| Parlementaire vragen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 12-12-2006 Vraag over: De Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Toekenning van kinderbijslag in het kader van een
gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind
Vraag nr. 555 van de heer Melchior Wathelet van 12
december 2006 (Fr.) aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 20-03-2007 Vraag van Bart Tommelein over "de gevolgen van vonnissen in echtscheidingsprocedures die het co-ouderschap opleggen" | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vraag van de heer Bart Tommelein aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over "de gevolgen van vonnissen in echtscheidingsprocedures die het coouderschap opleggen" (nr. 14716)
08.01 Bart Tommelein (VLD):
Steeds vaker wordt bij echtscheidingen het co-ouderschap opgelegd. Dat
is op zich een goede zaak, maar het heeft toch een pervers effect. Zo
komt het frequent voor dat een van beide partners na de uitspraak van de
echtscheiding naar een andere gemeente verhuist. Het kind moet dan
schoollopen in twee verschillende scholen. Dat brengt voor de scholen
een administratieve rompslomp mee en heeft grote emotionele gevolgen
voor het kind. Is de minister op de hoogte van de gevolgen van het co-ouderschap
voor sommige kinderen? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 24-01-2007 Titel Onderhoudsgeld. - DAVO. - Toekenning van voorschotten. - Onderhoudsplichtigen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Auteur Luk Van Biesen,
VLD Departement Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën
Sub-departement Financiën Titel Onderhoudsgeld. - DAVO. -
Toekenning van voorschotten. - Onderhoudsplichtigen. Datum indiening
24/01/2007 Taal N Status vraag Vraag verzonden naar
departement Termijndatum 23/02/2007 De aanvragen tot toekenning van voorschotten kunnen vanaf 1 juni 2005 ingediend worden bij de plaatselijke kantoren van DAVO. 1. Het aantal dossiers neemt, in vergelijking tot de periode waarin de dossiers behandeld werden door het OCMW, niet toe terwijl er 87 personeelsleden in dienst werden genomen. Is dit correct?
2. a) Klopt het dat 20 % van de onderhoudsplichtigen in het buitenland
gedomicilieerd zijn?
3. De tendens die zich inzet, laat voelen dat het maandelijkse
vastgestelde bedrag aan voorschotten lager ligt dan wat effectief werd
toegekend aan de onderhoudsgerechtigden. 4. Hoe zit het met de aflevering van een fiscaal attest aan de onderhoudsgerechtigde voor de ontvangen betalingen? 5. Hoever staat het met de onderhandelingen met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid om een geautomatiseerde overdracht van gegevens te verkrijgen? 6. In hoeveel dossiers werd er effectief overgegaan tot gedwongen tenuitvoerleggingen lastens de onderhoudsplichtige?
7. a) Kan nagegaan worden hoe hoog het werkloosheidspercentage ligt bij
onderhoudsplichtigen? 8. Indien gevallen van bedrieglijk onvermogen worden vastgesteld, worden deze doorgegeven aan het bevoegde parket? Eurovoc-descriptoren ALIMENTATIEPLICHT |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 28-11-2006 Vraag van de heer Bart Tommelein aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over "de algemene rechtsbijstandsverzekering" (nr. 13234) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Moet de rechtsbijstandsverzekering niet worden uitgebreid?
Minister Laurette Onkelinx (Frans): We hebben beide gedaan. Voor 15 procent van de bevolking vormt het betalen van de gerechtskosten niet het minste probleem; 15 procent van de bevolking heeft dan weer recht op rechtsbijstand. Die laatste maatregel werd uitgebreid tot de zeer lage lonen. Tussen die twee categorieën in zit een middenklasse die financieel kopje onder kan gaan zodra een beroepsprocedure wordt gestart of een beroep wordt gedaan op experts. Er werden verschillende oplossingen voorgesteld. Mutualisering is op korte termijn om verscheidene redenen bijna niet haalbaar. We hebben ook gewerkt aan een oplossing via de verzekering rechtsbescherming, die, door de waarborgen die ze zou kunnen verschaffen, ten dele op een mutualisering zou neerkomen.
De regering heeft beslist om een fiscaal voordeel aan dat contract te verbinden teneinde de kostprijs voor de consument te verlagen. In het kader van algemene onderhandelingen hebben we niet alleen aan het premiebedrag gesleuteld, maar ook aan de dekking, de franchise, enz.. Momenteel wordt een dekking beoogd voor de echtscheiding met onderlinge toestemming en de bemiddeling in familiezaken. Echtscheidingen met onderlinge toestemming vertegenwoordigen nu al tachtig procent van de desbetreffende procedures. Als het parlement het wetsontwerp inzake de schuldloze echtscheiding goedkeurt, evolueren we naar een algemene dekking. De betwiste echtscheiding en de geschillen over alimentatiegeld zouden van de verzekering kunnen worden uitgesloten omdat ze de premie zouden doen stijgen.
(Nederlands) Het is van het grootste belang dat de bemiddeling in familiezaken ten laste wordt genomen. Bemiddeling - met name in familiezaken - heeft haar nut in het verleden al ruimschoots bewezen. Het sociaal recht staat niet in de minimumwaarborgen, maar het is natuurlijk niet onmogelijk dat de verzekeringsmaatschappijen het tegen een premiesupplement wel voorstellen. Mocht het sociaal recht in de basisverzekering hebben gezeten, zou er een aanzienlijke verhoging van de premie zijn geweest. Heel wat mensen hebben trouwens al recht op juridische ondersteuning via de vakbonden. Het staat buiten kijf dat de verzekeringscontracten voor rechtsbijstand een substantiële vooruitgang betekenen op het vlak van de toegang tot de rechtsbedeling.
Bart Tommelein (VLD): Ik ben het met de minister eens dat er sprake is van een vooruitgang, al blijf ik als volbloed liberaal ervoor beducht dat er te veel zou worden geregeld via allerlei besluiten en reglementen. Wanneer deze vorm van verzekering op kruissnelheid draait, moet er zeker een evaluatie komen van zowel de inhoud als van de verhouding tussen prijs en kwaliteit.
Het incident is gesloten.
Voorlopig Verslag - Dinsdag 28-11-2006 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 24-11-2006 Vraag van Melchior Wathelet over de Toekenning van kinderbijslag in het kader van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Toekenning van kinderbijslag in het kader van een
gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind Wanneer de ouders in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden de kinderen soms op een gelijkmatige manier aan de scheidende ouders toegewezen en blijft een van beide ouders niettemin het volledige kindergeld ontvangen. Die regeling lijkt niet eerlijk. Beide ouders zorgen immers elk voor de helft van de tijd voor hun kinderen en dragen bijgevolg beide de helft van de kosten. Kan u verduidelijken welke weerslag de gelijkmatig verdeelde huisvesting op de toekenning van de kinderbijslag in het geval van een echtscheiding heeft?
Antwoord van de vice-eersteminister en
minister van Justitie van 19 december 2006, op de vraag nr. 1163 van de
heer Melchior Wathelet van 24 november 2006 (Fr.): |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
21-11-2006 Samengevoegde vragen van - de heer Servais Verherstraeten aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de evaluatie van de toepassing van de omzendbrief nr. COL 8/2005 van het college van procureurs-generaal voor wat betreft klachten inzake het omgangsrecht" (nr. 12878) - mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de viceeerste minister en minister van Justitie over "de klachten inzake het omgangsrecht" (nr. 12933) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Er is ook het gegeven dat ook lokale politiediensten soms terughoudend zijn in de implementatie van die rondzendbrief. Ook zou de rondzendbrief in verschillende arrondissementen op een verschillende wijze worden toegepast. Naar aanleiding van vragen hebt u meegedeeld dat de rondzendbrief medio september 2006 aan een evaluatie zou worden onderworpen.
Mevrouw de minister, wat zijn de bevindingen van de evaluatie? -
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen inbreuken op de
alimentatieplicht enerzijds, en inbreuken op het omgangsrecht anderzijds?
- Welke stappen zullen ondernomen worden met het oog op het waarborgen van een uniforme toepassing van de rondzendbrief? Dat is het probleem. Voor de weigering van het meegeven van kinderen stellen sommige politiediensten een vereenvoudigd proces-verbaal op terwijl ze volgens de rondzendbrief een gewoon proces-verbaal zouden moeten opstellen.
Nu de evaluatie achter de rug zou moeten zijn, bestaan er thans directieven om te zorgen voor een uniforme toepassing van de rondzendbrief. -
Zullen er duidelijke en pertinente directieven verstrekt worden aan de
verantwoordelijken voor het opnemen en opvolgen van klachten over
weigering van omgangsrecht in processen-verbaal en klachten wegens
onregelmatigheden in de toepassing van het omgangsrecht in
vereenvoudigde processen-verbaal?
07.03 Minister Laurette Onkelinx: Ik deel u mee dat het College van procureurs-generaal mij kort geleden een eerste evaluatie bezorgde van de autonome politieonderzoeken en de vereenvoudigde processen-verbaal. Op 16 oktober jongstleden werd tijdens een door mij voorgezeten vergadering van het College deze evaluatie besproken. Hieruit blijkt dat de circulaire globaal bekeken goed aanvaard wordt en correct wordt toegepast over het hele grondgebied. Dit eerste evaluatierapport is momenteel echter het voorwerp van een analyse inzake enkele meer specifieke punten. De Raad van de Procureurs des Konings is bij deze analyse betrokken. Deze vragen zullen terug bekeken worden tijdens de volgende vergadering van het College teneinde te overwegen welke wijzigingen er moeten worden aangebracht aan de circulaire Col 8/2005, onder meer inzake de toepassingssfeer ervan voor de vereenvoudigde processen-verbaal.
Wat de klachten betreft over het aanwenden van het omgangsrecht met de kinderen wanneer de ouders gescheiden zijn, maakt de circulaire daarin thans reeds een onderscheid. De klachten die betrekking hebben op het niet-respecteren van de bezoekuren door een ouder geven aanleiding tot het opstellen van een vereenvoudigd procesverbaal. Wanneer de klacht echter ernstiger is en het uitoefenen van het omgangsrecht rechtstreeks in gevaar brengt, zoals wanneer een ouder weigert het kind aan de andere ouder te overhandigen, wat een overtreding is bedoeld in de artikelen 431 en 432 van het Strafwetboek, kan deze klacht nooit tot de opmaak van een vereenvoudigd proces-verbaal leiden. Dit staat reeds duidelijk vermeld in de circulaire 8/2005.
Inzake het niet-respecteren van de uitkering tot levensonderhoud voorziet dezelfde circulaire de aanwending van het vereenvoudigd proces-verbaal bij die gelegenheid niet. Bij een dergelijk geval is het dus niet mogelijk een beroep te doen op dit systeem.
Aangezien de circulaire recent is en de implementatie ervan voor meerdere parketten die niet op deze manier werken enige tijd in beslag heeft genomen, is het moeilijk om cijfers te verkrijgen over het aantal dossiers dat aanleiding gaf tot een autonoom politieonderzoek of een vereenvoudigd proces-verbaal. Ik wacht echter op de laatste conclusies van het College om mij een definitieve opinie te vormen over de aanwending van deze circulaire.
07.04 Servais Verherstraeten (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat betreft de cijfergegevens, ik meen dat de bedoeling van de vereenvoudigde processen-verbaal en de algemene politieonderzoeken is dat overzichten door de politiediensten aan de parketten worden gegeven. Ik neem aan dat dit per informaticadrager gebeurt zodat het volgens mij zeer eenvoudig moet zijn om cijfers te verzamelen en zodoende meer kennis te krijgen omtrent de omvang van de problematiek. Ik zal hierop alleszins terugkomen en opnieuw om cijfers ter zake vragen na een volgende bijeenkomst van het College van procureurs-generaal. Mevrouw de minister, u hebt het over sommige specifieke punten die nog moeten worden geanalyseerd. Over welke specifieke punten gaat het? Met welke specifieke problemen wordt men op dit ogenblik geconfronteerd?
07.05 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik heb een korte repliek. U hebt gezegd dat er een eerste evaluatie is gebeurd. Ik weet niet of het mogelijk is om te beschikken over dat document dat uitgaat van de procureurs-generaal. Kan dat ter kennis worden gegeven?
07.06 Minister Laurette Onkelinx: Ja…
07.07 Sabien Lahaye-Battheu (VLD): Ten slotte, volgens mij is het grote probleem dat, in weerwil van hetgeen in de circulaire staat, sommige politiediensten bij het niet-afgeven van kinderen - wat u een misdrijf noemt dat aanleiding moet geven tot het opstellen van een volwaardig proces-verbaal - zich op vandaag snel tevreden stellen met een vereenvoudigd proces-verbaal en geen volwaardig proces-verbaal meer opstellen. Het probleem is volgens mij vooral het feit dat dit niet uniform wordt toegepast in heel het land. Dat is de vraag van een aantal ouders die in dat heel erge geval zitten en hun kinderen niet krijgen. Zij vragen dat alle politiediensten in België op dezelfde manier zouden reageren en conform de circulaire een volwaardig proces-verbaal zouden opstellen. Dat is hetgeen ik nog wilde aankaarten. De wetgever heeft met de nieuwe wet op de gelijkmatig verdeelde huisvesting die in september in werking is getreden inderdaad heel veel bijkomende middelen aangereikt aan alle ouders die problemen hebben om hun kinderen te zien te krijgen. Dat is volgens mij een hele stap vooruit. Er moet echter nog worden gestreefd naar de uniforme toepassing van de circulaire.
07.08 Servais Verherstraeten (CD&V): Mevrouw de voorzitter, ik had de minister gevraagd naar de specifieke punten waarnaar zij verwees, maar zonder te specifiëren of zij zou kunnen meedelen wat die specifieke punten zijn.
De voorzitter: Als de minister over die inlichtingen beschikt…
07.09 Laurette Onkelinx, ministre: Je reviendrai vers vous. Je demanderai au collège des procureurs généraux ce qu'ils analysent encore, en dehors de ce que je vous ai répondu.
L'incident est clos. Het incident is gesloten.
http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/51/ic1098.pdf De teksten werden nog niet door de sprekers nagezien. Zij kunnen hun correcties schriftelijk meedelen vóór 23-11-2006, om 16 uur aan de Dienst Integraal Verslag.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Parlementaire vraag bij de nieuwe wet over "de moeilijkheden om de maatregelen inzake gelijkmatig verdeelde huisvesting toe te passen" (nr. 12703) Marie CHristine Marghem (MR) 7 november 2006 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Men constateert ook dat de kinderen willen weten waar hun echte verblijfplaats is. Men komt dus altijd weer uit bij de kernvraag. Bent u voorstander van een praktische evaluatie van de nieuwe wetgeving?
Minister Laurette Onckelinx:
Het aangehaalde probleem is het gevolg
van het beginsel van het gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag, dat
door de wet van 13 april 1995 als referentiemodel wordt vooropgesteld en
niet van het principe van de gelijkmatig verdeelde huisvesting.
Aangaande de administratieve documenten zijn de ouders verplicht hun
kinderen de vereiste stukken te bezorgen wanneer laatstgenoemden van
woonplaats veranderen en zulks zelfs wanneer de regeling van de
gelijkmatig verdeelde huisvesting niet op de desbetreffende kinderen van
toepassing is. (Cursivering Goudi) De onwillige ouder kan
daartoe via de adequate gerechtelijke middelen worden verplicht. De
situatie die tegen de achtergrond van de hervorming van 1995 werd
geschetst, werd door de wet van 18 juli 2006 niet gewijzigd. Het
argument m.b.t. de negatieve gevolgen voor de kinderen die hun beklag
maken over de afwezigheid van een echte verblijfplaats, lijkt mij
voorbijgestreefd en verwijst naar een periode toen de
hoofdverblijfplaats aan een van beide ouders werd toegewezen.
M.C. Marghem: Wat dat laatste punt betreft,
ben ik het met u eens. Het ouderlijk gezag is verbonden met de grote
beslissingen die voor de kinderen moeten worden genomen, niet
noodzakelijk met de dagdagelijkse beslommeringen. In de aangehaalde
gevallen heeft het beroep dus geen betrekking op het ouderlijk gezag,
maar wel op de organisatie van het verblijf. Zo komen we tot beperkte
gerechtelijke procedures, die echter buiten verhouding staan tot de zaak,
terwijl dergelijke aangelegenheden met een beetje goede wil van beide
partijen van een leiden dakje zouden kunnen lopen. Vandaar mijn idee om
aan beide ouders geldige documenten uit te reiken die voor bepaalde
zaken nodig zijn. Minister Laurette Onkelinx: Uw vraag verdient een diepgaander bespreking. Voor een buitenlandse reis, bijvoorbeeld, is de instemming van beide ouders vereist. Als ze akkoord gaan, stelt de identiteitskaart doorgaans geen probleem. Als we van de instemming van beide ouders zouden afzien, krijgen we met andere problemen te maken. Het gaat om een ingewikkeld probleem en voorzichtigheid is geboden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vraag nr. 1062 van mevrouw Sabien Laliaye-Battheu van 17 juli 2006 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken: Samenlevingscontracten. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Uit de cijfers van 2000 tot 2004 blijkt dat één op de vier samenlevingscontracten in België al na luttele jaren of zelfs maanden wordt stopgezet. Graag ontving ik ook de cijfers voor 2005.
1. a) Hoeveel samenlevingscontracten werden in 2005 gesloten in Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse Gewest? b) In welke steden/gemeenten/provincies werden die contracten gesloten?
2. a) Hoeveel samenlevingscontracten werden in 2005 ontbonden verklaard in Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse Gewest? b) In welke steden/gemeenten/provincies werden die contracten ontbonden?
Antwoord van de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 2006, op de vraag nr. 1062 van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu van 17 juli 2006 (N.):
Het antwoord op deze vraag is het geachte kamerlid rechtstreeks toegestuurd. Gezien her louter documentaire karakter ervan wordt het niet in het bulletin van Vragen en Antwoorden opgenomen maar ligt ter inzage bij de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers (dienst Parlementaire Vragen).
Verduidelijking van het schriftelijk antwoord op de website van
Sabien Lahaye-Battheu
Sinds de wet op wettelijk samenwonen in 2000 is ingevoerd, hebben in ons land al bijna 100.000 personen een samenlevingscontract afgesloten. 58% daarvan deed dat in Vlaanderen, een derde in Wallonië en slechts 8% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat leidt Sabien af uit cijfers die ze opvroeg bij de minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael.
Van die 96.039 personen die sinds 2000 een samenlevingscontract afsloten, zijn er iets meer dan één op vijf, met name 21.083, die het contract intussen al verbroken. Volgens de officiële cijfers heeft een samenlevingscontract blijkbaar minder kans op slagen in Vlaanderen – 28% mislukt – dan in Wallonië of Brussel, waar 15 op honderd contracten gemiddeld sneuvelen.
In 2005 waren er met een totaal van 30.749, 12.251 meer mensen die kozen voor een samenlevingscontract ten opzichte van het jaar ervoor. “Daar waar het aantal huwelijken in ons land de laatste jaren stagneert en rond de 43.000 blijft hangen, blijkt het samenlevingscontract wel aan populariteit te winnen. Als we 2003 met 2005 vergelijken, zien we dat er van de koppels die in 2003 opteerden voor een institutionalisering, er 21 % kozen voor de wettelijke samenwoning en 79 % voor het huwelijk. In 2005 ligt deze verhouding plots op 42 % tegenover 58 %.”
De reden hiervoor ligt volgens Sabien in de voordelen die gepaard gaan met het afsluiten van een samenlevingscontract. De wettelijke samenwoning houdt immers een veel minder bestendige verbintenis in dan het huwelijk, waaraan minder rechten en plichten verbonden zijn. Er gelden wel enkele regels in verband met de goederen van de partners, inzake schenkingen en testamenten, en inzake adoptie. Wettelijk samenwonenden worden bijvoorbeeld gelijkgeschakeld met gehuwden voor het tarief van de successierechten. Ook kunnen beide partijen officieel laten vastleggen welke goederen ze hebben ingebracht in de woonst, zodat er bij een breuk in de relatie geen discussie kan ontstaan over de inboedel. Het is volgens Sabien waarschijnlijk dat een groot aantal contracten niet officieel, maar wel de facto ontbonden wordt. Het kost immers algauw 150 euro om een samenlevingscontract eenzijdig te ontbinden, gezien een gerechtsdeurwaarder de ontbinding moet betekenen. Om die reden gaan veel koppels uit elkaar zonder het contract te verbreken en gebeurt het steeds vaker dat de dienst bevolking van de gemeente vaststelt dat de persoon die een samenlevingscontract lopende heeft met iemand, al in een nieuwe relatie zit met iemand anders. “De eenzijdige ontbinding van het samenlevingscontract vormt duidelijk een probleem. Ik zal er dan ook bij de Minister van Justitie op aandringen om de wet hieromtrent aan te passen,” alsnog Sabien. Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Samengevoegde vragen van mevrouw Nahima Lanjil aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over “de blijvende problemen bij de Dienst voor Alimentatievorderingen” (nr. 11921) - mevrouw Magda De Meyer aan de vice-eerste minister van Financiën over “de Dienst voor Alimentatievorderingen” (nr11936) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Mijn vragen aan de minister zijn de volgende:
Met hoeveel personeelsleden is de DAVO van start gegaan en hoeveel zijn er vandaag nog tewerkgesteld bij de DAVO? Waren dat er in het begin een honderdtal of meer of minder? Hoeveel waren het er toen, meer dan een jaar geleden, en hoeveel zijn het er nu? Zal u bijkomend personeel inzetten voor de DAVO en binnen welke timing? Gaat u het personeel dat er niet meer is op zijn minst vervangen of komt er ook bijkomend personeel? Ten tweede, klopt het dat de dossiers die overgenomen werden van de OCMWs nog niet of niet behandeld kunnen worden? Hoeveel overgenomen dossiers zijn er op dit ogenblik? Ten derde, is er achterstand in de behandeling van de aanvragen tot de invordering van achterstallige onderhoudsgelden enerzijds en van de aanvragen tot toekenning van voorschotten anderzijds? Is er daar een achterstand? Hoeveel bedraagt deze achterstand? Ten vierde, op welke manier wordt het invorderingsbeleid gevoerd? Ten vijfde, heeft de DAVO inmiddels rechtstreeks toegang tot de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid? Als dat nog niet zo is of als dat gebrekkig gebeurt, wat zijn dan de concrete problemen? Ten zesde, overweegt de regering om fiscale maatregelen te nemen om onderhoudsplichtigen ertoe aan te zetten alimentatie con~ect te betalen? Zo ja, dewelke?
Wanneer mogen wij het evaluatieverslag over de werking van de DAVO voor 2005 verwachten? Dat zijn een aantal heel concrete vragen. Ik hoop dat ik ook concrete antwoorden krijg van de minister.
Mijnheer de staatssecretaris, graag kreeg ik duidelijkheid over een reeks vragen.
Ten eerste, hoeveel dossiers zijn effectief in behandeling? Ten tweede, aan hoeveel vrouwen wordt thans alimentatiegeld betaald? Ten derde, hoeveel kinderen krijgen momenteel voorschotten uitgekeerd? Ten vierde, hoe zit het met de automatische koppeling aan de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid? Kunnen DAVOmedewerkers al dan niet in alle bestanden van de fiscus? Ten vijfde, is het correct dat DAVO geen invordenngen meer uitvoert? Ten zesde, in hoeveel gevallen werd er loonbeslag uitgevoerd? Ten zevende, in hoeveel gevallen werd er een deurwaarder ingeschakeld? Ten achtste, hoeveel voltijdse personeelsleden zijn momenteel effectief in dienst? Hoeveel werden nog niet vervangen? Ten negende, wanneer komt het lang beloofde DAVOevaluatieverslag?
Staatssecretaris Hervé Jamar Mijnheer de voorzitter, het antwoord op de vraag van mevrouw Lanjri telt 6 punten.
Ten tweede, de dossiers die van de OCMW’s zijn overgenomen, zijn of worden verwerkt. Het gaat om complexe dossiers waarvoor alle voorwaarden van de DAVO opnieuw moeten worden geanalyseerd. Ten derde, er is een vertraging bij de verwerking van de dossiers invordering, die te wijten is aan het extra werk als gevolg van de hernieuwing van de rechten op uitbetaling van een voorschot op het onderhoudsgeld Ten vierde, er is een invorderingsbeleid. DAVO heeft werkmethodes opgesteld voor de invordering en voor het gebruik van rechtsmiddelen waarover wij beschikken. Die methodes zijn bezorgd aan de lokale kantoren van de DAVO. Ten vijfde, de DAVO onderhandelt voortdurend om toeganq tot de Kruispuntbank van de RSZ te kunnen hebben. De onderhandelingen worden nu geconcentreerd op de problematiek van de bescherming van het privé-leven. Ten zesde, het evaluatieverslag 2005 van de DAVO wordt op dit moment opgesteld. Het zal zo snel mogelijk worden bekendgemaakt Ik wens er nogmaals op te wijzen dat de evaluatiecommissie al twee keer is samengekomen en al heel wat elementen ter beschikking heeft. Na het evaluatieverslag zal worden bekeken of het aangewezen is maatregelen te nemen.
Nu volgt mijn antwoord aan mevrouw De Meyer.
Ten eerste, 11.322 dossiers worden op dit ogenblik behandeld door de DAVO. Ten tweede, de wet van 21 februari 2003 beperkt de toekenning van voorschotten op onderhoudsuitkeringen tot kinderen, maar de wet bepaalt dat de Koning de toekenning kan uitbreiden tot echtgenoten of samenwonenden. Ten derde, voor de maand mei hebben 8.422 kinderen een voorschot op de onderhoudsuitkering ontvangen.
Voor de vragen vier en vijf verwijs naar mijn antwoord op de vraag van mevrouw Lanjri.
Voor de vragen zes en zeven beschik ik niet over statistieken over dit onderwerp. Er wordt evenwel een informaticaprogramma ontwikkeld dat zal toelaten om de gegevens over boonbeslagen te genereren.
Voor de achtste vraag verwijs ik ook naar het antwoord op de vraag van mevrouw Lanjn.
Negen, het evaluatierapport voor het jaar 2005 wordt momenteel afgewerkt. De evaluatiecommissie heeft daartoe tweemaal vergaderd.
Nahima Lanjri (CD&V): Ik kan alleen maar zeggen dat uit de cijfers, die men had vooropgesteld, - namelijk meer dan 100.000 mensen bereiken - en het aantal dat men nu bereikt - iets meer dan 11.000 mensen - heel duidelijk blijkt dat de werking van DAVO absoluut niet is wat ze zou moeten zijn. Er schort iets aan de werking, en vooral ook aan de bekendmaking. Ik heb er in het verleden reeds op gewezen dat die bekendmaking niet enkel via de website mag gebeuren. De kantoren moeten dichter bij de bevolking worden gebracht, onder meer via de loketten van de gemeente.
Tevens moet u DAVO de nodige mensen en middelen geven. Er zijn nu al problemen met mensen die zijn weggegaan zonder dat ze werden vervangen. DAVO moet ook de nodige middelen krijgen, zoals onder meer toeganq tot de Kruispuntbank. Als dat niet op punt staat dan kan zelfs niet het minimum minimorum, dat in de programmawet is voorzien en dat niet voor heel de doelgroep geldt, worden gerealiseerd. Ik blijf erop aandringen dat men die mankementen wegwerkt, anders krijgen de mensen niet waarop ze recht hebben en ik vind dat zij daar recht op hebben. Dit blijkt eens te meer uit de verschdlende rapporten, onder meer rapporten van vrouwenorganisaties maar net zo goed rapporten van armenorganisaties. Het feit dat de alimentatie niet wordt betaald, leidt ertoe dat heel veel gezinnen in de kansarmoede terechtkomen. Ik denk dat we niet willen meemaken dat er nog meer mensen dan nu al het geval is, in de kansarmoede verzeild geraken.
Magda De Meyer (sp.a-spirit): Mijnheer de staatssecretaris, ik ben het volledig eens met collega Lanjri dat de werking van de DAVO absoluut ondermaats is en niet realiseert wat er bij de aanvang was beloofd. Zelfs de minimale dingen die de DAVO nu doet, doet zij niet goed. Daar komt het zo’n beetje op neer. Het stoort mij enorm dat ik hoor zeggen dat er op dit moment vertraging is bij de invordenng door het extra werk voor de voorschotuitbetaling. De voorschotuitbetaling hadden wij al Dat is iets wat al bestond. Alles wat de DAVO moet doen is invorderen en zelfs dat wordt nu op een laag pitje gezet Ik vind dat bijzonder jammer.
Het feit dat de toegang tot de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid er nog altijd niet is, tart alle verbeelding. Die toegang tot de kruispuntbank was een van de cruciale dingen waarom de DAVO werd ondergebracht bij het ministerie van Financiën, omdat wij dachten dat dit veel eenvoudiger zou zijn. Blijkbaar is dat toch niet het geval. Het verwondert mij dat daar geen absolute prioriteit aan wordt gegeven en ik vind het ook hallucinant te vernemen dat er maar een goede 8.000 kinderen op dit moment recht hebben op een voorschot, wanneer men weet dat het vroegere systeem via de OCMWs ongeveer hetzelfde deed.
Het incident is gesloten. L’incident est dos. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Schriftelijke vraag van Servais Verherstraeten aan de Vice-eerste minister en minister van Justitie, mevrouw Laurette Onkelinx, over het aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Parlementaire vraag Aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding.
Vraag nr. 1047 van de heer Servais Verherstraeten van 6 juni 2006 (N.) aan de vice-eerste minister en minister van Justitie :
bron: http://www.dekamer.be/QRVA/pdf/51/51K0129.pdf
Aantal klachten over het omgangsrecht in het kader van een echtscheiding. In 2005 zijn er bij de Limburgse parketten 1 633 processen verbaal binnengekomen voor inbreuken op het omgangsrecht. Dit komt neer op een stijging met 10 % in vergelijking met 2004.
1. Geldt deze tendens algemeen voor het hele land ?
2. a) Hoeveel klachten werden er in totaal in 2004 en 2005 ingediend wegens niet-naleving van het omgangsrecht ? b) Hoeveel van die klachten zijn geseponeerd, en om welke reden ?
3. Gelden dezelfde tendensen inzake het aantal klachten wegens niet-betaling van onderhoudsgeld ?
*** Antwoord van de vice-eerste minister en minister van Justitie van 12 juli 2006, op de vraag nr. 1047 van de heer Servais Verherstraeten van 6 juni 2006 (N.) :
Mijnheer de Volksvertegenwoordiger kan in bijlage de elementen van antwoord terugvinden op zijn vragen.
Ik wijs u er op dat de verschillende tabellen zich beperken tot de zaken « niet-naleven omgangsrecht » en « familieverlating » die geregistreerd werden binnen het REA/TPI-systeem dat gebruikt wordt door de correctionele parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg. De selectie gebeurde op basis van de tenlasteleggingscode «42F» voor het niet-naleven van het omgangsrecht enerzijds en op basis van de tenlasteleggingscode « 42D» voor het niet-betalen van het onderhoudsgeld anderzijds.
Binnen de parketten wordt aan deze laatste code de omschrijving «familieverlating » toegekend, om die reden worden de zaken « niet betaling van onderhoudsgeld » in de verschillende tabellen geklasseerd onder de noemer «familieverlating ».
Er wordt dus geen rekening gehouden met de zaken die enkel maar geregistreerd worden op het niveau van de jeugdparketten. Ook de zaken die enkel maar via vereenvoudigde processen-verbaal op listings overgemaakt werden, konden niet betrokken worden in de analyse. Wanneer het parket echter nadien alsnog het vereenvoudigd proces-verbaal opvraagt, is de zaak wel meeverrekend in de tabellen aangezien alle door het parket opgevraagde vereenvoudigde processen-verbaal geregistreerd worden in het REA/TPI-systeem. De teleenheid van de verschillende tabellen is gelijk aan de zaak en dit los van het aantal betrokkenen in de zaak. Enkel de zaken die op de parketten binnenkwamen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 worden geteld en dit los van de wijze van instroom (via een politiedienst, ten gevolge van een burgerlijke partijstelling, ...).
1. Tabel 1 (zie bijlage) toont duidelijk aan dat de Limburgse stijging van het aantal inbreuken op het omgangsrecht van ongeveer 10 % niet algemeen is voor het gehele land. In sommige parketten is er in vergelijking met het voorgaande jaar een stijging waar te nemen in 2005, in andere parketten daarentegen valt er een daling waar te nemen, in de overige parketten is er hooguit een verwaarloosbaar verschil. Op nationaal niveau is er aldus eigenlijk sprake van een status quo.
2. a) Op 1 juli 2005 verspreidde het College van procureurs-generaal een omzendbrief met betrekking tot het ambtshalve politioneel onderzoek (APO) en het vereenvoudigd procesverbaal (VPV). De vereenvoudigde processen-verbaal zijn van toepassing in het geval van inbreuken die minder ernstig zijn.
Deze vereenvoudigde processen-verbaal worden niet geregistreerd in het REA/TPI-systeem tenzij het parket alsnog dit proces-verbaal opvraagt aan de politiediensten. In bijlage 3 van die omzendbrief (COL8/2005) wordt een limitatieve opsomming gegeven van deze inbreuken. Het «niet respecteren van het bezoekrecht (en/of uren) » is één van die inbreuken. Rekening houdende met dit feit zou men kunnen vermoeden dat het reëel aantal inbreuken op het omgangsrecht effectief gestegen zou kunnen zijn in het jaar 2005 aangezien de VPV-praktijk pas vanaf het in voege treden van die omzendbrief veralgemeend werd naar het gehele land. Men mag de impact van die omzendbrief echter niet overschatten wanneer het over de zaken gaat die op het parket geregistreerd worden onder de tenlasteleggingscode voor het niet-naleven van het bezoekrecht.
In de praktijk zou het immers zo zijn dat de politiediensten geen regulier maar wel een vereenvoudigd proces-verbaal opstellen in die gevallen waarin één van beide ex-partners bij de politie een klacht indient omdat de andere partner het kind bijvoorbeeld een half uur te vroeg of een half uur te laat teruggebracht heeft. Zolang het om een dergelijk relatief kleine tijdspanne gaat, proberen de politiediensten de zaak in der minne te regelen en wordt dit dus sinds kort afgehandeld middels een vereenvoudigd proces-verbaal. De impact op de parketstatistieken zou verwaarloosbaar zijn omdat in het verleden, de periode voorafgaand aan de implementatie van de VPV-praktijk, de politiediensten eveneens geen proces-verbaal opstelden in dergelijke gevallen. Ook toen probeerden ze dergelijke incidenten op een menselijke en redelijke manier op te lossen zonder meteen proces-verbaal op te stellen. Pas indien een dergelijk incident zich herhaaldelijk voordeed of indien het kind onredelijk laat of vroeg teruggebracht werd, ging men over tot het opstellen van een proces-verbaal. In die zin is er evenmin een verschil met de huidige praktijk.Naast dit gegeven is het ook zo dat een minderheid van de parketten slechts een fractie van de dossiers met betrekking tot het omgangsrecht registreert in het REA/TPI-systeem terwijl de meerderheid van die zaken enkel op het niveau van het jeugdparket (dat gebruik maakt van een ander informaticasysteem)geregistreerd wordt. Rekening houdende met dit alles moet dus geconcludeerd worden dat het REA/TPI-systeem niet toelaat om een betrouwbare statistiek te leveren met betrekking tot het totaal aantal inbreuken tegen het omgangsrecht. De beschikbare informatie laat dus niet toe om te bevestigen of te ontkennen dat de tendens die door dhr. Verherstraeten in Limburg vastgesteld werd, en die ook blijkt wanneer we de som maken voor de parketten van Hasselt en Tongeren in 2004 enerzijds en 2005 anderzijds, algemeen van toepassing is in het gehele land.
In ieder geval kunnen we wel zeggen dat het aantal door de correctionele parketten behandelde dossiers op nationaal niveau geen dergelijke stijging kende.
Wanneer we kijken naar het aantal zaken «familieverlating », dan valt er tussen 2004 en 2005 wel een verschil waar te nemen op nationaal niveau. Het gaat desgevallend echter over een duidelijke daling van het aantal zaken die door de parketten geregistreerd worden, een daling die alleszins niet te wijten is aan het invoeren van de hierboven omschreven VPV-praktijk omdat deze inbreuk niet opgesomd wordt in bijlage 3 van COL8/2005. Ter info merken we op dat er in de Limburgse parketten enkel een stijging is van het aantal zaken «familieverlating » binnen het gerechtelijk arrondissement Tongeren (69 in 2004, 104 in 2005). In Hasselt bleef dit aantal op hetzelfde peil (189 in 2004, 185 in 2005).
In tabel 2 (zie bijlage) wordt de vooruitgangsstaat van elk van deze zaken gepresenteerd. Deze vooruitgangsstaat was van toepassing op 10 januari 2006, de datum van gegevensextractie.
2 b) Voor elk van de op 10 januari 2006 « zonder gevolg » staande zaken, vindt u in tabel 3 het motief tot seponeren. Wat opvalt, is het hoge aantal sepots omwille van een « geregulariseerde toestand », geen misdrijf en «onvoldoende bewijzen». Het is van belang om rekening te houden met dit gegeven indien men uitspraken doet over het aantal door de parketten zonder gevolg gestelde zaken.
3. Zie de vorige antwoorden en de tabellen in bijlage.
*** Tabel 1 : Aantal zaken «familieverlating » en « niet naleven omgangsrecht » binnengekomen per jaar (aantal en kolompercentage)
Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal.
*** Tabel 2 : Vooruitgangstaat op 10 januari 2006 van de zaken «familieverlating» en «niet naleven omgangsrecht» binnengekomen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 (aantal en kolompercentage)
Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal. *** Tabel 3 : Motief tot seponering van de op 10 januari 2006 zonder gevolg staande zaken familieverlating en «niet naleven omgangsrecht» binnengekomen tussen 1 januari 2004 en 31 december 2005 (aantal kolompercentage)
Bron : Gegevensbank van het College van procureurs-generaal.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag van Sabien Battheu aan de minister van Gelijke Kansen, Christian Dupont iv het Nationaal Actieplan Partnergeweld | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het Nationaal Actieplan Partnergeweld
(2004-2007) voorziet in een overleg met de gemeenschappen en de gewesten
om de acties van de overheid inzake partnergeweld efficiënt te
coördineren. Sabien vroeg de minister van Gelijke Kansen, Christian
Dupont, naar meer details over dit Actieplan. Uit het antwoord van de
minister blijkt dat het Actieplan 7 doelstellingen kent, nl.
sensibiliseren, vorming, preventie, bescherming en opvang, repressie en
andere maatregelen, evaluatie en registratie. Deze doelstellingen werden
duidelijk gedefinieerd. Voor alle acties werd een nieuwe eenvormige
structuur gevolgd. Zo wordt elke actie beschreven, alsook de doestelling
en de doelgroep van de actie en het budget voor die actie. Er wordt ook
vermeld hoe de actie kan geëvalueerd worden en welke indicatoren het
effect van deze actie kunnen meten. Tot slot wordt per actie ook vermeld
welke minister(s) verantwoordelijk is voor deze actie. Deze acties bevatten ook de bijdragen van de gemeenschappen en gewesten, en niet alleen van de ministers bevoegd voor gelijke kansen en welzijn of slachtofferhulp, maar ook van de ministers bevoegd voor onderwijs. Om de drie maanden zal een interdepartementale werkgroep (vertegenwoordigers van de administraties van de verantwoordelijke ministers en vertegenwoordigers van de gemeenschappen en gewesten) bijeen komen. De eerste keer kwam de werkgroep enkele dagen geleden bijeen. De werkgroep staat in voor de opvolging en de eerste bespreking van eventuele aanpassingen van het actieplan. Het actieplan heeft namelijk een dynamisch karakter, wat wil zeggen dat nieuwe acties ook in het actieplan opgenomen kunnen worden. Ook werd een expertengroep opgericht om het Actieplan mee te begeleiden en op te volgen. Deze groep wordt gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en wordt 2 maal per jaar bij elkaar gebracht. Daarnaast subsidieert de federale overheid samen met de gemeenschappen, gewesten en provincies de provinciale coördinatie inzake geweld en worden tweemaandelijks vergaderingen georganiseerd, tevens gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Deze coördinatrices zijn onder meer belast met het verbeteren van de netwerking tussen de verschillende actoren en de coördinatie op lokaal vlak van alle initiatieven inzake geweld tegen vrouwen. Een hele boterham...die hopelijk tot resultaat zal leiden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Mondelinge Vraag - Sabien Lahaye-Battheu - Zoeken naar oplossing voor problematiek van ouderontvoeringen: ouders hebben wel degelijk inspraak. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In België worden elk jaar enkele honderden kinderen uit
gemengde huwelijken door één van beide ouders ontvoerd naar zijn of haar
land van herkomst. Op initiatief van de Federale Overheidsdiensten
Justitie en Buitenlandse Zaken werden werkgroepen opgericht die een
oplossing zoeken voor de problematiek van ouderontvoeringen. Naast een
werkgroep Magistraten en Politie, de Psychosociale Werkgroep en de – nog
niet opgerichte – werkgroep Bemiddeling werd ook een werkgroep Ouders in
het leven geroepen. Deze werkgroep moet de betrokken ouders op de hoogte
houden van de werkzaamheden van de andere werkgroepen. Eind maart klaagde een tiental betrokken ouders aan dat deze communicatie totaal mank loopt. Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (VLD) antwoordde op een vraag van Sabien dat de ouders via hun werkgroep wel degelijk de kans krijgen om opmerkingen of suggesties te formuleren inzake de behandelde onderwerpen en de genomen beleidsopties. Meer nog, begin dit jaar werd hun een formulier toegestuurd met de vraag of ze wensten uitgenodigd te worden voor de samenkomst van de Werkgroep Ouders en of ze via een concrete getuigenis of een bepaalde ervaring zouden kunnen bijdragen tot de werkzaamheden van de drie werkgroepen. Een dertigtal ouders (op 130 verzonden formulieren) reageerden intussen dat ze willen deelnemen aan de besprekingen van de werkgroepen. Het materieel probleem dat zich hierdoor stelt is dat niet alle ouders voor elke vergadering kunnen worden uitgenodigd. De ouders zullen daarom, zo vernam Sabien nog, in de toekomst systematisch per brief ingelicht worden over het verloop van de werkzaamheden van de werkgroepen. Na het beëindigen van hun werkzaamheden zullen de werkgroepen dan met concrete voorstellen naar buiten komen. Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Schriftelijke vraag - Sabien Lahaye-Battheu - Hoorrecht kinderen - “Heb je even tijd voor mij mevrouw, meneer de rechter?” | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Het aantal scheidingen in ons land
blijft stijgen. Onbetwist zijn kinderen vaak het grootste slachtoffer.
Daarom is het belangrijk dat ook zij een stem hebben in het gerecht en
worden gehoord. In ons land bestaan twee systemen waarbinnen kinderen worden gehoord door de rechter. Vooreerst is er het gemeenrechterlijk of facultatief hoorrecht, ingevoerd op 1 oktober 1994. Een minderjarige, die onder het “vereiste onderscheidingsvermogen” beschikt, kan op eigen verzoek of bij beslissing van de rechter worden gehoord volgens art.931 GW. Daarnaast is er het verplicht horen van minderjarigen vanaf twaalf jaar door de jeugdrechter (art.56bis Jeugdbeschermingswet), ook ingevoerd eind 1994. Uit het antwoord op een schriftelijke vraag van Sabien blijkt dat de twee systemen mank lopen, en dringend aan hervorming toe zijn. Zo blijken minderjarigen slechts uitzonderlijk op eigen verzoek (art.931 GW) te worden gehoord (Gent: minder dan tien keer per jaar, Hoei: 2 verhoren in 2005, Marche-en-Famenne: nooit op eigen verzoek, Neufchateau: 1 verhoor in 2005). Als dat wel gebeurt, wordt het gesprek afgenomen door de rechter zelf, een psycholoog of een justitie-assistente. In Antwerpen bijvoorbeeld zal een justitie-assistente het gesprek met een kind jonger dan twaalf jaar leiden, in Nijvel komt er vaak een psycholoog bij te pas, en in andere rechtbanken neemt de rechter altijd zelf deze taak op zich. Ook de leeftijd van de minderjarigen varieert. Voor sommige rechters moeten de minderjarigen minstens twaalf jaar zijn, anderen horen al vanaf zeven jaar. Sabien kan besluiten dat het gemeenrechterlijk hoorrecht slechts beperkt wordt toegepast. De rechter kan er zich op vandaag bovendien gewoon van af maken door een briefje te schrijven aan de minderjarige waarin staat dat zij/hij niet wordt gehoord. Als er wel een gesprek plaats vindt, dan verschilt de wijze van verhoren per rechtbank en de minimumleeftijd die vereist wordt van het kind. Bij het verplicht horen van minderjarigen vanaf twaalf jaar door de jeugdrechter (art. 56bis) blijkt dat de kwaliteit van de verhoren soms te wensen over laat. Jeugdrechters zijn immers niet opgeleid voor het horen van kinderen in dergelijke gevoelige materies, waardoor ze er soms niet in slagen tot het kind door te dringen. De gesprekken duren soms amper tien à vijftien minuten, wat te kort is rekening houdend met het feit dat er bij een kind al tien à vijftien minuten gewenning nodig is. De plaats waar een gesprek afgenomen wordt – aan de andere kant van een groot bureau in een statig en imposant gerechtsgebouw - is bovendien meestal kindonvriendelijk. Deze twee systemen leiden op vandaag ook tot een gebrek aan logica, coherentie en rechtszekerheid. Een voorbeeld ter illustratie: als een twaalfjarige wil gehoord worden in een procedure voor de vrederechter (dringende en voorlopige maatregelen), kan deze de vrederechter hierom schriftelijk verzoeken. De vrederechter kan het verzoek naast zich neerleggen op basis van het feit dat de minderjarige niet over het “vereiste onderscheidingsvermogen” beschikt. Indien dit identieke geschil door de jeugdrechter wordt behandeld, wordt de twaalfjarige verplicht opgeroepen om met de jeugdrechter te praten. Sabien vraagt dan ook dat het hoorrecht in zijn huidige vorm dringend bijgeschaafd wordt, en dat het hangende wetsontwerp in de Kamer snel op de tafel van de commissie Justitie komt. In het wetsontwerp wordt een verplicht hoorrecht voorzien voor elke minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en dit via een kindvriendelijke oproeping. Ook wordt voorzien dat rechters die oordelen in geschillen waar minderjarigen bij betrokken zijn een bijzondere opleiding volgen hiertoe. Het horen moet bovendien gebeuren op een plaats waar het kind zich vlug op zijn gemak voelt (laagdrempelig). Bron: www.sabien-lahaye-battheu.be |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||