen in de circulaire staat, sommige politiediensten bij het niet-afgeven van kinderen - wat u een misdrijf noemt dat aanleiding moet geven tot het opstellen van een volwaardig proces-verbaal - zich op vandaag snel tevreden stellen met een vereenvoudigd proces-verbaal en geen volwaardig proces-verbaal meer opstellen.

Het probleem is volgens mij vooral het feit dat dit niet uniform wordt toegepast in heel het land. Dat is de vraag van een aantal ouders die in dat heel erge geval zitten en hun kinderen niet krijgen. Zij vragen dat alle politiediensten in België op dezelfde manier zouden reageren en conform de circulaire een volwaardig proces-verbaal zouden opstellen. Dat is hetgeen ik nog wilde aankaarten. De wetgever heeft met de nieuwe wet op de gelijkmatig verdeelde huisvesting die in september in werking is getreden inderdaad heel veel bijkomende middelen aangereikt aan alle ouders die problemen hebben om hun kinderen te zien te krijgen. Dat is volgens mij een hele stap vooruit. Er moet echter nog worden gestreefd naar de uniforme toepassing van de circulaire.

 

07.08 Servais Verherstraeten (CD&V): Mevrouw de voorzitter, ik had de minister gevraagd naar de specifieke punten waarnaar zij verwees, maar zonder te specifiëren of zij zou kunnen meedelen wat die specifieke punten zijn.

 

De voorzitter: Als de minister over die inlichtingen beschikt…

 

07.09 Laurette Onkelinx, ministre: Je reviendrai vers vous. Je demanderai au collège des procureurs généraux ce qu'ils analysent encore, en dehors de ce que je vous ai répondu.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.


Bron
CRIV 51 COM 1098     COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE  dinsdag 21-11-2006 Voormiddag

 

http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/51/ic1098.pdf

De teksten werden nog niet door de sprekers nagezien. Zij kunnen hun correcties schriftelijk meedelen vóór

23-11-2006, om 16 uur aan de Dienst Integraal Verslag.
 

Vereenvoudigde processen-verbaal   Begripsomschrijving en historiek

De procedure van de vereenvoudigde processen-verbaal wordt vaak ook aangeduid als 'elektronisch vereenvoudigd proces-verbaal', 'procedure van vereenvoudigde registratie' of 'melding'. Gemakshalve hebben wij het hier alleen over het 'vereenvoudigd proces-verbaal', afgekort als VPV.

De omschrijving van VPV is historisch gebaseerd op de omzendbrieven van de procureurs-generaal van Antwerpen en Gent: het gaat om PV's met een registratie van de belangrijkste materiële elementen van inbreuken die relatief weinig ernstig zijn en/of waarvan de verdachte niet gekend is. Voorbeelden zijn enkelvoudige diefstallen (o.m. van fietsen) zonder geïdentificeerde dader, niet aangifte van woonstverandering, ruzies of relationele moeilijkheden of sluikstorten door ongekende dader. Deze VPV's worden bij de politie uitsluitend op elektronische drager bewaard en worden dus niet aan de procureur des Konings overgemaakt. De politie bezorgt alleen een maandelijkse listing van VPV's aan de procureur des Konings, zodat hij in de mogelijkheid is om toezicht uit te oefenen en een VPV kan opvragen. Deze listings bevatten alleen het notitienummer, een korte omschrijving van het strafbaar feit, de kwalificatie, de plaats en het tijdstip van het feit en de identiteit van de betrokkenen.

Vóór de omzendbrief COL 8/2005

Tot 1 juli 2005 was het uitschrijven van VPV's door politiediensten hooguit op ressortelijk of arrondissementeel vlak geregeld. De enige uitzondering vormde een gemeenschappelijke omzendbrief van de minister van Justitie en van het College (COL 2/2005 van 1 februari 2005) die het opstellen van een VPV voorzag in het geval van een vaststelling van het bezit van een kleine hoeveelheid cannabis.

Voor een gedetailleerd overzicht van de oude richtlijnen die in de verschillende rechtsgebieden en arrondissementen van kracht waren, verwijzen wij de lezer naar de gelijknamige rubriek in de jaargang 2004 van deze statistische publicatie.

In december 2003 heeft elke procureur-generaal in zijn rechtsgebied een omzendbrief verspreid met uniforme richtlijnen voor de registratie van VPV's (15/03 d.d. 26 december 2003 in Antwerpen, 53/03 d.d. 23 december 2003 in Bergen, 13/03 d.d. 30 december 2003 in Brussel, 45/03 d.d. 19 december 2003 in Gent, 75/03 d.d. 19 december 2003 in Luik). Deze omzendbrieven zijn van kracht geworden op 1 januari 2004 en bevatten richtlijnen die bepalen dat VPV's in principe niet in het REA-systeem worden ingevoerd. Daar waar men dit toch wenst te doen, moet men dit op een herkenbare wijze registreren.

De omzendbrief COL 8/2005

Op 1 juli 2005 werd de omzendbrief COL 8/2005 van het College van procureurs-generaal van kracht betreffende het ambtshalve politioneel onderzoek en het vereenvoudigd proces-verbaal. Deze omzendbrief geeft een nationale definitie van het begrip vereenvoudigd proces-verbaal, preciseert het toepassingsgebied en de limitatieve lijst van de inbreuken die in aanmerking komen voor het opstellen van een VPV. Tevens bepaalt ook deze omzendbrief dat VPV’s zelf in principe niet aan de procureur des Konings worden overgemaakt - tenzij deze daarom verzoekt of tenzij zich nieuwe elementen aandienen die het opstellen van een gewoon proces-verbaal noodzakelijk maken - maar worden door de verbaliserende politiedienst bewaard op elektronische drager. Daarom worden de VPV’s in regel niet in het REA-systeem ingevoerd als gewone zaken en precies daarom ook worden zij niet als gewone zaken in de Jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie geteld.

De Jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie houdt dus geen rekening met VPV's die enkel op listing aan de parketten worden overgemaakt. Slechts die VPV’s die door de procureur des Konings worden opgevraagd, worden in het REA-systeem ingevoerd, krijgen het karakter van gewone processen-verbaal en maken het voorwerp uit van de tellingen in de Jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie.

Statistische gegevens

De gegevens over de VPV’s werden door de statistisch analisten bij de correctionele parketten opgevraagd.

TABEL C

Aantal vereenvoudigde processen-verbaal op listing per gerechtelijk arrondissement

tabel C voor 2003 2004 2005

  n
ANTWERPEN ANTWERPEN 76.228
MECHELEN 9.834
TURNHOUT 27.527
HASSELT 22.105
TONGEREN 11.377
RECHTSGEBIED 147.071
BERGEN CHARLEROI 32.536
BERGEN 8.174
DOORNIK 2.030
RECHTSGEBIED 42.740
BRUSSEL BRUSSEL 83.326
LEUVEN 23.241
NIJVEL 3.244
RECHTSGEBIED 109.811
GENT GENT 45.224
DENDERMONDE 33.528
OUDENAARDE 7.194
BRUGGE 35.562
KORTRIJK 21.097
IEPER 3.731
VEURNE 5.775
RECHTSGEBIED 152.111
LUIK LUIK 990
HOEI 0
VERVIERS 0
NAMEN 3.735
DINANT 15
AARLEN 2
NEUFCHATEAU 0
MARCHE-EN-FAMENNE 43
EUPEN 0
RECHTSGEBIED 4.785
BELGIE 456.518

Bron: cijfers opgevraagd door de statistisch analisten aan de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg

Om de lezer toe te laten deze gegevens genuanceerd te interpreteren, vermelden wij de volgende aandachtspunten.

  • In het arrondissement van Nijvel werd de omzendbrief COL8/2005 toegepast vanaf 1 november 2005.
  • Het parket van Doornik maakt gebruik van de procedure van de vereenvoudigde processen-verbaal sedert 1 september 2005. Vanaf die datum heeft men er alle VPV’s ingevoerd in het REA-systeem, doch anders dan zoals in de omzendbrieven voorgeschreven. Dit betekent dat voor Doornik het vermelde aantal VPV’s óók in de tabellen van de transversale analyse is geteld (overschatting van het aantal ingestroomde zaken in 2005!).
  • Het parket van Bergen gebruikt sinds mei 2005 de procedure van de vereenvoudigde processen-verbaal. Vanaf 1 oktober 2005 heeft men er een gedeelte van de vereenvoudigde processen-verbaal geregistreerd in het REA-systeem, doch anders dan zoals in de omzendbrieven voorgeschreven. Dit betekent dat voor Bergen de geregistreerde VPV’s óók in de tabellen van de transversale analyse zijn geteld (overschatting van het aantal ingestroomde zaken in 2005!).
  • In de arrondissementen Hoei, Eupen, Verviers en Neufchâteau werd de praktijk van de VPV’s in 2005 nog niet toegepast.

    Mogelijke invloed van de verschillende toepassingen van VPV'S op de Jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie

    Uit bovenstaande opsomming blijkt dat ook nog in 2005 tussen de rechtsgebieden, maar ook binnen een zelfde rechtsgebied verschillende regels en praktijken bestonden met betrekking tot VPV's. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de interpretatie van de tabellen. De toepassing van de procedure van de VPV's kan immers het aantal zaken dat jaarlijks op een parket instroomt beïnvloeden evenals het relatief aandeel van de getroffen beslissingen in die zaken.

    In gerechtelijk arrondissementen waar de procedure van VPV op grote schaal wordt toegepast, waar dus de VPV's enkel op listings worden overgemaakt en niet in de REA-gegevensbanken worden ingevoerd, is het aantal ingestroomde zaken in tabel 1 van de transversale analyse lager in verhouding tot de parketten waar de praktijk van de VPV niet wordt toegepast óf waar de VPV's in het REA-systeem worden ingevoerd als gewone zaken.

    Aangezien VPV's vooral worden opgesteld voor feiten van gering maatschappelijk belang en/of met ongekende dader, heeft het opstellen van VPV's een invloed op de onderlinge verhouding van de beslissingen in de geregistreerde zaken. Zo zijn o.a. het aantal en het percentage geseponeerde zaken met motief 'dader onbekend' lager in gerechtelijk arrondissementen waar een groot deel van deze zaken met een VPV wordt afgehandeld, er zijn minder onmiddellijke zonder gevolg klasseringen, het percentage gedagvaarde zaken ligt hoger, enz.

    Jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie - 2005
    Opsporing en vervolging van strafzaken door de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg
    http://www.just.fgov.be/statistique_parquets - laatst gewijzigd op 02/05/2006

  •  

    Persbericht college van Procureurs-generaal  30-09-2005

    BIN028 3 ALG 0225 N BELGA-0153 VDK  SAMENLEVING/GERECHT/
    Seponering klacht omgangsrecht: "geen  richtlijn"(procureurs-generaal)

        BRUSSEL 30/09 (BELGA) = Er zijn nooit richtlijnen gegeven om klachten in verband met het omgangsrecht met kinderen te seponeren. Dat meldt het college van procureurs-generaal vrijdag in een persbericht.     "Wel is er een omzendbrief van 1 juli 2005 die toelaat dat de politie pv's over sommige problemen bij de uitoefening van het omgangsrecht niet steeds naar het het parket stuurt. Het gaat hierbij uitsluitend over de gevallen waarbij de uurregeling van het omgangsrecht niet nauwgezet wordt gerespecteerd", aldus de voorzitter van het college van procureurs-generaal.    "De procureur krijgt wel kennis van deze klachten zodat bijvoorbeeld bij herhaling of duidelijke pesterijen steeds kan worden beslist dat het proces-verbaal toch aan zijn diensten moet worden toegezonden", verduidelijkt het persbericht. Bovendien kan de politie uit eigen beweging of op verzoek van de klager een gewoon proces-verbaal opstellen en dit dadelijk aan het parket bezorgen.    Enkele verenigingen van gescheiden ouders hebben donderdagavond een kaarsjeswake gehouden aan het gerechtsgebouw van Antwerpen. Ze eisten dat het omgangsrecht met hun kinderen beter wordt gerespecteerd. De ouders waren ervan overtuigd dat na een richtlijn hun klachten over omgangsrecht systematisch zonder gevolg werden gelaten./.VDK

     ./. 301305 SEP 05

    ARCHIEF 25 oktober 2005

    Vraag van de heer Servais Verherstraeten aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de klachten over het omgangsrecht"

    Minister Onkelinx geeft "gewetenloos" antwoord op twee parlementaire vragen over het omgangsrecht

    COMMISSIE JUSTITIE 25 oktober 2005

    Samengevoegde vragen van - de heer Servais Verherstraeten aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de klachten over het omgangsrecht" (nr. 8269)

    - mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de omzendbrief van het college van procureursgeneraal in verband met het omgangsrecht" (nr. 8356)
     

    Samengevoegde vragen van - de heer Servais Verherstraeten aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de klachten over het omgangsrecht" (nr. 8269)
    - mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de omzendbrief van het college van procureursgeneraal in verband met het omgangsrecht" (nr. 8356)
     

    12.01 Servais Verherstraeten (CD&V): Mijnheer de voorzitter, collega Battheu mag als eerste het woord voeren. 


    12.02 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de vice-premier, in de pers is er in de grote vakantie veel reactie gekomen op de rondzendbrief van de procureurs-generaal die de parketten toelaat om voor alle klachten in verband met bezoekrecht slechts een vereenvoudigd proces-verbaal op te stellen, dus een proces-verbaal dat niet aan de procureur hoeft te worden toegezonden en dat louter informatief is. In het licht daarvan heb ik een drietal concrete vragen.

    Wat noopte het college van procureurs-generaal ertoe om die rondzendbrief te maken?
    Overweegt u om het college ertoe aan te zetten om die rondzendbrief aan te passen?
    Wat is uw persoonlijk standpunt eigenlijk in de materie?

    In november 2004 pleitte ik bij u nog voor een prioritair opvolgbeleid inzake klachten over de niet-naleving van bezoekrecht. Toen hebt u inderdaad verwezen naar een tekort aan wettelijke middelen om onmiddellijk op te treden wanneer een ouder in gebreke blijft. Met die rondzendbrief wordt nu bovendien nog een van die middelen ontkracht. Wat is uw reactie daarop?

     

    12.03 Servais Verherstraeten (CD&V): Mevrouw de minister, wij hebben over dat zeer gevoelige thema reeds meermaals en bij diverse aangelegenheden van gedachten gewisseld. U zult het met ons eens zijn dat, wanneer wij problemen als omgangsrecht en alle randverschijnselen terzake niet adequaat en snel volgen, zaken verrotten met soms dramatische gevolgen.
    Het vereenvoudigd proces-verbaal kan in sommige materies uiteraard op zijn plaats zijn. Ik vraag me echter wel af of het in deze materie wel op zijn plaats is. Vooral, in de rondzendbrief lees ik dat men onder een vereenvoudigd procesverbaal verstaat: “de registratie op informaticadrager van de belangrijkste materiële elementen van inbreuken die relatief weinig ernstig zijn”.Welnu, mevrouw de minister, het niet respecteren van recht op contact heeft met de essentie van onze samenleving te maken, met een hoeksteen van onze samenleving, namelijk met het gezin, in welke wettelijke vorm dan ook samengesteld. Dat is niet relatief weinig ernstig, maar wel zeer ernstig. Ik vind dat het dan eigenlijk niet op zijn plaats is, dat de afhandeling via vereenvoudigd proces niet integraal naar het parket gaat, maar enkel via listing naar het parket gaat. Ik was ook verbaasd dat ik in de rondzendbrief las dat er werd verwezen naar de term “bezoekrecht”, hoewel die eigenlijk sinds de wetswijziging van 1995 niet meer bestaat in ons recht.

     

    Mevrouw de minister, ik heb de volgende concrete vragen.

    Wat dient er worden te begrepen onder “inbreuken op het bezoekrecht” – de term “bezoekrecht” dan ook nog tussen aanhalingstekens –, andere dan die van artikel 4.31 en 4.32 van het Strafwetboek waarvoor de politiediensten een vereenvoudigd proces-verbaal kunnen opstellen? Zal het principe zijn dat de klachten in verband met het omgangsrecht de facto niet meer zullen worden behandeld?

    Vreest u niet dat in dat geval het vertrouwen van de burger in justitie eigenlijk verder ondermijnd zal worden?
    Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen de inbreuken op de alimentatieplicht enerzijds en de inbreuken op het omgangsrecht anderzijds?
    Het omgangsrecht verloopt – gelukkig! – niet via vereenvoudigd proces-verbaal. De twee zijn uiteraard verschillend van aard en hebben ook een andere juridische oorsprong, maar u weet dat zij de facto wel aan mekaar worden gelinkt.

    Ten derde, overweegt u het College van procureurs-generaal ertoe aan te zetten de rondzendbrief te herzien of minstens te verduidelijken, in die zin dat naast misdrijven van familieverlating ook misdrijven inzake het niet aangeven van kinderen als ernstig genoeg worden beschouwd, ook als het te laat wordt gegeven, om een gewoon proces-verbaal op te stellen, minstens een ABO.

    De vierde vraag vervalt in het licht van de werknota die wij van u ontvingen, mevrouw de minister.

     

    12.04 Minister Laurette Onkelinx : Mijnheer de voorzitter, de rondzendbrief van het College van procureurs-generaal inzake het autonoom politioneel onderzoek en de vereenvoudigde processen-verbaal, strekt tot de rationalisering zowel van het werk van het parket als van de politiediensten.
    Wat het omgangsrecht betreft, worden er geregeld verklaringen afgelegd bij de politiediensten om gebruikt te worden in het kader van burgerlijke rechtszaken voor de jeugdrechtbanken of in kortgeding, teneinde sommige modaliteiten te bekomen die als meer passend worden gezien in het kader van de uitoefening van de materiële bewaring van het kind. De processen-verbaal zullen onder vereenvoudigde vorm kunnen worden opgesteld en slechts worden overgemaakt aan de procureur des Konings indien deze dit wenselijk acht. Dit vereenvoudigd proces-verbaal kan nooit worden opgesteld ingeval van het niet aanbieden van het kind.

    Ten tweede, de rondzendbrief van de procureursgeneraal is, mijns inziens, coherent. Ik wijs erop dat zowel de autonome politionele onderzoeken als het opstellen van vereenvoudigde processenverbaal, gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de procureur des Konings die toeziet op de correcte toepassing van zijn onderrichtingen terzake.

    Ten derde, voor de uitoefening van het omgangsrecht moeten bijzondere voorzorgsmaatregelen genomen worden. Het kind is geen zaak dat men gaat ophalen zoals een gestolen of verloren voorwerp. Ik vind niet dat men de ordediensten moet aanmoedigen om systematisch en zonder onderscheid op te treden.

    Het wetsontwerp 51/1673 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind, wordt op dit ogenblik besproken in de subcommissie Familierecht van de Kamer. Artikel 4 van dit ontwerp maakt het mogelijk dat de partij die het slachtoffer is van de schending van de beslissing

    over de huisvesting van een kind, een beroep kan doen op dwangmaatregelen terwijl de rechtbank de aard van die maatregelen en de uitvoeringsmodaliteiten ervan bepaalt in het belang van het kind.


    12.05 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, zolang de wet niet gewijzigd is, moeten we roeien met de riemen die we hebben, onder meer het Strafwetboek dat bepaalt dat een ouder die het kind niet aan de andere ouder afgeeft, een strafbare daad stelt. Ik kan enkel vaststellen dat met de omzendbrief voor ouders die vandaag al erg moedeloos en machteloos zijn, omdat hun klachten keer op keer worden geseponeerd, nogmaals een stap achteruit wordt gezet. Zij hebben immers nog maar eens het gevoel gekregen dat zij bij hun terechte klachten, meer bepaald het niet zien van hun eigen kinderen – niets is zo erg als dat –, een middel minder hebben gekregen. Ik kijk verder uit naar de bespreking van het wetsontwerp. 


    12.06 Servais Verherstraeten (CD&V): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Mijn visie over uw wetsontwerp kent u. We hebben daarover reeds van gedachten gewisseld. Mevrouw de minister, alleen vrees ik dat, naast het probleem van de niet-vervolging – slechts 2 à 3% van de familiedelicten geven effectief aanleiding tot vervolging – er nog een ander probleem wordt gecreëerd. Als er überhaupt al wordt vervolgd, gebeurt dat pas na geruime tijd. De drempel is al zo hoog om te nemen. Ik vrees dat we nu een hogere drempel nemen door via het vereenvoudigd proces-verbaal dat soort misdrijven te laten vaststellen en ze de facto, conform de inhoud van de omzendbrief, als niet ernstig te beschouwen.

    Mevrouw de minister, ik betreur dat. Inderdaad, de opvolging staat onder controle van de procureur des Konings, die op de correcte toepassing ervan kan oordelen. Als hij echter op maandelijkse listings controle moet voeren, dan weet u ook, mevrouw de minister, dat de controle de facto dode letter zal blijven.Ook op psychologisch vlak was de omzendbrief in het licht van de problematiek niet op zijn plaats.

    Mevrouw de minister, misdrijven van die aard verdienen veel meer aandacht. Soms zijn ze immers niet alleen een bron van heel veel irritatie en ongenoegen, maar liggen ze ook aan de oorsprong van dramatische daden. Dat zou ik betreuren.

     

    Het incident is gesloten.

    Terug naar boven

    Parlementaire vraag bij de nieuwe wet over "de moeilijkheden om de maatregelen inzake gelijkmatig verdeelde huisvesting toe te passen" (nr. 12703) Marie CHristine Marghem (MR) 7 november 2006

    Naar aanleiding van de nieuwe wet die de gelijkmatig verdeelde huisversting aanmoedigt, is gebleken dat de toepassing in de praktijk tot een aantal problemen leidt in het geval van een vechtscheiding, o.m. met betrekking tot het (terug)bezorgen van de identiteitskaart en de SIS-kaart van het kind. Op dit ogenblik berust de enige beroepsmogelijkheid op een rechterlijke veroordeling, die soms met dwangsommen gepaard gaat. Zo'n procedure brengt niet alleen bijkomende kosten mee, maar komt ook de verstandhouding tussen de ouders niet ten goede. Bent u op de hoogte van die problemen en welke oplossing ziet u daarvoor? Kan niet voor een pragmatische oplossing worden gekozen, waarbij elke ouder de uitreiking van een geldig document voor zijn kinderen zou kunnen vragen? Zal die maatregel niet tot andere problemen leiden, o.m. met betrekking tot de nodige financiële middelen om te zorgen voor een passende thuis voor het kind op beide verblijfplaatsen, m.b.t. de geografische nabijheid en tot de continuïteit tussen de ex-partners?

    Men constateert ook dat de kinderen willen weten waar hun echte verblijfplaats is. Men komt dus altijd weer uit bij de kernvraag. Bent u voorstander van een praktische evaluatie van de nieuwe wetgeving?

    Minister Laurette Onckelinx: Het aangehaalde probleem is het gevolg van het beginsel van het gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag, dat door de wet van 13 april 1995 als referentiemodel wordt vooropgesteld en niet van het principe van de gelijkmatig verdeelde huisvesting. Aangaande de administratieve documenten zijn de ouders verplicht hun kinderen de vereiste stukken te bezorgen wanneer laatstgenoemden van woonplaats veranderen en zulks zelfs wanneer de regeling van de gelijkmatig verdeelde huisvesting niet op de desbetreffende kinderen van toepassing is. (Cursivering Goudi) De onwillige ouder kan daartoe via de adequate gerechtelijke middelen worden verplicht. De situatie die tegen de achtergrond van de hervorming van 1995 werd geschetst, werd door de wet van 18 juli 2006 niet gewijzigd. Het argument m.b.t. de negatieve gevolgen voor de kinderen die hun beklag maken over de afwezigheid van een echte verblijfplaats, lijkt mij voorbijgestreefd en verwijst naar een periode toen de hoofdverblijfplaats aan een van beide ouders werd toegewezen.
    Ik ben niet gekant tegen een evaluatie van de nieuwe wetgeving, maar daarvoor is het nog te vroeg.

    M.C. Marghem: Wat dat laatste punt betreft, ben ik het met u eens. Het ouderlijk gezag is verbonden met de grote beslissingen die voor de kinderen moeten worden genomen, niet noodzakelijk met de dagdagelijkse beslommeringen. In de aangehaalde gevallen heeft het beroep dus geen betrekking op het ouderlijk gezag, maar wel op de organisatie van het verblijf. Zo komen we tot beperkte gerechtelijke procedures, die echter buiten verhouding staan tot de zaak, terwijl dergelijke aangelegenheden met een beetje goede wil van beide partijen van een leiden dakje zouden kunnen lopen. Vandaar mijn idee om aan beide ouders geldige documenten uit te reiken die voor bepaalde zaken nodig zijn.
    Ik ben het ermee eens dat de evaluatie nog even kan wachten, maar ze moet er zeker komen. Is het uitreiken van documenten aan beide ouders een mogelijke denkpiste?

    Minister Laurette Onkelinx: Uw vraag verdient een diepgaander bespreking. Voor een buitenlandse reis, bijvoorbeeld, is de instemming van beide ouders vereist. Als ze akkoord gaan, stelt de identiteitskaart doorgaans geen probleem. Als we van de instemming van beide ouders zouden afzien, krijgen we met andere problemen te maken. Het gaat om een ingewikkeld probleem en voorzichtigheid is geboden.

    Terug naar boven

    Vraag nr. 1062 van mevrouw Sabien Laliaye-Battheu van 17 juli 2006 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken:

    Samenlevingscontracten.


    De wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, ging van kracht op 1 januari 2000. Met deze wet werd meteen aan de verschillende vormen van samenwoning een officieel karakter gegeven.

    Uit de cijfers van 2000 tot 2004 blijkt dat één op de vier samenlevingscontracten in België al na luttele jaren of zelfs maanden wordt stopgezet. Graag ontving ik ook de cijfers voor 2005.

     

     

    1. a)  Hoeveel samenlevingscontracten werden in 2005  gesloten in Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse Gewest?

    b)  In welke steden/gemeenten/provincies werden die contracten gesloten?

     

    2. a)  Hoeveel samenlevingscontracten werden in 2005 ontbonden verklaard in Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse Gewest?

    b)  In welke steden/gemeenten/provincies werden die contracten ontbonden?

     

    Antwoord van de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 2006, op de vraag nr. 1062 van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu van 17 juli 2006 (N.):

     

    Het antwoord op deze vraag is het geachte kamerlid rechtstreeks toegestuurd. Gezien her louter documentaire karakter ervan wordt het niet in het bulletin van Vragen en Antwoorden opgenomen maar ligt ter inzage bij de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers (dienst Parlementaire Vragen).

     

    Verduidelijking van het schriftelijk antwoord op de website van Sabien Lahaye-Battheu

    •           6 november 2006 - Samenwoners achtervolgen gehuwden.

     

    Sinds de wet op wettelijk samenwonen in 2000 is ingevoerd, hebben in ons land al bijna 100.000 personen een samenlevingscontract afgesloten. 58% daarvan deed dat in Vlaanderen, een derde in Wallonië en slechts 8% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat leidt Sabien af uit cijfers die ze opvroeg bij de minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael.

     

    Van die 96.039 personen die sinds 2000 een samenlevingscontract afsloten, zijn er iets meer dan één op vijf, met name 21.083, die het contract intussen al verbroken. Volgens de officiële cijfers heeft een samenlevingscontract blijkbaar minder kans op slagen in Vlaanderen – 28% mislukt – dan in Wallonië of Brussel, waar 15 op honderd contracten gemiddeld sneuvelen.

     

    In 2005 waren er met een totaal van 30.749, 12.251 meer mensen die kozen voor een samenlevingscontract ten opzichte van het jaar ervoor. “Daar waar het aantal huwelijken in ons land de laatste jaren stagneert en rond de 43.000 blijft hangen, blijkt het samenlevingscontract wel aan populariteit te winnen. Als we 2003 met 2005 vergelijken, zien we dat er van de koppels die in 2003 opteerden voor een institutionalisering, er 21 % kozen voor de wettelijke samenwoning en 79 % voor het huwelijk. In 2005 ligt deze verhouding plots op 42 % tegenover 58 %.”

     

    De reden hiervoor ligt volgens Sabien in de voordelen die gepaard gaan met het afsluiten van een samenlevingscontract. De wettelijke samenwoning houdt immers een veel minder bestendige verbintenis in dan het huwelijk, waaraan minder rechten en plichten verbonden zijn. Er gelden wel enkele regels in verband met de goederen van de partners, inzake schenkingen en testamenten, en inzake adoptie. Wettelijk samenwonenden worden bijvoorbeeld gelijkgeschakeld met gehuwden voor het tarief van de successierechten. Ook kunnen beide partijen officieel laten vastleggen welke goederen ze hebben ingebracht in de woonst, zodat er bij een breuk in de relatie geen discussie kan ontstaan over de inboedel.

     

    Het is volgens Sabien waarschijnlijk dat een groot aantal contracten niet officieel, maar wel de facto ontbonden wordt. Het kost immers algauw 150 euro om een samenlevingscontract eenzijdig te ontbinden, gezien een gerechtsdeurwaarder de ontbinding moet betekenen. Om die reden gaan veel koppels uit elkaar zonder het contract te verbreken en gebeurt het steeds vaker dat de dienst bevolking van de gemeente vaststelt dat de persoon die een samenlevingscontract lopende heeft met iemand, al in een nieuwe relatie zit met iemand anders. “De eenzijdige ontbinding van het samenlevingscontract vormt duidelijk een probleem. Ik zal er dan ook bij de Minister van Justitie op aandringen om de wet hieromtrent aan te passen,” alsnog Sabien.

    Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be

    Terug naar boven

    Samengevoegde vragen van  mevrouw Nahima Lanjil aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over “de blijvende problemen bij de Dienst voor Alimentatievorderingen” (nr. 11921)  - mevrouw Magda De Meyer aan de vice-eerste minister van Financiën over “de Dienst voor Alimentatievorderingen” (nr11936)

    - Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijnheer de minister, doordat de Dienst voor Alimentatievorderingen nog steeds geen voorschotten uitbetaalt aan ex-echtgenoten of samenwonenden en doordat voorschotten voor de kinderen slechts binnen bepaalde inkomensgrenzen worden uitgekeerd, blijven veel onderhoudsgerechtigden in de kou staan. Van het oorspronkelijke initiatief, waarvan sprake was net voor de verkiezingen, is er op dit ogenblik jammer genoeg nog niet veel concreet gerealiseerd.


    Ook de Dienst voor Alimentatievordenngen zelf blijkt met problemen te kampen. Het evaluatieverslag over de werking van DAVO is er nog steeds niet. Ik heb er een paar maanden geleden nog achter geïnformeerd. Ik dacht dat het ongeveer in deze periode zou klaar zijn, maar ik heb het nog steeds niet gezien. De DAVO is niet of nauwelijks bekend en bereikt haar doelpubliek onvoldoende. Het personeelsbeleid faalt. Personeel dat bijvoorbeeld vertrokken is, wordt niet of slechts beperkt vervangen. Invorderingen gebeuren zo goed als niet Er doen geruchten de ronde dat de overgenomen OCMW-dossiers bij gebrek aan personeel — vaak personeel dat niet vervangen wordt — verticaal geklasseerd wordt.

     

    Mijn vragen aan de minister zijn de volgende:

     

    Met hoeveel personeelsleden is de DAVO van start gegaan en hoeveel zijn er vandaag nog tewerkgesteld bij de DAVO? Waren dat er in het begin een honderdtal of meer of minder? Hoeveel waren het er toen, meer dan een jaar geleden, en hoeveel zijn het er nu? Zal u bijkomend personeel inzetten voor de DAVO en binnen welke timing? Gaat u het personeel dat er niet meer is op zijn minst vervangen of komt er ook bijkomend personeel?

    Ten tweede, klopt het dat de dossiers die overgenomen werden van de OCMWs nog niet of niet behandeld kunnen worden? Hoeveel overgenomen dossiers zijn er op dit ogenblik?

    Ten derde, is er achterstand in de behandeling van de aanvragen tot de invordering van achterstallige onderhoudsgelden enerzijds en van de aanvragen tot toekenning van voorschotten anderzijds? Is er daar een achterstand? Hoeveel bedraagt deze achterstand?

    Ten vierde, op welke manier wordt het invorderingsbeleid gevoerd?

    Ten vijfde, heeft de DAVO inmiddels rechtstreeks toegang tot de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid? Als dat nog niet zo is of als dat gebrekkig gebeurt, wat zijn dan de concrete problemen?

    Ten zesde, overweegt de regering om fiscale maatregelen te nemen om onderhoudsplichtigen ertoe aan te zetten alimentatie con~ect te betalen? Zo ja, dewelke?

     

    Wanneer mogen wij het evaluatieverslag over de werking van de DAVO voor 2005 verwachten? Dat zijn een aantal heel concrete vragen. Ik hoop dat ik ook concrete antwoorden krijg van de minister.

     

    Magda De Meyer (sp.a-spirit): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, mijn vraag handelt eveneens over de manke werking van de Dienst voor Alimentatievorderingen, de DAVO, die voor problemen blijft zorgen. Het lang verwachte evaluatieverslag is er nog altijd niet. Naar verluidt zouden er slechts 10.000 lopende dossiers zijn, terwijl de oorspronkelijke raming 100.000 tot 150.000 dossiers was. Het verloop binnen de dienst zelf zou ook enorm groot zijn. Personeelsleden die de dienst verlaten hebben, zouden niet worden vervangen.

    Mijnheer de staatssecretaris, graag kreeg ik duidelijkheid over een reeks vragen.

     

    Ten eerste, hoeveel dossiers zijn effectief in behandeling?

    Ten tweede, aan hoeveel vrouwen wordt thans alimentatiegeld betaald?

    Ten derde, hoeveel kinderen krijgen momenteel voorschotten uitgekeerd?

    Ten vierde, hoe zit het met de automatische koppeling aan de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid? Kunnen DAVOmedewerkers al dan niet in alle bestanden van de fiscus?

    Ten vijfde, is het correct dat DAVO geen invordenngen meer uitvoert?

    Ten zesde, in hoeveel gevallen werd er loonbeslag uitgevoerd?

    Ten zevende, in hoeveel gevallen werd er een deurwaarder ingeschakeld?

    Ten achtste, hoeveel voltijdse personeelsleden zijn momenteel effectief in dienst? Hoeveel werden nog niet vervangen?

    Ten negende, wanneer komt het lang beloofde DAVOevaluatieverslag?

     

    Staatssecretaris Hervé Jamar Mijnheer de voorzitter, het antwoord op de vraag van mevrouw Lanjri telt 6 punten.


    Ten eerste, er zijn 100 personen aangeworven. Er zijn er 15 vertrokken. Er zullen 32 personen gerekruteerd worden met een contract van onbepaalde duur.

    Ten tweede, de dossiers die van de OCMW’s zijn overgenomen, zijn of worden verwerkt. Het gaat om complexe dossiers waarvoor alle voorwaarden van de DAVO opnieuw moeten worden geanalyseerd.

    Ten derde, er is een vertraging bij de verwerking van de dossiers invordering, die te wijten is aan het extra werk als gevolg van de hernieuwing van de rechten op uitbetaling van een voorschot op het onderhoudsgeld

    Ten vierde, er is een invorderingsbeleid. DAVO heeft werkmethodes opgesteld voor de invordering en voor het gebruik van rechtsmiddelen waarover wij beschikken. Die methodes zijn bezorgd aan de lokale kantoren van de DAVO.

    Ten vijfde, de DAVO onderhandelt voortdurend om toeganq tot de Kruispuntbank van de RSZ te kunnen hebben. De onderhandelingen worden nu geconcentreerd op de problematiek van de bescherming van het privé-leven.

    Ten zesde, het evaluatieverslag 2005 van de DAVO wordt op dit moment opgesteld. Het zal zo snel mogelijk worden bekendgemaakt Ik wens er nogmaals op te wijzen dat de evaluatiecommissie al twee keer is samengekomen en al heel wat elementen ter beschikking heeft. Na het evaluatieverslag zal worden bekeken of het aangewezen is maatregelen te nemen.

     

    Nu volgt mijn antwoord aan mevrouw De Meyer.

     

    Ten eerste, 11.322 dossiers worden op dit ogenblik behandeld door de DAVO.

    Ten tweede, de wet van 21 februari 2003 beperkt de toekenning van voorschotten op onderhoudsuitkeringen tot kinderen, maar de wet bepaalt dat de Koning de toekenning kan uitbreiden tot echtgenoten of samenwonenden.

    Ten derde, voor de maand mei hebben 8.422 kinderen een voorschot op de onderhoudsuitkering ontvangen.

     

    Voor de vragen vier en vijf verwijs naar mijn antwoord op de vraag van mevrouw Lanjri.

     

    Voor de vragen zes en zeven beschik ik niet over statistieken over dit onderwerp. Er wordt evenwel een informaticaprogramma ontwikkeld dat zal toelaten om de gegevens over boonbeslagen te genereren.

     

    Voor de achtste vraag verwijs ik ook naar het antwoord op de vraag van mevrouw Lanjn.

     

    Negen, het evaluatierapport voor het jaar 2005 wordt momenteel afgewerkt. De evaluatiecommissie heeft daartoe tweemaal vergaderd.

     

    Nahima Lanjri (CD&V): Ik kan alleen maar zeggen dat uit de cijfers, die men had vooropgesteld, - namelijk meer dan 100.000 mensen bereiken - en het aantal dat men nu bereikt - iets meer dan 11.000 mensen - heel duidelijk blijkt dat de werking van DAVO absoluut niet is wat ze zou moeten zijn. Er schort iets aan de werking, en vooral ook aan de bekendmaking. Ik heb er in het verleden reeds op gewezen dat die bekendmaking niet enkel via de website mag gebeuren. De kantoren moeten dichter bij de bevolking worden gebracht, onder meer via de loketten van de gemeente.

     

    Tevens moet u DAVO de nodige mensen en middelen geven. Er zijn nu al problemen met mensen die zijn weggegaan zonder dat ze werden vervangen. DAVO moet ook de nodige middelen krijgen, zoals onder meer toeganq tot de Kruispuntbank. Als dat niet op punt staat dan kan zelfs niet het minimum minimorum, dat in de programmawet is voorzien en dat niet voor heel de doelgroep geldt, worden gerealiseerd. Ik blijf erop aandringen dat men die mankementen wegwerkt, anders krijgen de mensen niet waarop ze recht hebben en ik vind dat zij daar recht op hebben. Dit blijkt eens te meer uit de verschdlende rapporten, onder meer rapporten van vrouwenorganisaties maar net zo goed rapporten van armenorganisaties. Het feit dat de alimentatie niet wordt betaald, leidt ertoe dat heel veel gezinnen in de kansarmoede terechtkomen. Ik denk dat we niet willen meemaken dat er nog meer mensen dan nu al het geval is, in de kansarmoede verzeild geraken.

     

    Magda De Meyer (sp.a-spirit): Mijnheer de staatssecretaris, ik ben het volledig eens met collega Lanjri dat de werking van de DAVO absoluut ondermaats is en niet realiseert wat er bij de aanvang was beloofd. Zelfs de minimale dingen die de DAVO nu doet, doet zij niet goed. Daar komt het zo’n beetje op neer. Het stoort mij enorm dat ik hoor zeggen dat er op dit moment vertraging is bij de invordenng door het extra werk voor de voorschotuitbetaling. De voorschotuitbetaling hadden wij al Dat is iets wat al bestond. Alles wat de DAVO moet doen is invorderen en zelfs dat wordt nu op een laag pitje gezet Ik vind dat bijzonder jammer.

     

    Het feit dat de toegang tot de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid er nog altijd niet is, tart alle verbeelding. Die toegang tot de kruispuntbank was een van de cruciale dingen waarom de DAVO werd ondergebracht bij het ministerie van Financiën, omdat wij dachten dat dit veel eenvoudiger zou zijn. Blijkbaar is dat toch niet het geval. Het verwondert mij dat daar geen absolute prioriteit aan wordt gegeven en ik vind het ook hallucinant te vernemen dat er maar een goede 8.000 kinderen op dit moment recht hebben op een voorschot, wanneer men weet dat het vroegere systeem via de OCMWs ongeveer hetzelfde deed.

     

    Het incident is gesloten.

    L’incident est dos.

    Terug naar boven

    Schriftelijke vraag van Servais Verherstraeten aan de Vice-eerste minister en minister van Justitie, mevrouw Laurette Onkelinx, over het aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding

     

    Steeds meer gescheiden ouders weigeren het bezoekrecht aan hun ex-partner. Zij willen, ondanks het vonnis van de rechter, hun kind niet aan de andere ouder afstaan.

    Vorig jaar liepen er bij de Limburgse parketten 1.633 pv's binnen voor het niet naleven van het hoede- of bezoekrecht.

    Dat is een stijging van tien procent in vergelijking met 2004. Voor Hasselt waren er dat 1.019, voor Tongeren 614. Een mogelijke verklaring is dat jonge koppels steeds sneller uit elkaar gaan. "En dan volgt de discussie over wie het kind mag houden. De strijd om het kind wordt ook alsmaar bitsiger. Te veel ouders willen hun gelijk halen voor de rechter."

    In 80 à 90 procent van de gevallen wordt het kind aan de moeder toegewezen. Daar komt straks verandering in. Binnen drie weken zal er in de Senaat een wetsontwerp worden goedgekeurd dat van het 'verblijfsco-ouderschap' de regel maakt. Als ouders het met elkaar eens zijn om hun kind(eren) afwisselend onderdak te geven, moet de rechter daar voortaan rekening mee houden. Wie een inbreuk pleegt, riskeert ook een bij wet vastgelegde dwangsom.

    Bron: Het Belang van Limburg 16-05-2006

     

     

    Parlementaire vraag

    Aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding.

     

    Vraag nr. 1047 van de heer Servais Verherstraeten van 6 juni 2006 (N.) aan de vice-eerste minister en minister van Justitie :    

     

    bron:    http://www.dekamer.be/QRVA/pdf/51/51K0129.pdf    

     

    Aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding.       

    In 2005 zijn er bij de Limburgse parketten 1 633 processen verbaal binnengekomen voor inbreuken op het omgangsrecht. Dit komt neer op een stijging met 10 % in vergelijking met 2004.

                 

    1. Geldt deze tendens algemeen voor het hele land ?     

     

    2.  a) Hoeveel klachten werden er in totaal in 2004 en 2005 ingediend wegens niet-naleving van het omgangsrecht ?    

         b) Hoeveel van die klachten zijn geseponeerd, en om welke reden ?            

     

    3. Gelden dezelfde tendensen inzake het aantal klachten wegens niet-betaling van onderhoudsgeld ?

     

     ***

    Antwoord van de vice-eerste minister en minister van Justitie van 12 juli 2006, op de vraag nr. 1047 van de heer Servais Verherstraeten van 6 juni 2006 (N.) :    

     

    Mijnheer de Volksvertegenwoordiger kan in bijlage de elementen van antwoord terugvinden op zijn vragen.     

     

    Ik wijs u er op dat de verschillende tabellen zich beperken tot de zaken « niet-naleven omgangsrecht » en « familieverlating » die geregistreerd werden binnen het REA/TPI-systeem dat gebruikt wordt door de correctionele parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg.

    De selectie gebeurde op basis van de tenlasteleggingscode «42F» voor het niet-naleven van het omgangsrecht enerzijds en op basis van de tenlasteleggingscode « 42D» voor het niet-betalen van het onderhoudsgeld anderzijds.

     

    Binnen de parketten wordt aan deze laatste code de omschrijving «familieverlating » toegekend, om die reden worden de zaken « niet betaling van onderhoudsgeld » in de verschillende tabellen geklasseerd onder de noemer «familieverlating ». 

     

    Er wordt dus geen rekening gehouden met de zaken die enkel maar geregistreerd worden op het niveau van de jeugdparketten. Ook de zaken die enkel maar via vereenvoudigde processen-verbaal op listings overgemaakt werden, konden niet betrokken worden in de analyse. Wanneer het parket echter nadien alsnog het vereenvoudigd proces-verbaal opvraagt, is de zaak wel meeverrekend in de tabellen aangezien alle door het parket opgevraagde vereenvoudigde processen-verbaal geregistreerd worden in het REA/TPI-systeem.  De teleenheid van de verschillende tabellen is gelijk aan de zaak en dit los van het aantal betrokkenen in de zaak. Enkel de zaken die op de parketten binnenkwamen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 worden geteld en dit los van de wijze van instroom (via een politiedienst, ten gevolge van een burgerlijke partijstelling, ...).

                 

    1. Tabel 1 (zie bijlage) toont duidelijk aan dat de Limburgse stijging van het aantal inbreuken op het omgangsrecht van ongeveer 10 % niet algemeen is voor het gehele land.

    In sommige parketten is er in vergelijking met het voorgaande jaar een stijging waar te nemen in 2005, in andere parketten daarentegen valt er een daling waar te nemen, in de overige parketten is er hooguit een verwaarloosbaar verschil. Op nationaal niveau is er aldus eigenlijk sprake van een status quo.

                 

    2.  a) Op 1 juli 2005 verspreidde het College van procureurs-generaal een omzendbrief met betrekking tot het ambtshalve politioneel onderzoek (APO) en het vereenvoudigd procesverbaal (VPV). De vereenvoudigde  processen-verbaal zijn van toepassing in het geval van inbreuken die minder ernstig zijn.

     

    Deze vereenvoudigde processen-verbaal worden niet geregistreerd in het REA/TPI-systeem tenzij het parket alsnog dit proces-verbaal opvraagt aan de politiediensten. In bijlage 3 van die omzendbrief (COL8/2005) wordt een limitatieve opsomming gegeven van deze inbreuken. Het «niet respecteren van het bezoekrecht (en/of uren) » is één van die inbreuken. Rekening houdende met dit feit zou men kunnen vermoeden dat het reëel aantal      inbreuken op het omgangsrecht effectief gestegen zou kunnen zijn in het jaar 2005 aangezien de VPV-praktijk pas vanaf het in voege treden van die omzendbrief veralgemeend werd naar het gehele land. Men mag de impact van die omzendbrief echter niet overschatten wanneer het over de zaken gaat die op het parket geregistreerd worden onder de tenlasteleggingscode voor het niet-naleven van het bezoekrecht.

     

    In de praktijk zou het immers zo zijn dat de politiediensten geen regulier maar wel een vereenvoudigd proces-verbaal opstellen in die gevallen waarin één van beide ex-partners bij de politie een klacht indient omdat de andere partner het kind bijvoorbeeld een half uur te vroeg of een half uur te laat teruggebracht heeft. Zolang het om een dergelijk relatief kleine tijdspanne gaat, proberen de politiediensten de zaak in der minne te regelen en wordt dit dus sinds kort afgehandeld middels een vereenvoudigd proces-verbaal. De impact op de parketstatistieken zou verwaarloosbaar zijn omdat in het verleden, de periode voorafgaand aan de implementatie van de VPV-praktijk, de politiediensten eveneens geen proces-verbaal opstelden in dergelijke gevallen. Ook toen probeerden ze dergelijke incidenten op een menselijke en redelijke manier op te lossen zonder meteen proces-verbaal op te stellen. Pas indien een dergelijk incident zich herhaaldelijk voordeed of indien het kind onredelijk laat of vroeg teruggebracht werd, ging men over tot het opstellen van een proces-verbaal. In die zin is er evenmin een verschil met de huidige praktijk.Naast dit gegeven is het ook zo dat een minderheid van de parketten slechts een fractie van de dossiers met betrekking tot het omgangsrecht registreert in het REA/TPI-systeem terwijl de meerderheid van die zaken enkel op het niveau van het jeugdparket (dat gebruik maakt van een ander informaticasysteem)geregistreerd wordt.  Rekening houdende met dit alles moet dus geconcludeerd worden dat het REA/TPI-systeem niet toelaat om een betrouwbare statistiek te leveren met betrekking tot het totaal aantal inbreuken tegen het omgangsrecht.

    De beschikbare informatie laat dus niet toe om te bevestigen of te ontkennen dat de tendens die door dhr. Verherstraeten in Limburg vastgesteld werd, en die ook blijkt wanneer we de som maken voor de parketten van Hasselt en Tongeren in 2004 enerzijds en 2005 anderzijds, algemeen van toepassing is in het gehele land.

     

    In ieder geval kunnen we wel zeggen dat het aantal door de correctionele parketten behandelde dossiers op nationaal niveau geen dergelijke stijging kende. 

     

    Wanneer we kijken naar het aantal zaken «familieverlating », dan valt er tussen 2004 en 2005 wel een verschil waar te nemen op nationaal niveau. Het gaat desgevallend echter over een duidelijke daling van het aantal zaken die door de parketten geregistreerd worden, een daling die alleszins niet te wijten is aan het invoeren van de hierboven omschreven VPV-praktijk omdat deze inbreuk niet opgesomd wordt in bijlage 3 van COL8/2005. Ter info merken we op dat er in de Limburgse parketten enkel een stijging is van het aantal zaken «familieverlating » binnen het gerechtelijk arrondissement Tongeren (69 in 2004, 104 in 2005). In Hasselt bleef dit aantal op hetzelfde peil (189 in 2004, 185 in 2005).              

     

    In tabel 2 (zie bijlage) wordt de vooruitgangsstaat van elk van deze zaken gepresenteerd.

    Deze vooruitgangsstaat was van toepassing op 10 januari 2006, de datum van gegevensextractie.          

     

    2 b) Voor elk van de op 10 januari 2006 « zonder gevolg » staande zaken, vindt u in tabel 3 het motief tot seponeren.  Wat opvalt, is het hoge aantal sepots omwille van een « geregulariseerde toestand », geen misdrijf en «onvoldoende bewijzen».  Het is van belang om rekening te houden met dit gegeven indien men uitspraken doet over het aantal door de parketten zonder gevolg gestelde zaken.

     

    3. Zie de vorige antwoorden en de tabellen in bijlage.

     

     ***   

    Tabel 1 : Aantal zaken «familieverlating » en « niet naleven omgangsrecht » binnengekomen per jaar (aantal en kolompercentage)         

     

     

    2004

    2004

    2005

    2005

    Totaal

    Totaal

     

    N

    %

    N

    %

    N

    %

    Familieverlating

    4538

    20.56

    3920

    18.32

    8458

    19.46

    Niet naleven omgangsrecht

    17538

    79.44

    17475

    81.68

    35013

    80.54

    Totaal

    22076

    100

    21395

    100

    43471

    100

                 

    Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal.    

     

     ***

    Tabel 2 : Vooruitgangstaat op 10 januari 2006 van de zaken «familieverlating» en «niet naleven omgangsrecht» binnengekomen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 (aantal en kolompercentage)  

     

     

    Familieverlating 

    Niet-naleven omgangsrecht 

     

    N

    %

    N

    %

    1) Vooronderzoek

    1720

    20,34

    4 563 

    13,03

    2) Zonder gevolg

    3 221 

    38,08

    14 187 

    40,52

    3) Ter beschikking

    1 089 

    12,88

    3 647 

    10,42

    4) Voeging

    1 615 

    19,09

    11 754 

    33,57

    5) Minnelijke schikking

    4

    0,05

    12

    0,03

    6) Bemiddeling in SZ

    43

    0,51

    271

    0,77

    7) Onderzoek

    77

    0,91

    88

    0,25

    8) Raadkamer

    32

    0,38

    45

    0,13

    9) Dagvaarding en verder

    657

    7,77

    446

    1,27

    Totaal

    8 458 

    100

    35 013 

    100

     

     

     

     

     

                                       Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal.

      ***

    Tabel 3 : Motief tot seponering van de op 10 januari 2006 zonder gevolg staande zaken familieverlating en «niet naleven omgangsrecht» binnengekomen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 (aantal kolompercentage) 

     

     

    Familieverlating 

    Niet-naleven omgangsrecht 

     

    N

    %

    N

    %

    Beperkte maatschappelijke weerslag

    55

    1,71

    337

    2,38

    Toestand geregulariseerd

    720

    22,35

    2220

    15,65

    Misdrijf van relationele aard

    181

    5,62

    2067

    14,57

    Nadeel gering

    11

    0,34

    53

    0,37

    Redelijke termijn overschreden

    11

    0,34

    65

    0,46

    Afwezigheid van voorgaanden

    24

    0,75

    200

    1,41

    Toevallige feiten met oorzaak

    76

    2,36

    1605

    11,31

    Jeugdige leeftijd

     -

     -

    4

    0,03

    Wanverhouding strafvord. maatschap. Verstoring

    283

    8,79

    976

    6,88

    Houding van het slachtoffer

    83

    2,58

    274

    1,93

    Vergoeding van het slachtoffer

    36

    1,12

    4

    0,03

    Te weinig recherche capaciteit

    30

    0,93

    15

    0,11

    Andere prioriteiten

    302

    9,38

    666

    4,69

    Geen misdrijf

    681

    21,14

    3495

    24,64

    Onvoldoende bewijzen

    457

    14,19

    1914

    13,49

    Verjaring

    4

    0,12

    1

    0,01

    Overlijden van de dader

    5

    0,16

    22

    0,16

    Klachtafstand (bij klachtmisdrijf)

    5

    0,16

    8

    0,06

    Onbevoegdheid

    35

    1,09

    34

    0,24

    Kracht van gewijsde

    48

    1,49

    104

    0,73

    Strafuitsluitende verschoningsgrond

     -

     -

    8

    0,06

    Gebrek aan klacht

     -

     -

    3

    0,02

    Dader(s) onbekend

    1

    0,03

    16

    0,11

    Pretoriaanse probatie

    5

    0,16

    52

    0,37

    Seining van de dader

    168

    5,22

    44

    0,31

     

     

     

     

     

    Totaal

    3221

    100

    14187

    100

     

                      Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal.

     

    Terug naar boven

    Vraag van Sabien Battheu aan de minister van Gelijke Kansen, Christian Dupont iv het Nationaal Actieplan Partnergeweld
    Het Nationaal Actieplan Partnergeweld (2004-2007) voorziet in een overleg met de gemeenschappen en de gewesten om de acties van de overheid inzake partnergeweld efficiënt te coördineren. Sabien vroeg de minister van Gelijke Kansen, Christian Dupont, naar meer details over dit Actieplan. Uit het antwoord van de minister blijkt dat het Actieplan 7 doelstellingen kent, nl. sensibiliseren, vorming, preventie, bescherming en opvang, repressie en andere maatregelen, evaluatie en registratie. Deze doelstellingen werden duidelijk gedefinieerd. Voor alle acties werd een nieuwe eenvormige structuur gevolgd. Zo wordt elke actie beschreven, alsook de doestelling en de doelgroep van de actie en het budget voor die actie. Er wordt ook vermeld hoe de actie kan geëvalueerd worden en welke indicatoren het effect van deze actie kunnen meten. Tot slot wordt per actie ook vermeld welke minister(s) verantwoordelijk is voor deze actie.

    Deze acties bevatten ook de bijdragen van de gemeenschappen en gewesten, en niet alleen van de ministers bevoegd voor gelijke kansen en welzijn of slachtofferhulp, maar ook van de ministers bevoegd voor onderwijs.

    Om de drie maanden zal een interdepartementale werkgroep (vertegenwoordigers van de administraties van de verantwoordelijke ministers en vertegenwoordigers van de gemeenschappen en gewesten) bijeen komen. De eerste keer kwam de werkgroep enkele dagen geleden bijeen. De werkgroep staat in voor de opvolging en de eerste bespreking van eventuele aanpassingen van het actieplan. Het actieplan heeft namelijk een dynamisch karakter, wat wil zeggen dat nieuwe acties ook in het actieplan opgenomen kunnen worden.

    Ook werd een expertengroep opgericht om het Actieplan mee te begeleiden en op te volgen. Deze groep wordt gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en wordt 2 maal per jaar bij elkaar gebracht.

    Daarnaast subsidieert de federale overheid samen met de gemeenschappen, gewesten en provincies de provinciale coördinatie inzake geweld en worden tweemaandelijks vergaderingen georganiseerd, tevens gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Deze coördinatrices zijn onder meer belast met het verbeteren van de netwerking tussen de verschillende actoren en de coördinatie op lokaal vlak van alle initiatieven inzake geweld tegen vrouwen.

    Een hele boterham...die hopelijk tot resultaat zal leiden.

    Terug naar boven
    Mondelinge Vraag - Sabien Lahaye-Battheu  - Zoeken naar oplossing voor problematiek van ouderontvoeringen: ouders hebben wel degelijk inspraak.
    In België worden elk jaar enkele honderden kinderen uit gemengde huwelijken door één van beide ouders ontvoerd naar zijn of haar land van herkomst. Op initiatief van de Federale Overheidsdiensten Justitie en Buitenlandse Zaken werden werkgroepen opgericht die een oplossing zoeken voor de problematiek van ouderontvoeringen. Naast een werkgroep Magistraten en Politie, de Psychosociale Werkgroep en de – nog niet opgerichte – werkgroep Bemiddeling werd ook een werkgroep Ouders in het leven geroepen. Deze werkgroep moet de betrokken ouders op de hoogte houden van de werkzaamheden van de andere werkgroepen.

    Eind maart klaagde een tiental betrokken ouders aan dat deze communicatie totaal mank loopt. Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (VLD) antwoordde op een vraag van Sabien dat de ouders via hun werkgroep wel degelijk de kans krijgen om opmerkingen of suggesties te formuleren inzake de behandelde onderwerpen en de genomen beleidsopties. Meer nog, begin dit jaar werd hun een formulier toegestuurd met de vraag of ze wensten uitgenodigd te worden voor de samenkomst van de Werkgroep Ouders en of ze via een concrete getuigenis of een bepaalde ervaring zouden kunnen bijdragen tot de werkzaamheden van de drie werkgroepen. Een dertigtal ouders (op 130 verzonden formulieren) reageerden intussen dat ze willen deelnemen aan de besprekingen van de werkgroepen. Het materieel probleem dat zich hierdoor stelt is dat niet alle ouders voor elke vergadering kunnen worden uitgenodigd.

    De ouders zullen daarom, zo vernam Sabien nog, in de toekomst systematisch per brief ingelicht worden over het verloop van de werkzaamheden van de werkgroepen. Na het beëindigen van hun werkzaamheden zullen de werkgroepen dan met concrete voorstellen naar buiten komen.

     Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be

    Terug naar boven
    Schriftelijke vraag - Sabien Lahaye-Battheu - Hoorrecht kinderen - “Heb je even tijd voor mij mevrouw, meneer de rechter?”
    Het aantal scheidingen in ons land blijft stijgen. Onbetwist zijn kinderen vaak het grootste slachtoffer. Daarom is het belangrijk dat ook zij een stem hebben in het gerecht en worden gehoord.

    In ons land bestaan twee systemen waarbinnen kinderen worden gehoord door de rechter. Vooreerst is er het gemeenrechterlijk of facultatief hoorrecht, ingevoerd op 1 oktober 1994. Een minderjarige, die onder het “vereiste onderscheidingsvermogen” beschikt, kan op eigen verzoek of bij beslissing van de rechter worden gehoord volgens art.931 GW. Daarnaast is er het verplicht horen van minderjarigen vanaf twaalf jaar door de jeugdrechter (art.56bis Jeugdbeschermingswet), ook ingevoerd eind 1994.

    Uit het antwoord op een schriftelijke vraag van Sabien blijkt dat de twee systemen mank lopen, en dringend aan hervorming toe zijn.

    Zo blijken minderjarigen slechts uitzonderlijk op eigen verzoek (art.931 GW) te worden gehoord (Gent: minder dan tien keer per jaar, Hoei: 2 verhoren in 2005, Marche-en-Famenne: nooit op eigen verzoek, Neufchateau: 1 verhoor in 2005). Als dat wel gebeurt, wordt het gesprek afgenomen door de rechter zelf, een psycholoog of een justitie-assistente. In Antwerpen bijvoorbeeld zal een justitie-assistente het gesprek met een kind jonger dan twaalf jaar leiden, in Nijvel komt er vaak een psycholoog bij te pas, en in andere rechtbanken neemt de rechter altijd zelf deze taak op zich. Ook de leeftijd van de minderjarigen varieert. Voor sommige rechters moeten de minderjarigen minstens twaalf jaar zijn, anderen horen al vanaf zeven jaar.

    Sabien kan besluiten dat het gemeenrechterlijk hoorrecht slechts beperkt wordt toegepast. De rechter kan er zich op vandaag bovendien gewoon van af maken door een briefje te schrijven aan de minderjarige waarin staat dat zij/hij niet wordt gehoord. Als er wel een gesprek plaats vindt, dan verschilt de wijze van verhoren per rechtbank en de minimumleeftijd die vereist wordt van het kind.

    Bij het verplicht horen van minderjarigen vanaf twaalf jaar door de jeugdrechter (art. 56bis) blijkt dat de kwaliteit van de verhoren soms te wensen over laat. Jeugdrechters zijn immers niet opgeleid voor het horen van kinderen in dergelijke gevoelige materies, waardoor ze er soms niet in slagen tot het kind door te dringen. De gesprekken duren soms amper tien à vijftien minuten, wat te kort is rekening houdend met het feit dat er bij een kind al tien à vijftien minuten gewenning nodig is. De plaats waar een gesprek afgenomen wordt – aan de andere kant van een groot bureau in een statig en imposant gerechtsgebouw - is bovendien meestal kindonvriendelijk.

    Deze twee systemen leiden op vandaag ook tot een gebrek aan logica, coherentie en rechtszekerheid. Een voorbeeld ter illustratie: als een twaalfjarige wil gehoord worden in een procedure voor de vrederechter (dringende en voorlopige maatregelen), kan deze de vrederechter hierom schriftelijk verzoeken. De vrederechter kan het verzoek naast zich neerleggen op basis van het feit dat de minderjarige niet over het “vereiste onderscheidingsvermogen” beschikt. Indien dit identieke geschil door de jeugdrechter wordt behandeld, wordt de twaalfjarige verplicht opgeroepen om met de jeugdrechter te praten.

    Sabien vraagt dan ook dat het hoorrecht in zijn huidige vorm dringend bijgeschaafd wordt, en dat het hangende wetsontwerp in de Kamer snel op de tafel van de commissie Justitie komt. In het wetsontwerp wordt een verplicht hoorrecht voorzien voor elke minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en dit via een kindvriendelijke oproeping. Ook wordt voorzien dat rechters die oordelen in geschillen waar minderjarigen bij betrokken zijn een bijzondere opleiding volgen hiertoe. Het horen moet bovendien gebeuren op een plaats waar het kind zich vlug op zijn gemak voelt (laagdrempelig).

     Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be

    Terug naar boven